Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4395

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
11926017 \ CV EXPL 25-14304
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst en betaling resterende leasetermijnen na betalingsachterstand

Gedaagde had een zakelijke auto geleaset van Hiltermann Lease B.V. en betaalde meerdere leasetermijnen niet tijdig. Hiltermann ontbond daarop de leaseovereenkomst en vorderde betaling van de resterende termijnen minus eventuele verkoopopbrengst van de auto, alsmede teruggave van de auto en bijkomende kosten.

De kantonrechter stelde vast dat er op het moment van ontbinding een betalingsachterstand bestond van twee leasetermijnen en administratiekosten. Gedaagde had onvoldoende onderbouwd dat deze bedragen al voldaan waren. De ontbinding was gerechtvaardigd en niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

De rechter veroordeelde gedaagde tot betaling van de openstaande administratiekosten, resterende toekomstige leasetermijnen minus reeds betaalde termijnen na ontbinding, contractuele rente over de achterstand tot ontbinding, wettelijke rente over de toekomstige termijnen, en matigde de incassokosten tot het wettelijke maximum. De vorderingen voor kosten inname auto en aangifte politie werden afgewezen.

De vordering tot verwijdering van de BKR-registratie werd afgewezen omdat de registratie terecht was gedaan. Gedaagde werd veroordeeld tot afgifte van de auto binnen veertien dagen na betekening, met een dwangsom bij niet-naleving. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De leaseovereenkomst is ontbonden en gedaagde is veroordeeld tot betaling van openstaande en toekomstige leasetermijnen, teruggeven van de auto en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11926017 \ CV EXPL 25-14304
Vonnis van 21 april 2026
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
gevestigd te Hoofddorp,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: mr. S.J. Houweling (Janssen & Janssen c.s.),
tegen
[gedaagde] (handelend onder de naam [bedrijf] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft van Hiltermann een zakelijke auto geleaset. [gedaagde] had een aantal leasetermijnen niet betaald. Daarom heeft Hiltermann de leaseovereenkomst ontbonden. Hiltermann vordert dat [gedaagde] de resterende termijnen (min de eventuele verkoopopbrengst van de auto) betaalt en de auto teruggeeft, met nevenvorderingen. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe, maar matigt de incassokosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met eis in reconventie en producties,
- het instructievonnis van 4 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,
- de akte van Hiltermann van 16 maart 2026, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2026. Namens Hiltermann is mr. A. Naaktgeboren verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen.
1.3.
Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Hiltermann is een leasebedrijf. [gedaagde] exploiteert een webwinkel voor snoepgoed en chocola, onder meer onder de naam [bedrijf] .
2.2.
[gedaagde] heeft van Hiltermann een Volkswagen Polo (hierna: de auto) geleaset. Daarvoor hebben partijen op 13 februari 2025 een huurkoopovereenkomst (hierna: de leaseovereenkomst) gesloten voor de duur van 72 maanden.
2.3.
De leasetermijn bedraagt € 396,12 per maand en is steeds bij vooruitbetaling, op of vóór de eerste werkdag van de maand, verschuldigd. Over de eerste leasetermijn moet eenmalig € 150,- exclusief btw aan administratiekosten worden betaald. [gedaagde] heeft Hiltermann gemachtigd om de leasetermijnen (en de eenmalige administratiekosten) per automatische incasso te incasseren.
2.4.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie december 2024 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. De algemene voorwaarden bevatten een rentebeding (artikel 15) en een kostenbeding (artikel 53). Daarin staat dat bij te late betaling rente (1,5% per maand) en buitengerechtelijke kosten (10% met een minimum van € 250,-) moet worden betaald over het openstaande bedrag.
2.5.
In artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden staan een aantal situaties genoemd waarin Hiltermann de overeenkomst, na ingebrekestelling, vervroegd kan beëindigen. Eén van die gronden is dat [gedaagde] een verplichting uit de leaseovereenkomst niet (tijdig) is nagekomen. In dat geval is Hiltermann onder meer gerechtigd om de nog niet betaalde leasetermijnen onmiddellijk vervroegd op te eisen. In artikel 44 van Pro de algemene voorwaarden is bepaald dat de auto bij tussentijdse beëindiging van de leaseovereenkomst, aan Hiltermann teruggegeven moet worden. Verder is bepaald dat [gedaagde] na afgifte of inname van de auto recht heeft op een vergoeding van de verkoopwaarde van de auto.
2.6.
[gedaagde] heeft een aantal leasetermijnen niet (tijdig) betaald. Een aantal automatische incasso’s is mislukt en [gedaagde] heeft een aantal leasetermijnen handmatig aan Hiltermann overgemaakt.
2.7.
De gemachtigde van Hiltermann heeft [gedaagde] bij brief van 18 juni 2025 verzocht om de betalingsachterstand tot en met 13 juli 2025 (op dat moment € 973,74 aan hoofdsom), vermeerderd met rente en incassokosten te betalen.
2.8.
Bij brief van 26 juni 2025 heeft de gemachtigde van Hiltermann [gedaagde] nogmaals verzocht om de betalingsachterstand, rente en kosten te voldoen. In die brief is vermeld dat het uitblijven van betaling zou leiden tot ontbinding van de overeenkomst, waarbij de toekomstige leasetermijn als schadevergoeding zouden worden beschouwd en de auto ingeleverd moest worden.
2.9.
Op 17 juli 2025 heeft Hiltermann bij exploot onder meer aangezegd dat de leaseovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden. In dat exploot is verder onder meer om betaling van een schadevergoeding van € 26.540,04 en afgifte van de auto verzocht.
2.10.
[gedaagde] heeft Hiltermann gevraagd om de betalingsachterstand te specificeren. In reactie daarop heeft gemachtigde van Hiltermann bij e-mail van 17 oktober 2025 onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

De betalingen die u heeft gedaan zijn als volgt verwerkt:
Betaling 14/3 heeft u zelf gestorneerd
Betaling 2/4 is voor maandtermijn 1, februari
Betaling 11/4 is voor maandtermijn 2, maart
Betaling 16/5 heeft u zelf gestorneerd
Betaling 18/6 is voor maantermijn 4, mei
Betaling 26/6 is voor maandtermijn 5, juni
Betaling 10/9 is voor maandtermijn 6, juli
In die reactie is namens Hiltermann tevens een betalingsvoorstel gedaan. Dat heeft niet tot een oplossing in der minne geleid.
2.11.
Hiltermann heeft in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau Krediet Registratie (BKR) op naam van [gedaagde] een krediet van Hiltermann geregistreerd met een A2-codering (hierna: de BKR-registratie).

3.Het geschil

In conventie
3.1.
Hiltermann vordert, kort gezegd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is ontbonden dan wel deze te ontbinden, en
b. dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:
i. de auto binnen twee dagen na betekening af te geven, op straffe van een dwangsom van € 1.200,- per dag met een maximum van € 75.000,-,
ii. € 30.496,54 (min de eventuele verkoopopbrengst) te betalen, vermeerderd met 18% rente per jaar dan wel de wettelijke (handels)rente vanaf de dag van dagvaarding over € 27.763,78,
iii. de proceskosten,
iv. € 859,10 te betalen als Hiltermann tot inname van de auto moet overgaan, en
v. € 211,75 te betalen als Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan.
3.2.
Hiltermann legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in juli 2025 een betalingsachterstand had van meerdere maandtermijnen ten bedrage van in totaal € 973,74 (€ 1.765,98 - € 792,24), op grond waarvan Hiltermann de leaseovereenkomst mocht ontbinden. Door de ontbinding moet [gedaagde] de auto afgeven en de achterstallige en toekomstige leasetermijnen betalen, met contractuele rente. Als de auto verkocht wordt, zal de opbrengst daarvan op de vordering in mindering gebracht worden. Omdat Hiltermann haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven, moet [gedaagde] de contractuele incassokosten betalen. Daarnaast moet [gedaagde] de kosten betalen die Hiltermann mogelijk zal moeten maken voor het innemen van de auto en het doen van aangifte, aldus steeds Hiltermann.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat er een betalingsachterstand is. [gedaagde] erkent dat er problemen zijn geweest met het automatisch incasseren van de leasetermijnen, maar betoogt dat hij de leasetermijnen later steeds handmatig heeft overgemaakt. De eenmalige administratiekosten heeft Hiltermann volgens [gedaagde] kwijtgescholden. Er is dus geen reden voor ontbinding, waardoor [gedaagde] de auto mag blijven gebruiken. Omdat de vordering niet klopt, is er ook geen grond voor het betalen van rente en kosten, zo betoogt [gedaagde] .
In reconventie
3.4.
In reconventie vordert [gedaagde] dat Hiltermann wordt veroordeeld om de BKR-registratie ongedaan te (laten) maken. Er is geen grond voor de registratie en [gedaagde] wordt door de BKR-registratie belemmerd in zijn werkzaamheden en financiële activiteiten. [gedaagde] is steeds in contact gebleven en heeft gezocht naar een oplossing en daarom is de registratie onjuist en disproportioneel, aldus steeds [gedaagde] .
3.5.
Hiltermann voert verweer. [gedaagde] had een betalingsachterstand en is gewaarschuwd dat uitblijven van betaling zou kunnen leiden tot een BKR-registratie. De BKR-melding is dan ook terecht gedaan, zo stelt Hiltermann.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld.
Geen ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] bij het sluiten van de leaseovereenkomst (in overwegende mate) als handelaar heeft gehandeld, zodat niet wordt overgegaan tot een ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht. Daarbij is onder meer van belang dat [gedaagde] ter zitting heeft toegelicht dat hij een zakelijke leaseauto nodig had om mee naar klanten en afspraken te rijden.
De betalingsachterstand
4.3.
Hiltermann heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er op het moment van buitengerechtelijke ontbinding een betalingsachterstand bestond, verwezen naar het door haar overgelegde betalingsoverzicht. Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat er op 17 juli 2025 een betalingsachterstand bestond. Dat wordt hierna uitgelegd.
4.4.
Op het betalingsoverzicht is te zien dat de leasetermijnen over de periode van februari 2025 tot en met juni 2025 geïncasseerd waren, maar vervolgens ook weer gestorneerd zijn. Bij de storneringen zijn codes vermeld die volgens Hiltermann betekenen dat er onvoldoende saldo op de rekening stond (AM04), of dat de bedragen zelf teruggeboekt zijn (MD06). Op het betalingsoverzicht is verder te zien dat er op 2 april, 23 april, 18 juni en 26 juni 2025 betalingen zijn ontvangen, steeds ter hoogte van één leasetermijn. Die betalingen zijn respectievelijk toegerekend aan de maanden februari, maart, mei en juni 2025. Daaruit volgt dat [gedaagde] op het moment van ontbinden op 17 juli 2025 twee leasetermijnen (voor de maanden april en juli 2025) en de administratiekosten niet betaald had.
4.5.
Dat [gedaagde] die twee leasetermijnen en de eenmalige administratiekosten vóór de ontbinding al wel betaald had, zoals [gedaagde] stelt, is onvoldoende onderbouwd. De door [gedaagde] overgelegde betaalbewijzen van vóór de ontbindingsdatum komen overeen met de hierboven beschreven ontvangen betalingen die Hiltermann in haar overzicht heeft opgenomen. En ten aanzien van de betalingen op 14 maart en 16 mei 2025 heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat die betalingen automatisch geïncasseerd en vervolgens gestorneerd zijn. Dat de eenmalige administratiekosten door Hiltermann zijn kwijtgescholden, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, heeft hij in het licht van de gemotiveerde betwisting door Hiltermann onvoldoende onderbouwd, zodat dit niet vast is komen te staan.
Ontbinding
4.6.
Door niet (tijdig) de leasetermijnen te betalen is [gedaagde] tekortgeschoten in
de nakoming van zijn verplichtingen uit de leaseovereenkomst. Op die grond mocht Hiltermann de leaseovereenkomst vervroegd beëindigen. Dit hebben partijen zo afgesproken in artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden. Dat [gedaagde] vervolgens ná de ontbinding de twee leasetermijnen alsnog heeft voldaan, maakt het voorgaande niet anders. Die betalingen nemen namelijk niet weg dat er op het moment van ontbinden een betalingsachterstand van meer dan twee maanden bestond en Hiltermann om die reden op dat moment tot ontbinding mocht overgaan.
4.7.
Die ontbinding is naar het oordeel van de kantonrechter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De lat daarvoor ligt hoog en [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat daar in dit geval aan is voldaan. Dat er bij [gedaagde] onduidelijkheid bestond over het openstaande bedrag, zoals [gedaagde] stelt, is daarvoor niet voldoende.
Betaling (toekomstige) termijnen en afgifte auto
4.8.
Het gevolg van de ontbinding is dat Hiltermann, naast de te laat betaalde leasetermijnen, ook in één keer alle toekomstige leasetermijnen als schadevergoeding mag opeisen (artikel 43 algemene Pro voorwaarden). [gedaagde] heeft niet (voldoende) betwist dat de toekomstige leasetermijnen (dus de termijnen ná 17 juli 2025) in totaal € 26.540,04 bedragen. Ook het openstaande bedrag op het moment van ontbinden heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. Hiervoor is namelijk overwogen (rov. 4.4.) dat op het moment van ontbinden twee leasetermijnen en de eenmalige administratiekosten open stonden en die bedragen zijn bij elkaar opgeteld ((€ 396,12 x 2) + € 181,50 =) € 973,74.
4.9.
Niet in geschil is dat [gedaagde] ná ontbinding in september en oktober 2025 twee maandtermijnen heeft betaald, die zijn toegerekend aan de achterstallige maanden april en juli 2025, zodat van de bedragen die vóór ontbinding verschuldigd waren, alleen de administratiekosten (€ 181,50) nog openstaan en dus toewijsbaar zijn.
4.10.
Daarnaast staat vast dat [gedaagde] na ontbinding nog twee maandtermijnen heeft betaald, namelijk in februari 2026. Daarmee resteert ten aanzien van de toekomstige leasetermijnen een toewijsbaar bedrag van (€ 26.540,04 – (2x € 396,12) =) € 25.747,80. Ook dat bedrag zal toegewezen worden.
4.11.
Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij een dag voor de mondelinge behandeling nog twee maandtermijnen heeft betaald. Hiltermann heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat zij dit gelet op de korte termijn ter zitting niet heeft kunnen verifiëren. Deze betalingen zijn dus niet vast komen te staan, zodat daar bij het toewijsbare bedrag geen rekening mee wordt gehouden. Maar uiteraard geldt dat als [gedaagde] na februari 2026 nog betalingen heeft verricht, die op het totaal resterende bedrag in mindering moeten worden gebracht, zoals na te melden.
4.12.
Een ander gevolg van de ontbinding is dat Hiltermann afgifte van de auto mag vragen (artikel 44 algemene Pro voorwaarden). De kantonrechter bepaalt dat [gedaagde] voor het teruggeven van de auto veertien dagen de tijd krijgt, gerekend vanaf de dag dat het vonnis door de deurwaarder aan hem is bezorgd (betekend). De kantonrechter zal aan het teruggeven van de auto een dwangsom verbinden, maar zal daarbij het door Hiltermann gevraagde bedrag als volgt matigen. Als [gedaagde] de auto niet aan Hiltermann teruggeeft binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, moet hij € 200,- per dag betalen totdat hij de auto heeft teruggegeven, met een maximum van € 10.000,-.
4.13.
Daarbij geldt dat als Hiltermann de auto verkoopt, de verkoopopbrengst in mindering zal strekken op de toegewezen toekomstige leasetermijnen.
Rente
4.14.
Hiltermann vordert verder de contractuele rente van 18% per jaar over de hoofdsom. De contractuele rente is echter alleen toewijsbaar over de betalingsachterstand tot aan de datum van ontbinding. Op dat moment bedroeg de achterstand € 973,74. De kantonrechter stelt vast dat het bedrag aan verschenen rente dat in de dagvaarding staat om deze reden onjuist is berekend. Dat bedrag is daarom niet toewijsbaar. De contractuele rente wordt toegewezen over voornoemd bedrag vanaf de verschillende vervaldata van de facturen tot aan de betaling.
4.15.
Omdat de overeenkomst is ontbonden, kan Hiltermann geen aanspraak maken op de contractuele rente over de leasetermijnen ná ontbinding. Ook is toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente daarover niet mogelijk. Het bedrag aan leasetermijnen na ontbinding is namelijk een schadevergoeding. Gelet hierop zal de kantonrechter over het bedrag van € 26.540,04 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toewijzen vanaf 18 juli 2025 tot betaling.
Incassokosten
4.16.
Voor de buitengerechtelijke incassokosten zijn partijen een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. In dit geval zijn partijen 10% van de hoofdsom, met een minimum van € 250,- aan buitengerechtelijke kosten overeengekomen. Daarmee komt de vordering uit boven het tarief dat geldt op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van Hiltermann hoger zijn dan dat tarief. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal gematigd worden tot het tarief dat geldt op basis van het Besluit. Dat is een bedrag van € 1.034,29. Dat bedrag wordt toegewezen.
Kosten inname en aangifte
4.17.
De gevorderde kosten voor het innemen van de auto en het doen van aangifte bij de politie zijn op voorhand niet toewijsbaar. Er is niet gebleken dat deze kosten zijn gemaakt en het staat niet vast dat deze kosten (tot dit bedrag) gemaakt zullen worden. Die vorderingen worden dan ook afgewezen.
BKR-registratie
4.18.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft Hiltermann de BKR-registratie terecht geregistreerd. Vaststaat immers dat El Ouakli een betalingsachterstand had. Dat het in de gegeven omstandigheden ongerechtvaardigd is dat de BKR-registratie blijft staan totdat de termijn is verstreken, is door [gedaagde] onvoldoende concreet gemaakt. Dat [gedaagde] door de BKR-registratie wordt belemmerd in zijn werkzaamheden en financiële activiteiten, is daarvoor onvoldoende. De gevorderde verwijdering van de BKR-registratie wordt dan ook afgewezen.
De proceskosten
4.19.
[gedaagde] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hiltermann worden in conventie begroot op: € 2.882,16, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 123,16), het griffierecht (€ 1.461,-), het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 577,-) en de nakosten (€ 144,-). In reconventie worden de proceskosten van Hiltermann begroot op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] (contractnummer [nummer] ) is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] aan Hiltermann af te geven, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag, met een maximum van € 10.000,-,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen:
a. € 181,50 aan eenmalige administratiekosten,
b. € 25.747,80 aan resterende toekomstige leasetermijnen, met dien verstande dat wanneer de Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] wordt ingeleverd en vervolgens verkocht door Hiltermann, de verkoopopbrengst in mindering wordt gebracht op dit bedrag, net als eventuele bedragen die [gedaagde] in het kader van deze leaseovereenkomst na februari 2026 nog aan Hiltermann heeft betaald,
c. de contractuele rente van 1,5% per maand (18% per jaar) over € 973,74 vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen tot aan de betaling,
d. de wettelijke rente over € 26.540,04 vanaf 18 juli 2025 tot de dag van betaling,
e. € 1.034,29 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.882,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
5.6.
wijst de vordering af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Hiltermann begroot op nihil,
Zowel in conventie als in reconventie
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 21 april 2026.
64183