Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4005

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
26/1275
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 2.10.8 Huisvestingsverordening Amsterdam 2024Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens algemene weigeringsgronden en onvoldoende hardheidsclausule

Eiseres, een alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen, vroeg een urgentieverklaring aan voor een passende woning in Amsterdam vanwege haar huidige te kleine woning en medische klachten. Het college wees de aanvraag af op grond van drie algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024: een te kleine woning is geen urgent huisvestingsprobleem (b-grond), uitbreiding van het gezin zonder passende woonruimte (c-grond), en onvoldoende binding met Amsterdam (i-grond).

Eiseres stelde dat haar woonsituatie levensontwrichtend is en een effectieve tweedelijns GGZ-behandeling belemmert, waardoor de b-grond niet van toepassing zou zijn en nader medisch onderzoek noodzakelijk was. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de HVV expliciet bepaalt dat een te kleine woning geen urgentiegrond is en dat de medische klachten onvoldoende onderbouwd waren om hiervan af te wijken.

Ook de uitbreiding van het gezin na intrek in de woning en de bindingseis werden terecht aan eiseres tegengeworpen. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat er geen sprake was van een acuut levensbedreigend medisch probleem of een schrijnende situatie die prioriteit rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing op 24 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/1275 en AMS 26/1276
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B. Blanckenburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)
(gemachtigden: mr. U. Tasdelen en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een urgentieaanvraag ingediend voor voorrang op een woning in Amsterdam . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
3. Eiseres is in 2016 gehuwd en heeft drie minderjarige kinderen; [persoon 1] (geboren op [geboortedag 1] 2017), [persoon 2] (geboren op [geboortedag 2] 2018) en [persoon 3] (geboren op [geboortedag 3] 2022). Sinds 11 december 2017 staat eiseres met haar kinderen ingeschreven op het adres [adres 1] . Het betreft een woning van
32 m2 met één slaapkamer. In de periode daarvoor (van 4 november 2017 tot 11 december 2017) stond eiseres ingeschreven op een briefadres aan de [adres 2] . De partner van eiseres staat niet ingeschreven op een adres binnen Amsterdam .
4. Eiseres heeft een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij als alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen in een woning van 32 m2 met één slaapkamer woont. De woonsituatie heeft geleid tot ernstige slaapproblemen en spanningsklachten waarvoor zij medicatie gebruikt. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat de huidige woonsituatie een negatieve invloed heeft op het welzijn en de ontwikkeling van haar kinderen, waardoor zij om urgentie verzoekt voor een passende woning.
5. Het college heeft de aanvraag geweigerd omdat sprake is van drie algemene weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (HVV) en verder zijn uitgewerkt in de Nadere regels. Het college heeft aan eiseres tegengeworpen dat een te kleine woning geen urgent huisvestingsprobleem is (b-grond). Verder is aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiseres haar gezin heeft uitgebreid zonder over een passende woonruimte te beschikken (c-grond) en is de bindingseis aan eiseres tegengeworpen (i-grond) omdat haar voltallige huishouden niet minimaal vier jaar in Amsterdam woonde en nu woont. In de Nadere regels is bepaald dat niet aan artikel 2.10.8 wordt getoetst als de aanvraag moet worden geweigerd op grond van één van de algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.10.5. van de HVV. In het besteden besluit is het college bij de weigeringsgronden gebleven. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat er volgens het college geen sprake is van een dermate schrijnende situatie dat de hardheidsclausule moet worden toegepast
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de HVV worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de HVV brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst dan de aanvraag daarom niet meer aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, zoals ook medische urgentie. De vraag of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor medische urgentie kan dan ook uitsluitend aan de orde komen als er geen sprake is van een algemene weigeringsgrond.
7. Eiseres stelt dat er sprake is van een levensontwrichtende woonsituatie, omdat het huisvestingsprobleem een effectieve (tweedelijns GGZ) behandeling van haar psychische klachten in de weg staat. Eiseres is al jaren in behandeling bij specialisten, maar een tweedelijns GGZ-behandeling kan wegens de woonsituatie niet worden opgestart. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van eiseres zo, dat de grootte van de woning en de medische problematiek elkaar beïnvloeden en dat het college om die reden de b-grond niet aan haar kan tegenwerpen en ook om die reden nader medisch onderzoek had moeten laten uitvoeren.
8. De voorzieningenrechter volgt eiseres niet. Uit de aanvraag en hetgeen eiseres aanvoert blijkt dat sprake is van een te kleine woning, waardoor eiseres met een of meer kinderen op de bank in de woonkamer slaapt. Dit is op zichzelf geen reden om urgentie toe te wijzen omdat de HVV bepaalt dat een te kleine woning geen dringend huisvestingsprobleem is. [2] Voor zover eiseres stelt dat door de te kleine woning ook sprake is van psychische klachten, is niet gebleken waarom de grootte van de woning adequate behandeling van die klachten in de weg zou staan. Dat in algemene zin sprake is van slaap- en spanningsklachten is daarvoor onvoldoende. Het college heeft deze weigeringsgrond daarom terecht aan eiseres tegengeworpen.
9. Verder is niet in geschil dat eiseres haar gezin met twee kinderen heeft uitgebreid nadat zij de woning heeft betrokken. Eiseres stelt dat het evenredigheidsbeginsel zich verzet tegen een eeuwige tegenwerping dat zij twee keer zwanger is geraakt na het intrekken in haar huidige woning. De voorzieningenrechter overweegt dat het gaat hier om een gebonden besluit dat berust op een algemeen verbindend voorschrift en de evenredigheid van het besluit daarmee in beginsel gegeven is. Niet is gebleken dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van de weigeringsgrond achterwege moet blijven. Het college heeft deze weigeringsgrond daarom terecht aan eiseres tegengeworpen.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de bindingseis terecht aan eiseres is tegengeworpen. Uit de HVV en de Nadere regels volgt dat de echtgenoot van eiseres tot het huishouden wordt gerekend. Dat er geen sprake is van feitelijk samenwonen maakt dat niet anders. De omstandigheid dat eiseres van haar echtgenoot wil scheiden, zoals blijkt uit de verklaring van haar echtscheidingsadvocaat, leidt ook niet tot een ander oordeel. Eiseres is immers nog altijd juridisch gehuwd. Uit de verklaring blijkt bovendien slechts de intentie om te scheiden, maar niet dat hierop concreet uitzicht is.
11. Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Het uitgangspunt is dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Volgens het beleid moet onder een schrijnende situatie bij medische problematiek worden verstaan dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem waarvoor een urgentieverklaring noodzakelijk is. Het is in beginsel aan de aanvrager om aan te tonen dat deze problematiek van een dusdanige aard is dat verweerder op grond daarvan de aanvrager, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Daarbij wordt in het geval van een medische aanvraag als eis gesteld dat dit moet blijken uit een verklaring van een medisch specialist. Indien de overgelegde stukken daartoe aanleiding geven, kan verweerder onder omstandigheden gehouden zijn om medisch advies in te winnen. [3]
12. Op grond van hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat er sprake is van een levensbedreigende of daaraan gelijkgestelde situatie waardoor het college op grond van de hardheidsclausule een uitzondering zou moeten maken. Dat in algemene zin sprake is psychische klachten en slaapklachten, waarvoor eiseres in behandeling is, is hiervoor onvoldoende. Ook heeft eiseres geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de woonsituatie de ontwikkeling van haar kinderen in ernstige mate belemmert. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit ook niet op grond van de hardheidsclausule voor vernietiging in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:93.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713.