Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4276

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13-013799-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetECLI:EU:C:2021:876
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek aanvullende toestemming overlevering wegens niet geëerbiedigd hoorrecht

De rechtbank Amsterdam heeft op 16 april 2026 een verzoek van de Poolse autoriteiten beoordeeld om aanvullende toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. Dit verzoek betrof een overgeleverde persoon die momenteel in Polen gedetineerd is.

De rechtbank stelde vast dat het hoorrecht, zoals vereist door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021, niet was geëerbiedigd. Hoewel de overgeleverde persoon tijdens eerdere hoorzittingen had verklaard het specialiteitsbeginsel niet te willen opgeven, was haar niet daadwerkelijk de mogelijkheid geboden om alle opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming.

De rechtbank concludeerde dat de enkele verklaring van de overgeleverde persoon onvoldoende was en dat er geen bewijs was dat zij opnieuw was gehoord naar aanleiding van de vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum. Daarom werd het verzoek tot aanvullende toestemming afgewezen.

De beslissing werd genomen door de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, onder voorzitterschap van mr. M.C.M. Hamer, met mr. E.M. de Bie en mr. C.M.S. Loven als rechters.

Uitkomst: Het verzoek tot aanvullende toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf wordt afgewezen wegens niet geëerbiedigd hoorrecht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-013799-26
Datum beslissing: 16 april 2026
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 21 januari 2026, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door
the Regional Court in Kielce, 3rd Criminal Division(Polen) op 19 mei 2023 en betreft:
[de overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Polen),
thans gedetineerd in Polen,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

De rechtbank zal het verzoek tot aanvullende toestemming om de hiernavolgende reden afwijzen.
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn of haar eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken (het zogenoemde hoorrecht), zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1]
Naar aanleiding van het verzoek tot aanvullende toestemming heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 11 augustus 2023 aan de Poolse autoriteiten onder meer de volgende vraag gesteld:

On behalf of the court is requested to practically give the surrendered person the opportunity to make known all possible comments and objections with respect to the request for additional consent (cf. ECJ EU 26 October 2021, C-428/21 PPL) and C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, para. 63), and to forward the written record thereof to the court. In other words, the court requests to hear the surrendered person (or have her heard) about the request for consent and, in that context, to ask her whether she has any objections to the Netherlands granting this request and, if so, what objections. The mere communication that the surrendered person does not wishes to waive the protection of the specialty principle is not sufficient.
In reactie hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 23 augustus 2023 aanvullende informatie verstrekt waarin wordt verwezen naar hoorzittingen van 25 april 2023 en 16 mei 2023.
In het proces-verbaal van het verhoor van de overgeleverde persoon door
the Regional Court in Kielce, 3rd Criminal Divisionop 25 april 2023 staat, voor zover relevant, het volgende:

The convict [de overgeleverde persoon] states that she has understood the advice and does not waive the specialty rule and does not want for an alternative penalty of imprisonment in place of an unpaid fine in a case ref. III Ko 327/19 to be enforced.
In het proces-verbaal van het verhoor van de overgeleverde persoon door
the Regional Court in Kielce, 3rd Criminal Divisionop 16 mei 2023 staat, voor zover relevant, het volgende:

The convict [de overgeleverde persoon] states that she has understood the advice and does not waive the specialty rule.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de overgeleverde persoon niet de mogelijkheid heeft gehad om al haar eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken. Dat de overgeleverde persoon te kennen heeft gegeven geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel is daarvoor onvoldoende. Bovendien is het de rechtbank niet gebleken dat de overgeleverde persoon nogmaals is verhoord naar aanleiding van de vragen die destijds door het IRC zijn gesteld. Het hoorrecht is daarom niet geëerbiedigd, zodat de rechtbank het verzoek zal afwijzen.

2.Beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen op 16 april 2026 door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.