ECLI:NL:RBAMS:2026:432

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
13-143066-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot een vrijheidsstraf in Polen

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Polen is uitgevaardigd. De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot behandeling van het EAB, dat is uitgevaardigd op 31 januari 2022. De opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1992, is in Nederland ingeschreven en heeft verklaard dat hij de Poolse nationaliteit heeft. Tijdens de zitting op 8 januari 2026 was de opgeëiste persoon aanwezig, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis in Polen, maar dat hij wel op de hoogte was van de zitting. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat aan de eisen van de Overleveringswet (OLW) is voldaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen weigeringsgronden zijn die zich verzetten tegen de overlevering. De opgeëiste persoon heeft niet aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, wat een vereiste is voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen bewijs is van een duurzame gezamenlijke huishouding met zijn vriendin of vriend, waardoor de overlevering is toegestaan.

De uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer als voorzitter, samen met mrs. E. de Rooij en L. Baroud, en is openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open, conform artikel 29, tweede lid, OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-143066-22
Datum uitspraak: 22 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2022 door
the Regional Court in Poznań,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 januari 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment of 26 March 2019 of the Poznań District Court - Grunwald and Jeżyce in Poznań -zaaknummer III K 1369/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van onderdeel D van het EAB stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 31 januari 2019 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en heeft daarom verzocht de overlevering te weigeren, onder gelijktijdige strafovername door Nederland. De opgeëiste persoon heeft namelijk onafgebroken op hetzelfde adres gewoond sinds 2020 en is in de jaren dat hij niet heeft gewerkt, onderhouden door zijn vriendin [vriendin] (hierna: [vriendin]) en zijn vriend [vriend] (hierna: [vriend]).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Een duurzaam gezamenlijk huishouden kan niet worden aangenomen, nu uit niets is gebleken dat [vriend] of [vriendin] de opgeëiste persoon van bestaansmiddelen hebben voorzien, of dat [vriendin] op hetzelfde adres heeft verbleven.
Het oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000);
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vw 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 3 december 2020 onafgebroken ingeschreven staat in Nederland. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in de jaren 2020 -2024 geen legaal inkomen heeft gegenereerd en dat [vriendin] en [vriend] hem van voldoende bestaansmiddelen hebben voorzien. Ter onderbouwing hiervan zijn de inkomensgegevens van [vriendin] vanaf 2020 en van [vriend] vanaf 2021 overgelegd.
De rechtbank overweegt dat er geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt van een gemeenschappelijke duurzame huishouding tussen de opgeëiste persoon en [vriendin]. Uit niets blijkt dat zij vanaf 2020 op hetzelfde adres hebben verbleven en dat [vriendin] de opgeëiste persoon vanaf 2020 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Van [vriend] is uit de stukken weliswaar wel gebleken dat hij en de opgeëiste persoon op hetzelfde adres hebben gewoond, maar van hem blijkt evenmin uit de overgelegde stukken dat hij de opgeëiste persoon vanaf 2020 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is daardoor niet komen vast te staan dat sprake is (geweest) van een deugdelijk bewezen duurzame gezamenlijke huishouding of relatie tussen de opgeëiste persoon en [vriendin] enerzijds en de opgeëiste persoon en [vriend] anderzijds.
Nu niet aan het eerste vereiste is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.