Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3992

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
784295
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 6:230 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidenteel verzoek tot inzage verzekeringsdocumenten na koop woning

Eisers zijn eigenaar geworden van een woning die zij begin 2023 van gedaagden hebben gekocht. Na levering ontstonden geschillen over mogelijke verborgen gebreken en schade aan isolatieplaten. Eisers vorderden in een incident op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv inzage in documenten die gedaagden aan hun verzekeraar Interpolis hebben verstrekt over eerdere schade-incidenten.

Gedaagden verweerden zich met het standpunt dat eisers geen partij zijn bij de rechtsbetrekking tussen gedaagden en hun verzekeraar, dat de gevraagde stukken deels niet bestaan of niet meer beschikbaar zijn, en dat het verzoek te vaag en onredelijk bezwarend is.

De rechtbank oordeelde dat eisers niet aan de voorwaarden van artikel 194 Rv Pro voldoen omdat zij geen partij zijn bij de gevraagde rechtsbetrekking en onvoldoende concreet hebben gemaakt welke gegevens nog beschikbaar zijn. Ook is het recht op inzage beperkt tot bestaande documenten, niet tot het opstellen van nieuwe. Het incidentele verzoek wordt daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden en verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het incidentele verzoek tot inzage in verzekeringsdocumenten wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/784295 / HA ZA 26-208
Vonnis in incident van 22 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
eisers in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. M.B. van Munster,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 4] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
gedaagden in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. L.I. Brom.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 februari 2026 met producties, tevens houdende een incidentele vordering tot het verstrekken van afschriften en gegevens ex artikel 194 Rv Pro juncto artikel 195 Rv Pro,
- de conclusie van antwoord in het incident, met één productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten voor zover van belang in het incident

2.1.
[eisers] zijn eigenaar van een perceel grond met woning gelegen aan [adres] (hierna: de woning). Begin 2023 hebben [eisers] deze woning gekocht van [gedaagden] waartoe partijen op 22 maart 2023 met elkaar een koopovereenkomst hebben gesloten. De woning is op 7 augustus 2023 aan [eisers] geleverd.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair:
I. voor recht te verklaren dat de woning niet beantwoordt aan de tussen partijen
gesloten koopovereenkomst;
subsidiair:
II. de tussen partijen op 22 maart 2023 gesloten koopovereenkomst betreffende de
woning gedeeltelijk te ontbinden, voor zover deze ziet op de non-conformiteit,
waarbij enkel de koopprijs wordt verminderd met een bedrag van € 99.894,79,
althans met een in goede justitie te bepalen bedrag, en de koopovereenkomst voor het overige in stand te laten, zulks met vergoeding van de wettelijke rente vanaf 22 maart 2023, althans vanaf de dag der dagvaarding;
meer subsidiair:
III. de tussen partijen op 22 maart 2023 gesloten koopovereenkomst betreffende de
woning op grond van dwaling te wijzigen als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW Pro door middel van een vermindering van de koopprijs met een bedrag van
€ 99.894,79, althans met een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2023 althans vanaf de dag der dagvaarding;
primair, subsidiair en meer subsidiair:
IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eisers] van
€ 99.894,79, althans een in goede justitie te bepalen bedrag waarmee de rechtbank de koopprijs vermindert, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2023, althans vanaf datum van de dagvaarding;
V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de expertisekosten ad
€ 2.226,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding;
VI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.773,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dagvaarding;
VII. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten inclusief nakosten, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de betekening van
het te wijzen vonnis.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] te bevelen om binnen twee weken na de datum van het in het incident te wijzen vonnis aan [eisers] afschriften te verstrekken van de volgende stukken:
a. de melding van de stormschade welke plaatsvond op 18 februari 2022
( [nummer 1] );
alle correspondentie tussen Interpolis en de verzekerden zoals deze destijds
heeft plaatsgevonden inzake [nummer 1] );
de melding van de stormschade d.d. 5 juli 2023 ( [nummer 2] );
alle correspondentie tussen Interpolis en de [gedaagden] zoals deze destijds
heeft plaatsgevonden inzake [nummer 2] ;
een omschrijving van de exacte werkzaamheden die inzake [nummer 2] door
de aannemer zijn uitgevoerd;
alle foto’s zoals die inzake beide meldingen zijn ontvangen door Interpolis;
een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de (proces)kosten van dit incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eisers] stellen hiertoe dat zich na de levering van de woning door [gedaagden] , in december 2023, schade-incidenten hebben voorgedaan waarbij isolatieplaten zijn losgekomen. Ook bleken in de slaapkamers op de tweede verdieping strips die zich voor de isolatieplaten aan de binnenzijde van he dak bevonden, los te zitten. [eisers] is gebleken dat dit eerder ook al het geval is geweest maar dat [gedaagden] hierover ten onrechte geen mededelingen aan [eisers] hebben gedaan voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst. Ook is de vragenlijst op dit punt niet of niet volledig ingevuld.
Later hebben [gedaagden] over het eerder loskomen van isolatieplaten verschillend verklaard. Om hier duidelijkheid over te verkrijgen, hebben [eisers] verschillende keren aan [gedaagden] verzocht om afschriften te verstrekken van alle documenten die door en namens [gedaagden] zijn ingediend bij hun verzekeraar (Interpolis) met betrekking tot die eerdere schade-incidenten alsmede alle hierover gewisselde berichten. [gedaagden] hebben enkele documenten verstrekt. Bij [eisers] bestaat alleen het sterke vermoeden dat [gedaagden] niet alle hen beschikbare informatie hebben gedeeld en dan gaat het met name om informatie van rond de schadedata in 2022 en 2023. Ook is geen enkel bericht van [gedaagden] aan Interpolis gedeeld wat doet vermoeden dat nog geen inzage in alle relevante gegevens is versterkt. Op grond van de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben [eisers] recht op en belang bij inzage in die gegevens.
4.3.
[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer. Het gevorderde is volgens hen niet toewijsbaar omdat niet is voldaan aan de vereisten zoals genoemd in artikel 194 Rv Pro. De gevraagde stukken zien niet op een rechtsbetrekking waarbij [eisers] partij is. Ook wordt gevraagd om inzage in stukken die niet bestaan of waarover [eisers] niet (meer) beschikt. Het verzoek is bovendien te vaag en onvoldoende bepaald. Het vermoeden dat er meer stukken moeten zijn is onterecht en wordt onvoldoende geconcretiseerd. Alle nog beschikbare gegevens zijn met [eisers] gedeeld. Verder heeft [eisers] onvoldoende belang bij de gevorderde inzage en hoeven [gedaagden] niet mee te werken aan een fishing expedition. Daarbij komt dat [gedaagden] een gewichtige reden hebben om de inzage te weigeren omdat, voor zover de gevraagde stukken al beschikbaar zouden zijn, het verstrekken ervan onredelijk bezwarend zou zijn. De stukken hebben enkel betrekking op de interne verhouding tussen [gedaagden] en hun verzekeraar. Het betreft vertrouwelijke communicatie rondom interne afstemming waarbij [eisers] geen partij is.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In het incident
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat voor een recht op afschrift op grond van artikel 194 Rv Pro aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan:
i) degene die om de informatie verzoekt is partij bij een rechtsbetrekking,
ii) degene van wie inzage wordt verlangd beschikt over de gevraagde gegevens of kan deze makkelijk van een derde verkrijgen,
iii) er is sprake van voldoende belang bij het informatieverzoek,
iv) de verlangde gegevens zijn voldoende bepaald.
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan afschrift te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
5.2.
In artikel 195 lid 1 Rv Pro is verder bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
5.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of aan de voorwaarden van artikel 194 Rv Pro is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is en dat de gevorderde afschriften/inzage in gegevens daarom niet toewijsbaar zijn/is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Een partij bij een rechtsbetrekking
5.4.
Niet is voldaan aan vereiste sub (i) als hiervoor in 5.1 genoemd, ook al moet dit vereiste ruim worden opgevat. [eisers] vragen om gegevens die zien op een rechtsbetrekking tussen [gedaagden] en derden, te weten haar opstalverzekeraar respectievelijk haar (voormalig) aannemer. Bij die rechtsbetrekking waren [eisers] zelf geen partij. [eisers] zijn enkel partij bij een andere rechtsbetrekking, te weten de later pas met [gedaagden] gesloten koopovereenkomst die ziet op de woning.
Beschikt [gedaagden] over de gevraagde gegevens en om welke gegevens gaat het dan?
5.5.
[gedaagden] hebben gemotiveerd betwist dat zij over nog meer stukken beschikken dan de al met [eisers] gedeelde gegevens. Daarbij hebben [gedaagden] toegelicht dat het contact met Interpolis in 2022 veelal telefonisch verliep dan wel digitaal via een portaal en via bijvoorbeeld online ingevulde formulieren. Deze digitale informatie uit de systemen van Interpolis kan niet meer door [gedaagden] achterhaald worden. [gedaagden] heeft nog wel getracht informatie bij Interpolis op te vragen. Alles wat nog kon worden achterhaald is al doorgestuurd en met [eisers] gedeeld, aldus [gedaagden] Nu gesteld noch gebleken is welke concrete informatie er desondanks nog wel beschikbaar is maar nog niet is gedeeld met [eisers] staat niet vast dat [gedaagden] nog over dergelijke aanvullende (eenvoudig op te vragen) gegevens beschikt.
5.6.
Ook gaat [eisers] er volgens [gedaagden] ten onrechte vanuit dat er twee verschillende schade-incidenten in het verleden over het loskomen van isolatieplaten zijn geweest die allebei bij Interpolis als schade zijn gemeld, één incident dat dateert van februari 2022 en nog een tweede melding van een incident in juli 2023. Volgens [gedaagden] zijn alleen in februari 2022 isolatieplaten losgekomen waarvan een schademelding bij Interpolis is gedaan. De aannemer heeft desgevraagd ontkend dat hij een mededeling over het eveneens loskomen van isolatieplaten in 2023 heeft gedaan aan [eisers] , aldus [gedaagden] Gelet op deze gemotiveerde betwisting en bij gebrek aan aanwijzing dat er ook in juli 2023 een schademelding over het loskomen van isolatieplaten is gedaan, is het bestaan van die tweede schademelding evenmin komen vast te staan. Een enkel vermoeden is onvoldoende om het bestaan van aanvullende informatie aan te kunnen nemen.
Daarmee is niet voldaan aan het vereiste als hiervoor bedoeld in 5.1 sub ii en iv.
Van het schade incident dat dateert van februari 2022 was de melding al overgelegd. Deze is vervolgens nogmaals overgelegd bij conclusie van antwoord in het incident.
5.7.
Dat betekent dat het gevorderde zoals weergegeven onder a, b, c, d en f niet toewijsbaar is.
Het gevorderde onder 5.1 sub e
5.8.
Ten aanzien van de gevorderde omschrijving van de exacte door de aannemer uitgevoerde werkzaamheden (het gevorderde sub e) overweegt de rechtbank als volgt.
Deze informatie ziet niet op de schadeafhandeling door verzekeraar Interpolis maar op de door de aannemer verrichte herstelwerkzaamheden in 2022. [eisers] vorderen daarbij echter geen inzage in een bestaand concreet document maar wensen kennelijk dat er alsnog een document wordt opgesteld waarin een exacte omschrijving wordt gegeven van destijds in 2022 verrichte herstelwerkzaamheden. Het inzagerecht van artikel 194 Rv Pro dan wel 195 Rv ziet op al bestaande gegevens en documenten en niet op nog nieuw op te stellen documenten. Het gevorderde onder e is daarom evenmin toewijsbaar.
Slotsom in het incident
5.9.
Gelet op het voorgaande zal het incidenteel gevorderde worden afgewezen.
Ten aanzien van de proceskosten in het incident
5.10.
[eisers] zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagden] voor zover gemaakt in het incident betalen. Deze kosten worden als volgt begroot:
-salaris advocaat € 653,00 (1 punt x € 653,00 – tarief II)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00.
In de hoofdzaak
5.11.
Nu [gedaagden] in de hoofdzaak nog niet heeft geconcludeerd voor antwoord, zal de zaak voor dat doel naar de rol worden verwezen.
5.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
In het incident
6.1.
wijst het gevorderde af
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In de hoofdzaak
6.3.
verwijst de zaak naar de rol van 3 juni 2026 voor conclusie van antwoord;
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.