Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4243

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/13/784193 / FA RK 26-1762
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WthArt. 6, tweede lid WthArt. 8:81 AwbArt. 8:86, eerste lid AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlenging huisverbod wegens ontbreken ernstig en onmiddellijk gevaar

De verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de verlenging van een huisverbod door de burgemeester van Amstelveen, dat was opgelegd wegens een vermeend ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van zijn partner en minderjarige kinderen.

De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bij het verlengingsbesluit niet kon aannemen dat het gevaar zich voortzette, mede omdat de verzoeker zich houdt aan strafrechtelijke voorwaarden zoals een contactverbod en agressiebehandeling. De burgemeester was niet op de hoogte van deze strafrechtelijke maatregelen, wat niet voor rekening van de verzoeker komt.

Verder is de verlenging van het huisverbod disproportioneel en onevenredig, omdat de verzoeker op eigen initiatief elders verblijft en het contact met zijn kinderen onder professionele begeleiding mogelijk zou moeten zijn. De rechtbank vernietigt het verlengingsbesluit en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, terwijl de burgemeester wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Het verlengingsbesluit van het huisverbod wordt vernietigd wegens ontbreken van ernstig en onmiddellijk gevaar en disproportionaliteit.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
Voorzieningenrechter
Zaaknummer:
C/13/784193 FA RK 26/1762 beroep tegen verlenging huisverbod
C/13/784197 / KG ZA 26-146 voorlopige voorziening
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens van de uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, Awb en het beroep
in het geding tussen
[de verzoeker]
,
wonende te [plaats 1] , feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen: de verzoeker,
gemachtigde mr. Z. Nahar te Amsterdam,
en
de burgemeester van Amstelveen,
hierna te noemen: de verweerder.
gemachtigde mr. M. Roodhorst,
in welke zaak als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw.

1.De procedure

1.1.
Bij besluit van 18 februari 2026 (hierna het bestreden verlengingsbesluit) heeft verweerder het aan verzoeker opgelegde huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen, te weten tot 9 maart 2026 te 21:54 uur.
1.2.
Tegen het bestreden verlengingsbesluit heeft verzoeker op 3 maart 2026 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De inhoud van het verzoek en beroep luidt als volgt.
- De verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter primair het verlengingsbesluit te schorsen, althans de werking daarvan op te schorten totdat op het beroep is beslist. Subsidiair verzoekt de verzoeker een voorlopige voorziening te treffen die verzoeker in staat stelt onder professionele begeleiding contact te onderhouden met zijn minderjarige kinderen
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
In alle gevallen verzoekt de verzoeker uitspraak te doen binnen de wettelijke termijn van drie werkdagen na indiening van dit verzoek.
- De verzoeker verzoekt de rechtbank primair het bestreden verlengingsbesluit te vernietigen. Subsidiair verzoekt de verzoeker het bestreden verlengingsbesluit te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de Burgemeester van Amstelveen teneinde een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.
In alle gevallen verzoekt de verzoeker de burgemeester van Amstelveen te veroordelen in de proceskosten.
1.3.
Het onderzoek tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Aanwezig waren:
- verzoeker en zijn gemachtigde;
- de gemachtigde vertegenwoordiger van de burgemeester te Amstelveen, mr. M. Roodhorst.
1.4.
Door de gemachtigde van verzoeker zijn het beroep en het verzoek nader mondeling toegelicht. Door verweerder is op de zitting mondeling verweer gevoerd.
1.5.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.

2.De beoordeling

2.1.
De verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd en beroep ingediend tegen het bestreden verlengingsbesluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan een beoordeling van de zaak, zodat met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, onmiddellijk zal worden beslist op het beroep.
Wettelijk kader
2.2.
Op grond van artikel 2 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 Wth Pro. Op grond van artikel 6, tweede lid, Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
2.3.
Op grond van artikel 9 van Pro de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
2.4.
De voorzieningenrechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Als blijkt van dat (ernstig vermoeden van) gevaar, dan was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
Standpunt verzoeker
2.5.
De verzoeker voert, kort en zakelijk weergegeven, in de eerste plaats aan dat het verlengingsbesluit ontoereikend is gemotiveerd, hetgeen een schending van artikel 3:46 Awb Pro oplevert. Het bestreden besluit bevat geen concrete feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat het gevaar, dan wel ernstige vermoeden daarvan, zich na 9 februari 2026 heeft voortgezet. De enkele verwijzing van de burgemeester in de motivering dat er onvoldoende objectieve aanwijzingen zijn dat het risico op escalatie verminderd is, levert een omkering van de bewijslast op. De verzoeker betoogt dat ten tijde van het verlengingsbesluit geen sprake meer was van voortzetting van de dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. Op 10 februari 2026 is de verzoeker in zijn strafzaak door de rechter-commissaris geschorst onder meer onder de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met zijn partner en minderjarige dochters, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en ambulante behandeling gericht op agressiebeheersing bij De Waag of een soortgelijke zorgverlener. De verzoeker houdt zich aan deze voorwaarden en er hebben zich sinds het eerste huisverbod geen incidenten meer voorgedaan. De agressiebehandeling bij De Waag is inmiddels gestart. Dit leidt tot de conclusie dat er geen voortduring van ernstig en onmiddellijk gevaar in de zin van artikel 9 Wth Pro was ten tijde van de verlenging. Het verlengingsbesluit mist derhalve een deugdelijke grondslag.
Als derde stelt de verzoeker dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 Awb Pro. De verlenging van het huisverbod is disproportioneel en niet subsidiair. De cumulatie van een bestuursrechtelijk huisverbod met een strafrechtelijk contactverbod is onevenredig. De verzoeker verblijft op eigen initiatief sinds het huisverbod bij zijn moeder in [plaats 2] . Het huisverbod mist daarmee feitelijk effect als beschermingsmaatregel, terwijl het de verzoeker wel de mogelijkheid ontneemt om na goedkeuring van de reclassering, eventueel onder begeleiding en op termijn, het contact met zijn driejarige dochters [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te hervatten. Het ontneemt ook de reclassering de mogelijkheid tot beoordeling van de mogelijkheid tot contact. Ten aanzien van de proportionaliteit geldt dat de verzoeker door het huisverbod structureel wordt gescheiden van zijn minderjarige kinderen. De nadelige gevolgen van het bestreden besluit staan niet in redelijke verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, nu het gevaar reeds voldoende wordt ondervangen door het strafrechtelijk contactverbod en de lopende behandeling.
Als laatste stelt de verzoeker dat het verlengingsbesluit een inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven van hem en zijn minderjarige kinderen vormt als bedoeld in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Onder de genoemde omstandigheden is structurele verhindering van ieder contact tussen de verzoeker en zijn minderjarige kinderen niet noodzakelijk in een democratische samenleving en vormt het een onevenredige inmenging in het recht op gezinsleven. De kinderen bevinden zich met hun jonge leeftijd in een essentiële fase van hun ontwikkeling. Een langdurige verhindering van het contact met hun vader kan schadelijk zijn voor hun ontwikkeling en welzijn. Bovendien kan de mogelijkheid tot goed herstel van het contact worden verslechterd bij het langdurig uitblijven van contact. Het verlengingsbesluit houdt met dit belang onvoldoende rekening.
Standpunt verweerder
2.6.
De verweerder heeft tijdens de zitting, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het verlengingsbesluit op de juiste gronden is genomen. De noodzaak daartoe wordt door de verweerder nog steeds gezien. Het huisverbod gaat om een bestuursrechtelijke maatregel en dat staat los van strafrechtelijke beslissingen. De verweerder was ten tijde van het nemen van het besluit tot verlenging niet op de hoogte van de schorsingsbeslissing van de rechter-commissaris in de strafzaak van de verzoeker. In de huidige procedure heeft de verweerder kennis kunnen nemen van de schorsingsbeslissing en hij heeft hierin geen aanleiding gezien het standpunt te wijzigen. Bij de beoordeling over onmiddellijk en dreigend gevaar staat de veiligheid van de minderjarige kinderen voorop. Volgens de verweerder is het huisverbod in dit geval nodig om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. In het kader van het huisverbod blijft het Sociaal Team drie maanden betrokken. Het Sociaal Team wil naast de reclassering hulp bieden aan het gezin. Weliswaar heeft de verzoeker samen met de vrouw en het Sociaal Team een plan van aanpak opgesteld, maar uit bericht van het Sociaal Team volgt dat dit plan enigszins eenzijdig tot stand is gekomen omdat zij de indruk hebben de verzoeker teveel zijn stempel op het gesprek heeft gedrukt. Daarbij komt dat de behandeling van de verzoeker bij De Waag nog niet is gestart nu er slechts een intakegesprek heft plaatsgevonden.
Toetsing verlenging van het huisverbod van 18 februari 2026
2.7.
In deze procedure ligt de vraag voor of de verweerder in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen verlengen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het beroep en het verzoek tot een voorlopige voorziening ziet op het verlengingsbesluit en dat de verzoeker tegen de oorspronkelijke oplegging van het huisverbod geen rechtsmiddel heeft ingesteld. Dit heeft de verzoeker ter zitting bevestigd. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de verweerder bij de oorspronkelijke oplegging terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2 Wth Pro. Dat betekent in dit geval dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de verweerder het besluit van 9 februari 2026 in redelijkheid heeft kunnen nemen.
2.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester op 18 februari 2026 niet bevoegd in dit geval te beslissen tot verlenging van het huisverbod, omdat er ten tijde van het nemen verlengingsbesluit op basis van de feiten en omstandigheden niet langer sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van één of meer personen in de woning, dan wel dat daartoe een ernstig vermoeden bestond. De voorzieningenrechter komt tot haar oordeel op basis van het volgende.
2.9.
Op 10 februari 2026 is de verzoeker voorgeleid aan de rechter-commissaris naar aanleiding van het incident op 9 februari 2026 met de vrouw en zijn minderjarige dochters. De rechter-commissaris heeft de verzoeker in bewaring gesteld, maar de inbewaringstelling onmiddellijk geschorst. Aan de schorsing zijn onder meer de voorwaarden verbonden dat de verzoeker zich moet melden bij de reclassering, behandeling gericht op agressie moet volgen bij De Waag en zich moet houden aan een contactverbod met de vrouw en zijn minderjarige dochters [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ten aanzien van het contactverbod is bepaald dat het verbod geldt zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Gebleken is dat de verzoeker zich aan het contactverbod heeft gehouden en dat het toezicht vanuit de reclassering is opgestart. De voorzieningenrechter concludeert dat de voorwaarden in het strafrechtelijk kader mede zien op de veiligheid van de vrouw en hun minderjarige kinderen en dat daarmee de dreiging op het gevaar wordt afgewend. Dat de burgemeester niet op de hoogte was van de strafrechtelijke beslissing kan niet voor rekening komen van de verzoeker. Het is aan de burgemeester om feiten en omstandigheden te verzamelen om de dreiging van gevaar te kunnen beoordelen en daarbij op de hoogte te zijn van ontwikkelingen zoals in het strafrechtelijk kader.
2.10.
Daarbij komt dat de voorzieningenrechter uit de stukken afleidt dat de verzoeker zich heeft ingezet voor de hulpverlening en dat zij erop vertrouwt dat de verzoeker zich daarvoor blijft inzetten. Er is in gesprek met de verzoeker, de vrouw en het Sociaal Team een plan van aanpak opgesteld. Een indruk dat het plan eenzijdig is opgesteld is onvoldoende voor de stelling dat de verzoeker niet meewerkt aan de hulp of deze niet is gestart. Daarnaast is de hulp bij De Waag en het contact met de reclassering opgestart en zal dit doorgang hebben in het kader van de bijzondere voorwaarden. Gelet op deze omstandigheden was, zoals door de gemachtigde is aangevoerd, de verlenging van het huisverbod naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet noodzakelijk om de hulpverlening van het Sociaal Team in het belang van de veiligheid van de kinderen te kunnen waarborgen.
2.11.
Bovendien is de verlenging van het huisverbod in het onderhavige geval disproportioneel ten opzichte van het nagestreefde doel. Een huisverbod was in dit geval nodig om rust te creëren in de thuissituatie, waarop de verzoeker direct op eigen initiatief verblijf bij zijn moeder heeft gezocht. Er moesten eerst goede afspraken met de vrouw over de kinderen gemaakt worden. Een verlenging van het huisverbod is ingrijpend en daarmee een grote inbreuk op het in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geregelde recht op respect voor ieders privé leven, familie- en gezinsleven, en woning. Met deze maatregel moet daarom terughoudend worden omgegaan. Om van het uitgangspunt van een huisverbod voor de duur van tien dagen af te wijken moet daarom sprake zijn van bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter meent dat in dit geval onvoldoende is gemotiveerd dat daarvan sprake is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter tevens in aanmerking genomen dat de verzoeker heeft toegezegd dat hij zolang als nodig bij zijn moeder kan verblijven. Een verlenging van het huisverbod inclusief het contactverbod met de achterblijvers maakt het voor de reclassering in die periode ook onmogelijk om te bepalen dat het contactverbod tussen de verzoeker en de achterblijvers niet langer noodzakelijk is, zoals door de rechter-commissaris in de schorsingsvoorwaarden bepaald. Het is van belang dat de reclassering de ruimte heeft om te beoordelen of en op welke manier het contact tussen de verzoeker en zijn minderjarige kinderen kan worden hervat. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook acht geslagen op het bericht van de vrouw dat zij het belangrijk vindt dat de verzoeker de kinderen weer ziet.
Conclusie
2.12.
Het beroep tegen het bestreden besluit zal gegrond worden verklaard en de beslissing tot verlenging van het huisverbod van 18 februari 2026 zal worden vernietigd.
2.13.
Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dat in dit geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
2.14.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten, op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.814,- voor de bijstand door een gemachtigde (1 punt voor het indienen van het gecombineerde verzoekschrift en beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid op de zitting met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1). Voor huisverboden hoeft geen griffierecht te worden betaald, dit hoeft de burgemeester dus niet te vergoeden.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 februari 2026;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb af;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Nijssen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier, op 6 maart 2026.
De griffier: De rechter:
Afschrift verzonden op.: [1]

Voetnoten

1.Een belanghebbende – onder wie in elk geval de verzoekende partij wordt begrepen – en de verwerende partij kunnen tegen deze uitspraak – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak – hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.