Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4202

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/13/771935 / FA RK 25-5019
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding zorgregeling en verzoek om advies Raad voor de Kinderbescherming in omgangszaak

In deze zaak tussen de vader en moeder over de zorg- en omgangsregeling voor hun minderjarige kind heeft de rechtbank op 10 oktober 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De omgang van de vader met het kind vond plaats op zaterdagen, maar de moeder heeft deze zorgregeling op 21 februari 2026 stopgezet vanwege zorgen over het welzijn van het kind, waaronder vermoedens van seksueel misbruik en niet-naleving van dieetvoorschriften.

De vader ontkent de beschuldigingen en stelt dat het kind graag bij hem is en dat de moeder hem uit het leven van het kind wil weren. Vanwege de tegenstrijdige verklaringen acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te nemen. Daarom wordt het verzoek tot vaststelling van een definitieve zorgregeling aangehouden.

De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming om advies over de mogelijkheden en belemmeringen voor een zorgregeling, de aard en termijn van het opheffen van belemmeringen, en de vorm en frequentie van de regeling in het belang van het kind. Tevens wordt een vervolgzitting gepland op 12 juni 2026 om de zaak verder te bespreken met betrokken partijen en de Raad.

Uitkomst: De behandeling van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling wordt aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht advies uit te brengen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/771935 / FA RK 25-5019 (AL/RM)
Beschikking van 24 april 2026 betreffende de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. M.N.G.N.H. Brech te Den Haag ,
tegen
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. S. Toughza te Amsterdam
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • de beschikking van 10 oktober 2025
  • het F9-formulier van 5 januari 2026 met bijlage van de vader;
  • het F9-formulier van 9 januari 2026 met bijlage van de moeder;
  • het F9-formulier van 13 januari 2026 met bijlage van de vader;
  • het F9-formulier van 7 april 2026 met bijlagen van de vader, onder andere inhoudend een vermeerdering van zijn verzoek;
  • het F9-formulier van 7 april 2026 met bijlage van de vader;
  • het F9-formulier van 8 april 2026 met bijlagen van de moeder;
  • het F9-formulier van 9 april 2026 met bijlage van de moeder.
1.2.
Bij beschikking van 10 oktober 2025 heeft deze rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [de minderjarige] en is de volgende voorlopige zorgregeling bepaald:
de vader heeft omgang met [de minderjarige] :
-
met ingang van 18 oktober 2025:
om de week op zaterdag van 11:00 tot 14:00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] om 11:00 uur naar de voor partijen bekende [afspreekplek] brengt (en de vader en [de minderjarige] daarna alleen laat), en de vader haar om 14:00 uur weer terugbrengt bij de voor partijen bekende [afspreekplek] waar de moeder [de minderjarige] om 14:00 uur ophaalt;
-
met ingang van 29 november 2025:
om de week op zaterdag van 11:00 tot 15:00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] om 11:00 uur naar de voor partijen bekende [afspreekplek] brengt (en de vader en [de minderjarige] daarna alleen laat), en de vader haar om 15:00 uur weer terugbrengt bij de voor partijen bekende [afspreekplek] waar de moeder [de minderjarige] om 15:00 uur ophaalt;
-
met ingang van 10 januari 2026:
om de week op zaterdag van 11:00 tot 17:00 uur, waarbij de moeder [de minderjarige] om 11:00 uur naar de voor partijen bekende [afspreekplek] brengt (en de vader en [de minderjarige] daarna alleen laat), en de vader haar om 17:00 uur weer terugbrengt bij de voor partijen bekende [afspreekplek] waar de moeder [de minderjarige] om 17:00 uur ophaalt.
De behandeling van het verzoek over het vaststellen van een definitieve zorgregeling (inclusief vakantieregeling) is pro forma aangehouden.
1.3.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026.
Verschenen zijn:
  • de vader en zijn advocaat;
  • de moeder en haar advocaat.
1.4.
De Raad is kort voor de mondelinge behandeling opgeroepen en kon vanwege onderbezetting niet aanwezig zijn.

2.De vermeerdering van het verzoek

2.1.
De vader heeft zijn verzoek gewijzigd. De vader verzoekt nu een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat:
  • [de minderjarige] ieder weekend van vrijdag 13:30 uur (en zodra ze naar school gaat: uit school) tot zondag 15:00 uur bij de vader zal verblijven, waarbij de vader zorgt voor het halen en brengen;
  • naar deze regeling wordt toegewerkt met een opbouwregeling waarbij de vader vanaf het eerstvolgende weekend na de in dezen te geven beschikking [de minderjarige] eerst drie maanden om de week van vrijdag 13:30 uur tot zaterdag 15:00 uur bij zich zal hebben;
  • [de minderjarige] gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader zal verblijven, waarbij de data in overleg door de ouders met elkaar worden afgesproken en als de vader en de moeder over de verdeling een vakantie niet tot overeenstemming komen, [de minderjarige] de eerste helft van de betreffende schoolvakantie bij de vader zal doorbrengen vanaf de laatste schooldag voor de vakantie om 13:30 uur tot halverwege de vakantie, waarbij de vader zorgt voor het halen en brengen.
2.2.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair de door de vader verzochte zorgregeling af te wijzen;
  • subsidiair het verzoek van de vader aan te houden in afwachting van een door de rechtbank te gelasten onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De beschikking van 10 oktober 2025 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Thans ligt nog voor de verdeling van zorg- en opvoedtaken.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vader vanaf 10 januari 2026 elke zaterdag van 11:00 uur tot 17:00 uur omgang heeft met [de minderjarige] op de [afspreekplek] . Op 21 februari 2026 heeft de moeder de zorgregeling stopgezet. Sindsdien staan ouders lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om het contact van de vader met [de minderjarige] . De moeder maakt zich grote zorgen om [de minderjarige] . Volgens de moeder verliepen de overdrachten niet goed, hield de vader zich niet aan de dieetvoorschriften van [de minderjarige] en vertoonde [de minderjarige] signalen die duiden op seksueel misbruik. Daarnaast voert de moeder aan dat het gedrag van de vader jegens haar valt onder intieme terreur. De vader geeft daarentegen aan dat er geen sprake is van misbruik en dat dit ook niet bevestigd wordt door de huisarts die de moeder heeft ingeschakeld. Ook het OKT heeft geen aanwijzingen dat hiervan sprake is en zij maken zich zorgen om het gedrag van de moeder. Naar de mening van de vader was [de minderjarige] graag bij hem en waren zij een goede band aan het opbouwen. De vader heeft de indruk dat de moeder hem uit het leven van [de minderjarige] wil hebben, zoals zij ook bij de vader van haar oudere zoon (uit een eerdere relatie) heeft gedaan. De vader wil graag dat de omgang weer wordt voortgezet, zodat de band die hij met [de minderjarige] heeft opgebouwd niet verloren gaat.
3.3.
De rechtbank acht zich, vanwege de uiteenlopende verhalen van partijen, onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over de definitieve zorgregeling en houdt het verzoek tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling aan.
De rechtbank wenst, alvorens te kunnen beslissen op het verzoek, advies van de Raad. Daarbij benadrukt de rechtbank dat in afwachting van het raadsonderzoek de voorlopige zorgregeling, die is vastgesteld bij beschikking van 10 oktober 2025, nog steeds van kracht is.
3.4.
Teneinde de rechtbank te adviseren dienen de volgende vragen in het onderzoek te worden betrokken:
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?
  • Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [de minderjarige] en welke vanuit de ouders? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?
  • Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van [de minderjarige] vorm te worden gegeven?
  • Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?
3.5.
Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Uit de stukken en hetgeen besproken ter zitting blijkt dat het OKT betrokken is en dat zij het dossier zouden willen overdragen aan de Raad. Het OKT zou aansturen op een beschermingsonderzoek door de Raad. De rechtbank kan zich hier iets bij voorstellen. Indien het verhaal van de moeder klopt, levert dat zonder meer een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] op. Indien het verhaal van de vader juist is, betekent het handelen van de moeder en het uitblijven van omgang met de vader evenzeer een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . Er moet naar het oordeel van de rechtbank zo spoedig mogelijk feitenonderzoek plaatsvinden om te kunnen beoordelen wat hier daadwerkelijk aan de hand is. Hier moet regie over gevoerd gaan worden. Daarbij is de inzet van hulpverlening noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] tegen te gaan. Mogelijk is hulpverlening in vrijwillig kader echter niet afdoende, niet in de laatste plaats omdat de moeder heeft aangegeven niet meer in gesprek te willen in aanwezigheid van de vader.
3.6.
De rechtbank acht het van belang om de zaak op korte termijn verder te bespreken in aanwezigheid van de Raad zodat de Raad zich kan uitlaten over de mogelijkheden voor hulp in vrijwillig kader en om zo nodig de optie van een (voorlopige) jeugdbeschermingsmaatregel te bespreken. De rechtbank bepaalt daarom dat de volgende mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 12 juni 2026 om 09:00 uur. Deze datum is na de zitting met de advocaten van partijen afgestemd.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam advies uit te brengen omtrent de hiervoor in rechtsoverweging 3.4. geformuleerde vragen;
4.2.
bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;
4.3.
houdt de behandeling van het verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling aan en bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet op 12 juni 2026 om 09:00 uur, tegen welke zitting de vader en zijn advocaat, de moeder en haar advocaat en de Raad dienen te worden opgeroepen;
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr R. Muller, griffier, op 24 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).