Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4162

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
25 april 2026
Zaaknummer
13-026738-26 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing overlevering op grond van Duits Europees aanhoudingsbevel boven Tsjechisch bevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 april 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Kleve. De opgeëiste persoon, met Duitse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd bijgestaan door een advocaat en een Turkse tolk.

Het EAB betreft strafbare feiten die in Duitsland worden aangemerkt als fraude met een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Tegelijkertijd was er een concurrerend Tsjechisch EAB voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zes jaar, opgelegd in 2019.

De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om voorrang te geven aan het Duitse EAB vanwege de lopende strafvervolging, de Duitse nationaliteit en familiebanden, en het feit dat de persoon nooit in Tsjechië is geweest. De officier van justitie gaf in beginsel ook voorrang aan het Duitse EAB, maar stond open voor het Tsjechische EAB.

De rechtbank oordeelde dat beide EAB’s uit 2019 dateren en vergelijkbare feiten betreffen. Omdat de strafvervolging in Duitsland nog gaande is en de Tsjechische veroordeling bij verstek is uitgesproken, gaf de rechtbank voorrang aan het Duitse EAB en stond de overlevering aan Duitsland toe.

Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering aan Duitsland toe en geeft voorrang aan het Duitse Europees aanhoudingsbevel boven het Tsjechische.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-026738-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 22 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 augustus 2019 door
die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Turkije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer 13-026716-26 (EAB I).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het
Amtsgericht Klevevan 2 oktober 2012 met kenmerk 10 Gs 1941/11.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen

6.1
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat naast het Duitse EAB een Tsjechisch EAB (met parketnummer 13-026716-26, EAB I) ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd door
the Regional Court in Usti Nad Labemten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, opgelegd bij een vonnis uit 2019, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van Tsjechië. De rechtbank heeft vandaag bij afzonderlijke uitspraak de overlevering op grond van het Tsjechische EAB toegestaan. Het is aan de rechtbank om op grond van artikel 28, vierde lid OLW en met inachtneming van artikel 26, derde lid, OLW te beslissen over de vraag aan welke van de concurrerende EAB’s voorrang moet worden gegeven. Daarbij vermeldt de officier van justitie op grond van artikel 26, derde lid, OLW aan welk aanhoudingsbevel de rechtbank naar haar oordeel voorrang moet geven.
6.2
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB. Daarbij is het tijdsverloop van belang, nu Duitsland eerder een (nationaal) aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de uitdrukkelijke wens geuit om eerst aan Duitsland overgeleverd te worden, het land waar hij (met onderbrekingen) sinds 1984 woonachtig is. De opgeëiste persoon bezit uitsluitend de Duitse nationaliteit en heeft familie in Duitsland wonen. In Duitsland gaat het om een strafvervolging waarin de opgeëiste persoon, samen met zijn advocaat, zelf de verdediging wenst te voeren. In Tsjechië is de opgeëiste persoon al veroordeeld in het vonnis van 2019. De opgeëiste persoon wil wel verzet of hoger beroep instellen tegen het Tsjechische vonnis, maar hij wil dat vanuit Duitsland doen. Indien het hoger beroep in Tsjechië niet tot het gewenste resultaat leidt, kan Duitsland de Tsjechische straf overnemen zodat hij in Duitsland die straf kan ondergaan. Andersom bestaat die mogelijkheid niet. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat de opgeëiste persoon nooit in Tsjechië is geweest en geen enkele binding met dat land heeft. Het is ook niet gelukt in Tsjechië een advocaat te vinden die zijn belangen kan behartigen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet in beginsel aan het Duitse EAB voorrang worden gegeven, omdat in Duitsland sprake is van een lopende strafvervolging, die zij niet wenst te doorkruisen. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich er ook in vinden als aan het Tsjechische EAB voorrang wordt gegeven. Voor het Tsjechische EAB geldt dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft om hoger beroep of verzet in te stellen (van welke mogelijkheid hij zegt gebruik te zullen maken), waardoor dat EAB dient te worden aangemerkt als strekkende tot (verdere) vervolging. Ook in het Tsjechische EAB is dus sprake van een lopende strafvervolging. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat doorlevering vanuit Duitsland naar Tsjechië mogelijk lastig kan zijn, omdat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft. Daar staat tegenover dat, indien het vonnis in Tsjechië in hoger beroep wordt bevestigd, de overlevering in Duitsland kan worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van die straf in Duitsland kan plaatsvinden. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat moet worden gegeven aan het Duitse EAB. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Beide EAB’s dateren uit 2019. De ernst van de feiten is in beide EAB’s in grote mate vergelijkbaar. Het gaat in beide EAB’s om belastingontduiking door te handelen in producten in verschillende landen zonder belastingaangifte te doen. Ook de periode waarin de feiten geleegd zouden zijn, is in beide EAB’s vrijwel gelijk, namelijk een periode in 2011. Uit de stukken blijkt dat de strafrechtelijk vervolging in Duitsland nog gaande is en niet gebleken is dat al sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van die strafzaak op zitting. Ten aanzien van het Tsjechische EAB met parketnummer 13-026716-26 concludeert de rechtbank, nu de opgeëiste persoon in Tsjechië bij verstek is veroordeeld, het onderzoek naar het strafbare feit was afgerond en dat er voldoende gegevens voorhanden waren om de zaak bij de rechtbank in Tsjechië aan te brengen. Gelet op het voorgaande en in het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom beslissen dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7, 26 en 28 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALTdat
VOORRANGdient te worden gegeven aan het EAB met parketnummer 13-026738-26 dat is uitgevaardigd door
die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve, Duitsland boven het Tsjechische EAB (parketnummer 13-026716-26).
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.