Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4193

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
11894445 \ CV FORM 25-13051
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 3 Verordening (EU) 2021/782Art. 7 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 26 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 5 lid 2 Verordening (EG) 593/2008Art. 6:119 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten alternatief vervoer bij staking NMBS op grond van EU-verordening

De rechtbank Amsterdam behandelde een civiele zaak waarin verzoekers vergoeding vorderden van kosten voor alternatief vervoer na een staking bij NMBS op 27 februari 2025. De treinreis werd geannuleerd en verzoekers kregen toestemming van NMBS om zelf vervoer te regelen, waarvoor zij een taxirit van €120 maakten. NMBS vergoedde alleen de treintickets en weigerde de taxikosten.

De rechtbank oordeelde dat NMBS onvoldoende had betwist dat zij toestemming had gegeven voor het zelf regelen van vervoer op kosten van NMBS. NMBS had nagelaten het telefoongesprek te bewaren of een verklaring te overleggen, terwijl dit redelijk was geweest. Het argument dat een taxi niet onder openbaar vervoer valt, werd verworpen.

Op grond van artikel 18 lid 3 van Pro Verordening (EU) 2021/782 werd NMBS veroordeeld tot betaling van de resterende proceskosten van €77,80 aan verzoekers, vermeerderd met wettelijke rente. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de vordering tegen NS Groep N.V. was ingetrokken.

Uitkomst: NMBS wordt veroordeeld tot betaling van €77,80 aan verzoekers voor resterende proceskosten wegens niet-vergoeden taxikosten na staking.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11894445 \ CV FORM 25-13051
beschikking van 9 april 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

2.
[verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers] ,
procederend in persoon,
tegen
NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN N.V.,
gevestigd te Brussel (België),
verwerende partij,
hierna te noemen: NMBS,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 11 december 2025,
- de reactie van [verzoekers] , ontvangen op 19 december 2025,
- de reactie van NMBS, ontvangen per e-mail op 10 februari 2026 en per post op 18 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoekers] vorderen – na vermindering van eis – veroordeling van NMBS tot betaling van € 77,80 aan resterende proceskosten.
2.2.
[verzoekers] leggen aan de vordering ten grondslag dat hun treinreis op 27 februari 2025 van [treinreis] vanwege een staking in België is vervallen. De tickets voor de treinreis zijn door [verzoekers] gekocht via de website van NMBS. In een telefoongesprek met NMBS is [verzoekers] uitdrukkelijk toestemming verleend om op kosten van NMBS zelf vervoer naar [plaats 1] te regelen, omdat NMBS geen andere opties kon doorgeven. [verzoekers] zijn toen met een taxi voor een bedrag van € 120,00 naar [plaats 1] gereisd, de goedkoopste optie. Op grond van artikel 18 lid 3 van Pro Verordening (EU) 2021/782 van 29 april 2021 betreffende de rechten en verplichtingen van treinreizigers (hierna: Verordening 2021/782) ) maken [verzoekers] aanspraak op een vergoeding van de kosten van de taxireis. NMBS weigert deze kosten te vergoeden en heeft alleen de kosten van de treintickets ten bedrage van € 12,20 vergoed. NS heeft inmiddels naar aanleiding van de vordering van [verzoekers] een bedrag van € 120,00 betaald “voor de gemaakte extra kosten van € 120,00 voor een taxi”. Er resteert daarom alleen nog een vordering van (€ 90 - € 12,20 =) € 77,80 aan griffierecht, aldus [verzoekers] .
2.3.
NMBS voert verweer tegen de vordering van [verzoekers] en verzoekt deze af te wijzen. Volgens NMBS heeft NS de vergoeding vermoedelijk toegekend als commercieel gebaar, maar NMBS staat daar volledig buiten.

3.De beoordeling

3.1.
[verzoekers] hebben aanvankelijk ook veroordeling NS Groep N.V. gevorderd, maar die vordering hebben zij na de tussenbeschikking ingetrokken in hun reactie van 19 december 2025. De kantonrechter zal daarom op die vordering niet meer beslissen.
3.2.
De bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Verordening Brussel I bis).
3.3.
De Nederlandse rechter kan bevoegd zijn als de overeenkomst – kort gezegd – in Nederland is uitgevoerd. Dat volgt uit artikel 7 lid 1 Verordening Pro Brussel I bis. Dat is hier het geval, want de plaats van vertrek is in Nederland gelegen. De kantonrechter van de rechtbank Amsterdam is bevoegd, omdat NMBS voor deze rechtbank is verschenen (artikel 26 lid 1 Verordening Pro Brussel I bis).
3.4.
Gesteld noch gebleken is dat door partijen een keuze is gemaakt ten aanzien van het toepasselijke recht. Op grond van artikel 5 lid 2 van Pro Verordening (EG) 593/2008
inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verordening Rome I) wordt de overeenkomst in dat geval beheerst door het recht van het land waar de passagier zijn of haar gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van vertrek of de plaats van bestemming in dat land is gelegen. [verzoekers] hebben hun woonplaats in Nederland en de plaats van vertrek is in Nederland gelegen. Daarom is Nederlands recht van toepassing.
3.5.
[verzoekers] hebben hun vordering uitsluitend gebaseerd op artikel 18 lid 3 van Pro Verordening 2021/782 en niet gesteld of gebleken is dat een (gunstigere) Nederlandse wettelijke regeling tussen partijen van toepassing is. Daarom wordt de vordering beoordeeld aan de hand van Verordening 2021/782.
3.6.
Artikel 18 lid 1 van Pro Verordening 2021/782 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien bij vertrek of annulering redelijkerwijs kan worden verwacht dat de vertraging bij aankomst op de eindbestemming uit hoofde van de vervoerovereenkomst 60 minuten of meer zal bedragen, de spoorwegonderneming die de vertraagde of geannuleerde dienst exploiteert de reiziger onmiddellijk de keuze tussen een van de volgende opties biedt, en dat zij de nodige regelingen treft, namelijk - kort gezegd - terugbetaling dan wel voortzetting.
3.7.
Onverminderd het eerste lid kan de spoorwegonderneming op grond van artikel 18 lid 3 van Pro Verordening 2021/782 de reiziger op zijn verzoek toestaan overeenkomsten te sluiten met andere aanbieders van vervoerdiensten die hem in staat stellen onder vergelijkbare omstandigheden de eindbestemming te bereiken, in welk geval de spoorwegonderneming de door de reiziger gemaakte kosten terugbetaalt. Vervolgens is bepaald dat indien de beschikbare mogelijkheden voor vervoer langs een andere route niet binnen 100 minuten na de geplande vertrektijd van de vertraagde of geannuleerde dienst of gemiste aansluiting aan de reiziger worden meegedeeld, de reiziger het recht heeft een dergelijke overeenkomst te sluiten met andere aanbieders van openbaar vervoerdiensten per spoor, touringcar of autobus. De spoorwegonderneming betaalt de door de reiziger gemaakte noodzakelijke, passende en redelijke kosten terug. Dit lid doet geen afbreuk aan nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die reizigers gunstigere voorwaarden voor vervoer langs een andere route bieden.
3.8.
Niet in geschil is dat NMBS (gedeeltelijk) de exploitant van de treinreis was. Evenmin is in geschil dat kon worden verwacht dat de vertraging bij aankomst op de eindbestemming uit hoofde van de vervoerovereenkomst 60 minuten of meer zou bedragen. Het eerste deel van de treinreis tussen [plaats 2] en [plaats 1] werd immers niet uitgevoerd vanwege een staking bij NMBS.
3.9.
[verzoekers] stellen met een beroep op artikel 18 lid Pro 3, eerste zin, van Verordening 2021/782 dat hen in een telefoongesprek met NMBS uitdrukkelijk toestemming is verleend om zelf vervoer naar [plaats 1] te regelen. [verzoekers] hebben concreet onderbouwd dat die toestemming is verleend. Zij hebben toegelicht dat zij de medewerker van NMBS uitdrukkelijk hebben gevraagd om zelf vervoer te regelen op kosten van NMBS, die daarvoor toestemming gaf. Zij hebben de medewerker in dat gesprek ook nog gevraagd om een schriftelijk bewijs via e-mail dat zij zelf vervoer mochten regelen. Dat heeft de medewerker afgewezen omdat die de aanvraag mondeling al had bevestigd. Volgens [verzoekers] heeft het gesprek 29 minuten geduurd en heeft de medewerker zelfs verteld via welke website zij de claim konden indienen. Dat hebben zij vervolgens gedaan in de avond dat de toezegging was gedaan. [verzoekers] hebben aan NMBS de opname van het telefoongesprek opgevraagd, maar die kon NMBS niet meer achterhalen omdat die een maand wordt bewaard.
3.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft NMBS onvoldoende gemotiveerd betwist dat aan [verzoekers] is toegezegd dat zij op kosten van NMBS zelf vervoer konden regelen. Niet is weersproken dat het gesprek tussen [verzoekers] en een medewerker is opgenomen. [verzoekers] kunnen dit gesprek niet als bewijs overleggen omdat de opname niet langer dan een maand is bewaard door NMBS. Gelet op het feit dat in de betreffende maand van dit gesprek al een discussie was ontstaan over de kosten van de taxi, lag het op de weg van NMBS om het gesprek langer te bewaren, dan wel een transcriptie daarvan te maken of een verklaring te overleggen van de betreffende medewerker. NMBS heeft dit nagelaten. Het argument van NMBS dat [verzoekers] over een voucher zouden moeten beschikken is in het licht van de stellingen van [verzoekers] een onvoldoende betwisting. Ook het argument dat een taxi niet valt onder openbaar vervoer met verwijzing naar artikel 18 lid Pro 3, tweede zin, van Verordening 2021/782 is daartoe onvoldoende.
3.11.
Dat betekent dat de kantonrechter het ervoor heeft te houden dat NMBS aan [verzoekers] heeft toegezegd dat zij zelf vervoer mochten regelen op kosten van NMBS. Die kosten waren niet onredelijk hoog, gezien de kosten van het door [verzoekers] concreet gestelde en onvoldoende betwiste alternatief per trein. [verzoekers] heeft NMBS daarom terecht in rechte betrokken, zodat de proceskosten van [verzoekers] voor rekening van NMBS komen. De vordering wordt, zoals die is gevorderd na vermindering van eis, toegewezen.
3.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt NMBS tot betaling van € 77,80 aan [verzoekers] , vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek als dit bedrag niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald,
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
33806