Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4389

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
13-037945-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks weigeringsgrond artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Tsjechië voor de overlevering van een persoon geboren in 1999 in Oekraïne. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vijf maanden die nog volledig resteert. De behandeling vond plaats op zittingen van 8 en 23 april 2026, waarbij de opgeëiste persoon verscheen met raadsman en tolk.

De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), die ziet op de kennisname van het vonnis en de mogelijkheid tot verzet of hoger beroep. Hoewel de opgeëiste persoon niet persoonlijk bij het proces aanwezig was, is het vonnis van 29 april 2024 op 17 mei 2024 persoonlijk betekend met informatie over rechtsmiddelen, maar is geen verzet of hoger beroep ingesteld.

Ten aanzien van de triggerende veroordelingen uit 2024 is niet duidelijk of de opgeëiste persoon deze persoonlijk heeft ontvangen, waardoor de weigeringsgrond formeel van toepassing is. De rechtbank ziet echter aanleiding af te zien van weigering omdat de opgeëiste persoon een adres heeft verstrekt waar de strafbeschikkingen zijn bezorgd en hij op de hoogte was van zijn verplichtingen. De rechtbank concludeert dat de overlevering kan worden toegestaan, mede omdat het feit voldoet aan de dubbele strafbaarheidsvereiste volgens artikel 7 OLW Pro.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Tsjechië toe ondanks de weigeringsgrond van artikel 12 OLW vanwege verstrekte adresinstructie en kennisname van het vonnis.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-037945-26
Datum uitspraak: 6 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2026 door
the District Court for Prague 1,Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Oekraïne),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 8 april 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zij raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Oekraïense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de toetsing aan artikel 12 OLW Pro.
De zitting van 23 april 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – voortgezet in gewijzigde samenstelling, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, en door een tolk in de Oekraïense taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Oekraïense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court for Prague 1van 29 april 2024 met kenmerk č.j.44 T 32/2024-148.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in zijn geheel.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
Blijkens onderdeel f) van het EAB was de in het vonnis van 29 april 2024 opgelegde vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd met een proeftijd van 20 maanden. Bij beslissing van
the District Court for Prague 1van 23 januari 2025 met kenmerk 44 T 32/2024 178, die in hoger beroep onherroepelijk is geworden met de beslissing van
the Municipal Court in Praguevan 9 oktober 2025 met kenmerk 8 T 101/2025, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 12 maart 2026 aanvullende informatie verstrekt. Uit deze informatie blijkt dat de tenuitvoerlegging is bevolen, omdat de opgeëiste persoon strafbare feiten heeft gepleegd in de proeftijd. Hij is daarvoor veroordeeld in het vonnis van
the District Court for Prague 3van 20 september 2024 met kenmerk 25 T 64/2024, en in het vonnis van
the District Court for Prague 6van 30 oktober 2024 met kenmerk 3 T 106/2024.
4.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat het onduidelijk is of de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis heeft genomen van het vonnis van
the District Court for Prague 1van 29 april 2024. Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt weliswaar dat het vonnis op 17 mei 2024 persoonlijk aan de opgeëiste persoon is overhandigd en dat hij ook voor ontvangst heeft getekend. Echter, uit de bijgevoegde “
delivery slip”blijkt volgens de raadsman dat de betekende brief betrekking heeft op een proces-verbaal van verhoor van 6 februari 2024 en niet het op het vonnis van 29 april 2024. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat (nogmaals) aanvullende vragen dienen te worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is ten aanzien van het vonnis van 29 april 2024 sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De beslissing is op 17 mei 2024 persoonlijk aan de opgeëiste persoon betekend en hij heeft ook voor ontvangst getekend. In de aanvullende informatie van 27 maart 2026 is eerder vermeld dat de opgeëiste persoon daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, maar de opgeëiste persoon heeft niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend. Ten aanzien van de
triggerendeveroordelingen met de kenmerken 25 T 64/2024 en 3 T 106/2024 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat hiervan kan worden afgezien. De opgeëiste persoon heeft een adres opgegeven en de Tsjechische autoriteiten hebben de beslissingen per post naar het door de opgeëiste persoon verstrekte adres verzonden. Bovendien is de opgeëiste persoon erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de Tsjechische autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging alsmede op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting.
4.3
Oordeel van de rechtbank
4.3.1
Ten aanzien van het vonnis van 29 april 2024 met kenmerk č.j.44 T 32/2024 148
De rechtbank stelt vast dat in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon op 29 april 2024 een “
criminal order” (hierna: strafbeschikking) is opgelegd met kenmerk č.j.44 T 32/2024-148 zonder dat een openbare zitting heeft plaatsgevonden. Volgens punt 3.3 in het EAB is deze strafbeschikking op 17 mei 2024 aan de opgeëiste persoon betekend en is hij daarbij uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een verzetsprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, en dat tijdens die procedure de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon geen hoger beroep of verzet heeft ingesteld binnen de daartoe gestelde termijn. In de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 april 2026 wordt vermeld dat de opgeëiste persoon “
personally received the Criminal order of the District Court for Prague 1 on 17 May 2024, which he confirmed by his handwritten signature.”Gelet op voormelde informatie, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW van toepassing is.
4.3.2
Ten aanzien van detriggerendeveroordelingen met kenmerken 25 T 64/2024 en 3 T 106/2024
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. [4]
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 9 oktober 2025 met kenmerk 8 T 101/2025 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] De processen die hebben geleid tot de
triggerendeveroordelingen moeten op grond van voormeld arrest van het HvJ EU wel worden getoetst aan artikel 12 OLW Pro.
Het EAB bevat geen informatie over de procedures die hebben geleid tot de
triggerendeveroordelingen. Bij e-mail van 27 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover aanvullende informatie verstrekt. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op de processen die tot de veroordelingen hebben geleid, aangezien dergelijke zittingen niet hebben plaatsgevonden. In beide procedures is aan de opgeëiste persoon een strafbeschikking opgelegd, die allebei op 6 november 2024 aan hem zijn betekend. In de aanvullende informatie van 2 april 2026 is verder vermeld dat beide strafbeschikkingen aan de opgeëiste persoon zijn afgeleverd op het adres dat hij had opgegeven tijdens de voorbereidende procedures. Voorts is vermeld dat elke strafbeschikking standaard informatie bevat over de mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden, inclusief de mogelijkheid van hoger beroep (verzet) en de manier waarop dat rechtsmiddel kan worden ingezet. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld.
Op grond van de verstrekte informatie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een situatie zoals is bedoeld in artikel 12, sub c, OLW, omdat niet duidelijk is of de beslissingen aan de opgeëiste persoon zelf in persoon zijn betekend. Bovendien ontbreekt informatie waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis heeft genomen van deze beslissingen.
Verder zijn – kort gezegd – de strafbeschikkingen genomen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a en b, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ten slotte zijn er geen garanties als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering conform artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 27 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide procedures tijdens “
the pre-trial proceedings” een adres heeft verstrekt en dat de strafbeschikkingen op dat adres zijn afgeleverd. Tijdens de voorbereidende procedure is de opgeëiste persoon erop gewezen dat op hem de wettelijke verplichting rustte om de justitiële autoriteiten op de hoogte te brengen van iedere adreswijziging en op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenkingen en heeft er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou kunnen volgen. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest door – ondanks de aan hem gegeven adresinstructie – niet bereikbaar te zijn voor de Tsjechische autoriteiten.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court for Prague 1,Tsjechië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (