Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3990

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
769559 HA ZA 25-1076
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting en winstverdeling tussen PMS Solutions en optiekbedrijf

PMS Solutions B.V. en [gedaagden] zijn partijen in een geschil over de winstverdeling en betaling van voorschotten in het kader van een samenwerkingsovereenkomst. PMS vordert betaling van achterstallige winstuitkeringen over de jaren 2019/2020, 2021 en 2022, terwijl [gedaagden] betwist dat deze bedragen volledig verschuldigd zijn en stelt dat PMS over 2022 te veel voorschot heeft ontvangen.

De rechtbank oordeelt dat PMS recht heeft op een derde deel van de winst van [bedrijf], waarbij de betaalde voorschotten niet in mindering komen op het winstdeel. Over 2019/2020 heeft PMS echter afstand gedaan van het meerdere boven het voorschot. Voor 2021 en 2022 is vastgesteld dat [gedaagden] nog respectievelijk €30.671,08 en €25.557,15 aan PMS moet betalen. Daarnaast moet PMS €10.904,56 aan gedaagden vergoeden voor materialen die voor eigen gebruik zijn meegenomen.

De vorderingen van [gedaagden] tot terugbetaling van te veel betaalde voorschotten en schadevergoeding wegens websitekosten worden afgewezen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij [gedaagden] de proceskosten van PMS moet betalen en PMS de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden wordt veroordeeld tot betaling van €56.228,23 aan PMS en PMS tot vergoeding van €10.904,56 aan gedaagden; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769559 / HA ZA 25-1076
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
PMS SOLUTIONS B.V.,
te Kesteren,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: PMS,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (ieder afzonderlijk: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ),
advocaat: mr. G.J.F. Voss.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 12 en 13 mei 2025,
- de akte overlegging producties 1 tot en met 14 van PMS,
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende vermeerdering eis in conventie met producties,
- de antwoordakte op de vermeerdering eis in conventie,
- het tussenvonnis van 26 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
PMS is een bedrijf dat adviseerde en ondersteunde bij informatietechnologie en computergestuurde telescopen. De [functie] was de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die eind november 2022 is overleden. Sindsdien heeft PMS geen activiteiten meer verricht.
2.2.
Hierna is de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als belangenbehartiger van de erven van [naam 1] aangesteld als [functie] van PMS.
2.3.
[gedaagden] is eigenaar van [bedrijf] , een (online) winkel in optische artikelen, waaronder telescopen. [bedrijf] was tot halverwege 2024 een vennootschap onder firma met [gedaagden] als beherend vennoten en is daarna overgezet naar een besloten vennootschap.
2.4.
Partijen zijn een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, waarin is afgesproken dat PMS activiteiten verricht voor [bedrijf] tegen betaling van [gedaagden] (hierna: de overeenkomst).
2.5.
PMS heeft in termijnen de volgende totaalbedragen exclusief btw gefactureerd aan [gedaagden] :
  • over boekjaar 2019/2020: € 45.000, waarbij op de facturen staat vermeld: “
  • over boekjaar 2021: € 93.000 (€ 65.500 plus elf maal € 2.500), waarbij op de facturen van € 2.500 staat vermeld: “
  • over boekjaar 2022: € 80.000 (tien maal € 8.000).
2.6.
In de periode juli 2021 tot en met augustus 2022 heeft [naam 1] [gedaagde 1] meerdere keren gemaild dat hij artikelen uit de winkel van [bedrijf] heeft meegenomen om te testen voor [bedrijf] of voor eigen gebruik, en ook gespecificeerd welke artikelen dit waren.
2.7.
Op 23 maart 2021 heeft [naam 1] aan [gedaagde 1] het volgende gemaild:
“(…) Mijn boekhouder is aan het uitpluizen hoe het zit met de winstverdeling, maar laat ik heel duidelijk zijn: dat doen we meer als formaliteit en omdat we deze afspraak toch goed moeten uitwerken (ook voor de toekomst).
Ik hoef namelijk geen cent meer van [bedrijf] over afgelopen periode, ben heel blij met wat nu is gedaan en dat waardeer ik enorm. Meer wil ik gewoon niet. (…)
We hadden wel afgesproken om na de eerste 3 maanden van dit jaar te hebben over een eventuele bonus regeling uit de website omzet, maar ook dat laat ik voorlopig maar even achterwege.
Nogmaals: [bedrijf] heeft mij zat betaald voorlopig en meer wil ik niet afgezien het reguliere maandelijkse tarief.
Wat betreft het maandelijkse tarief zouden we dat verhogen naar 6k, maar dit laat ik ook nog maar even zitten. Veel coulance dus en ik vind dat op zijn plaats.
Dus voorlopig gaan we gewoon door zoals altijd en niks geen extra’s. Uiteraard moeten we dit wel blijven bekijken en doen, maar in principe kan dat gewoon naar eind 2021 geschoven worden wat mij betreft. (…)
Ik hoop dat [bedrijf] de bankrekening vanaf nu weer flink kan gaan spekken! Uit mijn hoek dus niks geen extra’s meer voorlopig. (…)”
2.8.
Op 21 februari 2022 heeft [naam 1] aan zijn boekhouder de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) het volgende gemaild:
“(…) Bijgesloten de definitieve cijfers van [bedrijf] VOF periode 2021.
Totale winst +/- 290k (daar zit ik nog in). Zou je een allerlaatste berekening willen maken? Deze beschouwen we dan als definitief en klaar. (…)
Maar mijn eigen berekening is dan:
EUR 289.544 winst met mijn facturen erin.
EUR 355.044 winst zonder mijn facturen erin (EUR 65.500,00)
EUR 118.348 1/3 winst
EUR 118.348 minus EUR 65.500,00 = EUR 52.848 tekort gefactureerd over 2021.
Met [bedrijf] zijn we trouwens in principe uitgegaan van jouw laatste berekening, daaruit bleek een tekort van EUR 48.233,46.
Op basis daarvan zijn we overeengekomen dat ik EUR 25.000,00 in termijnen van 2.5k ga berekenen in 2022. Het restant is coulance, dat parkeren we wel zodat als de winst ooit lager is dan ik in rekening bracht, we het hiermee gaan verrekenen. (…)”
2.9.
De dag erna heeft [naam 3] [naam 1] geantwoord en een Excel-bestand met de winstberekening bijgevoegd:
“(…) In jouw opstelling ga je uit van jouw facturen (65.500,00)
In Minipack is opgenomen 89500 = 2021 + restant vorige jaren
In de jaarrekening lijkt dit gecorrigeerd naar 85.500,00 (werk derden)
Dat maakt in mijn berekening een aandeel 125k (…)”
2.10.
De onder 2.8 en 2.9 genoemde e-mails heeft [naam 1] op 27 februari 2022 aan [gedaagde 1] doorgemaild met het volgende bericht:
“(…) Hierbij mail ik je de winstverdeling door zoals ik deze ontving van mijn boekhouder. Deze is gebaseerd op de definitieve cijfers zoals jij mij stuurde op 19-02-2022 (zie hieronder).
Dit zou dus voor onze afspraak definitief moeten zijn. Het blijkt eigenlijk dat ik nog meer “tekort” kom, maar het valt mee. We zaten goed in de richting.
Daar kom ik nog op terug, ik overweeg om dat ook “te parkeren” (voor als de winst een keer lager uitvalt), maar moet er zelf nog even goed naar kijken.
In hoofdlijnen blijft alles gewoon zoals het was in principe. Ik kom er nog wel uitgebreider op terug zodra we alles echt definitief hebben.
Zou je in ieder geval dit Excel-bestand willen toetsen op juistheid? Vervolgens maken we een e-mail met daarin de afspraken vastgelegd (zoals we mondeling bij mij thuis eigenlijk ook al overeenkwamen).
Dit is vooral om misververstanden te voorkomen uiteraard en in het belang van de goede relatie. Desnoods nemen we het ook nog met [gedaagde 2] [
, de rb] door. (…)”
2.11.
Op 1 maart 2022 heeft [gedaagde 1] per e-mail geantwoord:
“(…) Ik heb het Excel bestand bekeken en het ziet er allemaal goed uit. Zodra we elkaar weer zien lopen we het even door voor de duidelijkheid. Volgens mij had ik, tenminste dat dacht ik, met je afgesproken dat we voor het hele jaar 2022 die 2500 euro p/m doorberekenen dan komen we uit op 30.000 euro in totaal. (…)”
2.12.
Op 7 november 2022 heeft [naam 1] aan [gedaagde 1] gemaild:
“(…) Vandaag bezig met facturatie en de winstuitkering over 2021 is bijna klaar voor [bedrijf] (…).
Ik heb nu (inclusief de huidige batch) 11 delen gefactureerd, maakt totaal EUR 27.500,00. Volgende maand dus het laatste deel en dan hebben we dat ook weer afgerond.
Voor de periode 2022 zal ik ook wel weer iets “te kort” komen (gelet op het uitstekende jaar), maar dat zal drastisch lager liggen dan afgelopen jaren (denk ik) want het maandelijkse voorschot lag natuurlijk fors hoger (8k).
Misschien kunnen we een deel daarvan verrekenen met de bedragen welke ik nog verschuldigd ben aan [bedrijf] – zoals de [nummer] en overig klein materiaal. Vind ik helemaal prima. (…)”
2.13.
In de jaarrekening van [bedrijf] van 2022 staat dat over 2022 een winst is behaald van € 252.517, waarbij € 82.513 aan post “
Werk derden” van de winst is afgeboekt. Over 2021 staat dat € 226.572 aan winst is behaald, waarbij is gerekend met € 85.500 aan post “
Werk derden”.
2.14.
Op 6 december 2024 heeft PMS [gedaagden] gesommeerd om binnen vijftien dagen onder andere de nog niet uitgekeerde winstdelen over 2019/2020, 2021 en 2022 uit te keren.
2.15.
Op 17 december 2024 heeft [gedaagden] via zijn advocaat PMS gesommeerd om onder andere de onder 2.6 genoemde materialen binnen acht dagen te betalen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
PMS vordert na vermeerdering van eis, samengevat, dat [gedaagden] wordt veroordeeld om te betalen aan PMS: € 129.580,84 plus rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Daarnaast vordert PMS dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagden] ook meteen aan het vonnis moet voldoen als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
PMS baseert haar vorderingen op de volgende stellingen. Met [gedaagden] is afgesproken dat PMS als vergoeding voor haar werkzaamheden een derde deel van de genormaliseerde jaarlijkse winst van [bedrijf] zou krijgen. Over de periodes 2019/2020, 2021 en 2022 heeft [gedaagden] PMS nog niet alles betaald. PMS heeft met haar facturen over die periode bedragen in rekening gebracht en betaald gekregen, maar dat waren slechts voorschotten. Na aftrek daarvan is [gedaagden] nog het volgende verschuldigd:
  • over 2019/2020: € 12.388,33,
  • over 2021: € 37.791,93,
  • over 2022: € 78.650,00.
Daarnaast moet [gedaagden] betalen voor ICT-services die doorliepen tot juni 2023.
3.3.
[gedaagden] is het niet eens met de vorderingen en vindt dat PMS in de proceskosten moet worden veroordeeld. [gedaagden] licht dat als volgt toe. Over de periode 2019/2020 heeft PMS een voorschot gefactureerd en betaald gekregen. Over het meerdere heeft PMS afstand van recht gedaan. Over boekjaar 2021 hebben partijen afgesproken dat PMS – naast een bedrag van € 65.500 exclusief btw – nog enkel € 30.000 exclusief btw mocht factureren in twaalf maandelijkse termijnen. Door het vroegtijdig overlijden van [naam 1] heeft PMS de laatste termijn niet gefactureerd, maar toch hoeft [gedaagden] niets te betalen aan PMS. Dat komt omdat PMS over boekjaar 2022 een hoger voorschot heeft ontvangen dan het winstdeel waar zij recht op had. De winst over 2022 is namelijk lager uitgevallen dan aanvankelijk gedacht. Daardoor heeft [gedaagden] juist een vordering op PMS. Na het overlijden van [naam 1] zijn ICT-services stopgezet, waardoor [gedaagden] niet daarvoor hoeft te betalen.
in reconventie
3.4.
[gedaagden] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis PMS veroordeelt om te betalen aan [gedaagden] : € 47.844,97 plus rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.5.
[gedaagden] stelt het volgende. PMS heeft over boekjaar 2022 een te hoog voorschot ontvangen, omdat de winst toen lager is uitgevallen. Het verschil, na aftrek van wat PMS over boekjaar 2021 te weinig heeft ontvangen, moet PMS terugbetalen. Daarnaast moet PMS € 10.904,56 aan materiaalkosten betalen, omdat [naam 1] meerdere artikelen uit de winkel van [bedrijf] voor eigen gebruik heeft meegenomen, zonder daarvoor te hebben betaald of zonder dat die materialen zijn teruggebracht. Verder heeft [gedaagden] schade geleden, die PMS moet vergoeden. [naam 2] heeft na het overlijden van [naam 1] geweigerd om [gedaagden] toegang te geven tot bepaalde inloggegevens voor de website van [bedrijf] . Hierdoor heeft [gedaagden] ICT-kosten gemaakt om toch toegang tot de website te verkrijgen en (online) omzet misgelopen.
3.6.
PMS voert verweer.

4.De beoordeling

in conventie
PMS recht op een derde winst, voorschot niet in mindering op winst
4.1.
Het gaat in de eerste plaats om de vraag welke vergoeding [gedaagden] moest betalen aan PMS voor haar werkzaamheden voor [bedrijf] . Die vraag is relevant voor drie periodes: 2019/2020, 2021 en 2022.
4.2.
Uitgangspunt is dat PMS aanspraak had op een derde deel van de winst van [bedrijf] . Dat heeft [gedaagde 1] op zitting bevestigd. Wat [gedaagden] al heeft betaald aan PMS is een voorschot, want dat staat vermeld op in elk geval de facturen van PMS voor de periodes 2019/2020 en 2021. Partijen hebben nadien geen andere afspraken gemaakt, zodat kan worden aangenomen dat dit ook geldt voor boekjaar 2022. Dat voorschot kwam niet in mindering op de winst bij het berekenen van het winstdeel. Dit blijkt uit de e-mails van februari en maart 2022 (zie 2.8 tot en met 2.11). [naam 1] en zijn boekhouder hebben het winstdeel van PMS berekend zonder de door PMS in rekening gebrachte kosten van de winst af te halen. Die winstberekening heeft [naam 1] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 1] en daarbij gevraagd of hij het ermee eens is. [gedaagde 1] heeft bevestigend geantwoord. Dit uitgangspunt geldt voor alle drie de periodes.
4.3.
Hierna zal de rechtbank per periode beoordelen of [gedaagden] nog een vergoeding verschuldigd is aan PMS.
periode 2019/2020: PMS afstand van meerdere gedaan
4.4.
Over de periode 2019/2020 heeft PMS een voorschot van € 45.000 (exclusief btw) gefactureerd en betaald gekregen. PMS stelt dat zij recht heeft op een groter aandeel. Volgens [gedaagden] heeft PMS afstand gedaan van het meerdere.
4.5.
Of een verklaring kan worden gekwalificeerd als afstand van recht is een kwestie van uitleg. De omstandigheden van het concrete geval zijn beslissend, gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeengekomen bepalingen mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarnaast geldt als stelregel dat terughoudendheid geboden is bij het aannemen dat afstand van een recht is gedaan.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft PMS in de e-mail van [naam 1] van 23 maart 2021 (zie 2.7) PMS afstand gedaan van haar recht op het winstdeel dat het voorschot overschrijdt. De uitlatingen “
ik hoef (…) geen cent meer van [bedrijf] over de afgelopen periode”, “
Meer wil ik gewoon niet” en “
[bedrijf] heeft mij zat betaald voorlopig en meer wil ik niet afgezien het reguliere maandelijkse tarief” kunnen niet anders worden begrepen dan dat PMS voor de periode 2019/2020 niet op meer aanspraak wenste te maken dan het reeds uitgekeerde voorschot. [gedaagden] mocht dan ook gerechtvaardigd erop vertrouwen dat PMS over 2019/2020 niets meer in rekening zou brengen.
4.7.
De vordering van PMS die ziet op de periode 2019/2020 wordt daarom afgewezen.
boekjaar 2021: [gedaagden] moet € 30.671,08 betalen
4.8.
Over boekjaar 2021 geldt het volgende. Op grond van de afgesproken winstverdeling had PMS na aftrek van een ontvangen voorschot van € 65.500 recht op een bedrag van € 52.848 (beide bedragen exclusief btw). Dat volgt uit de e-mail van [naam 1] aan zijn boekhouder (zie 2.8), waar [gedaagde 1] een paar dagen later bevestigend op heeft gereageerd (zie 2.11). Dit bedrag was gebaseerd op de concept-jaarcijfers verstrekt door de boekhouder van [bedrijf] . Gesteld noch gebleken is dat die jaarcijfers nadien nog zijn aangepast, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de vastgestelde jaarrekening conform dit concept was.
4.9.
Volgens [gedaagden] hebben partijen afgesproken dat PMS nog enkel € 30.000 zou factureren in twaalf maandelijkse termijnen – waarbij de laatste termijn niet is gefactureerd door het vroegtijdig overlijden van [naam 1] – en heeft PMS afstand gedaan van het meerdere. PMS betwist dat [naam 1] namens PMS afstand heeft gedaan van enig winstaandeel.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat PMS over 2021 geen afstand heeft gedaan van haar recht op een deel van de winst. [naam 1] heeft het in zijn e-mail van 27 februari 2022 aan [gedaagde 1] (onder 2.10) over het tekort mogelijk te willen “
parkeren”. Parkeren van een aanspraak op een winstdeel kan niet worden gezien als afstand doen van dat recht. Daarnaast stond op de maandelijkse facturen van € 2.500 exclusief btw dat het ging om een voorschot van de winstuitkering over 2021. Die facturen zijn bijna allemaal verstuurd na de onder 2.10 genoemde e-mail. Ook in de e-mail van [naam 1] van 7 november 2022 (zie 2.12) kan geen afstand van recht worden gelezen, zoals [gedaagden] aanvoert. [gedaagden] had er dan ook niet op mogen vertrouwen dat PMS afstand had gedaan van het meerdere over 2021.
4.11.
Dit betekent dat PMS over 2021 nog recht heeft op betaling van € 30.671,08
((€ 52.848,00 minus € 27.500) x 1,21 voor de btw).
boekjaar 2022: [gedaagden] moet € 25.557,15 betalen
4.12.
PMS stelt dat zij over boekjaar 2022 bovenop een voorschot van € 80.000 exclusief btw recht heeft op € 78.650,00, omdat de winst over 2022 € 388.534 zou zijn. PMS baseert zich hierbij op een schatting van [naam 3] , omdat volgens hem de winst van [bedrijf] over 2022 25% hoger was dan in 2021. [gedaagden] betwist de berekening van [naam 3] en verwijst hierbij naar de jaarrekening van [bedrijf] van 2022 (zie 2.13). Volgens PMS heeft [gedaagden] de jaarcijfers van [bedrijf] gemanipuleerd, om zo een lager winstdeel te hoeven uitkeren.
4.13.
[naam 3] was de boekhouder van PMS, niet van [gedaagden] [naam 3] was dus niet verantwoordelijk voor het opstellen van de jaarcijfers van [bedrijf] . De rechtbank gaat daarom uit van de jaarcijfers van [bedrijf] (zie 2.13). Daaruit volgt dat in 2022 een winst van € 252.517 is gerealiseerd. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat die cijfers zijn gemanipuleerd. Wel bestaat aanleiding om het al uitgekeerde voorschot van de winstdeling over 2022 van € 80.000 bij de winst op te tellen. De rechtbank heeft onder 4.2 vastgesteld dat het voorschot niet in mindering hoort te komen op de winst. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast een correctie aan te brengen voor afschrijving van materialen van [bedrijf] , zoals PMS aanvoert. PMS heeft namelijk tegenover de betwisting van [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat dit onderdeel was van de afspraken van partijen. Het volgt in elk geval niet uit de e-mail van [naam 3] van 22 februari 2022 (zie 2.9). De bij die e-mail gevoegde Excellijst, waarnaar PMS verwijst, is geen onderdeel van het procesdossier. De inhoud ervan is de rechtbank daarom onbekend. PMS verwijst weliswaar ook naar een e-mail van [naam 3] van 9 februari 2022 aan [naam 1] , waarin [naam 3] de winst berekent na afschrijving van materialen (productie 4 bij dagvaarding), maar dit betreft correspondentie tussen PMS en haar boekhouder. Nergens blijkt uit dat die berekening is doorgestuurd naar [gedaagden] en [gedaagden] daar vervolgens mee akkoord is gegaan. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van een winst over 2022 van € 332.517.
4.14.
[gedaagden] moet aan PMS over 2022 nog een bedrag van € 25.557,15 betalen
((€ 332.517 / 3 vermenigvuldigd met (333/365) minus € 80.000) x 1,21 voor de btw).
facturen niet toewijsbaar
4.15.
PMS stelt dat [gedaagden] moet betalen voor een factuur van november 2022 en twee facturen van april 2023, die zien op door PMS voorgeschoten kosten van Microsoft-abonnementen en plug-in leveranciers van [bedrijf] . Volgens PMS liepen die kosten door via de creditcard van [naam 1] . [gedaagden] betwist de facturen.
4.16.
De facturen zijn niet toewijsbaar. De factuur van november 2022 is niet overgelegd en alleen al daarom niet onderbouwd. Ook voor de andere facturen geldt dat PMS tegenover de betwisting van [gedaagden] onvoldoende heeft toegelicht waarom [gedaagden] deze moet betalen.
conclusie: [gedaagden] moet in totaal € 56.228,23 betalen
4.17.
[gedaagden] moet dus een bedrag aan PMS betalen van € 56.228,23 (€ 30.671,08 voor boekjaar 2021 plus € 25.557,15 voor boekjaar 2022).
4.18.
De daarover gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 21 december 2024 (zie 2.14).
buitengerechtelijke incassokosten
4.19.
PMS vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De vordering wordt toegewezen volgens het bepaalde tarief in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten: € 1.337,28.
4.20.
De daarover gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
proceskosten
4.21.
[gedaagden] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aan de hand van het toegewezen bedrag worden de proceskosten van PMS begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.873,78
4.22.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen.
in reconventie
[gedaagden] niet te veel voorschot betaald
4.23.
[gedaagden] stelt dat PMS over 2022 te veel voorschot heeft ontvangen, dat zij moet terugbetalen. Dat standpunt is niet juist. Uit de beoordeling in conventie blijkt dat [gedaagden] PMS over 2022 niet te veel heeft betaald (zie 4.13 en 4.14). De vordering van [gedaagden] die hierop ziet wordt daarom afgewezen.
websitekosten en winstderving niet toewijsbaar
4.24.
[gedaagden] stelt dat hij schade heeft geleden doordat PMS onrechtmatig heeft gehandeld en licht dat als volgt toe. [naam 1] beschikte als enige over wachtwoorden en domeinhostinggegevens voor toegang tot bepaalde onderdelen van de website van [bedrijf] . Ns het overlijden van [naam 1] weigerde [naam 2] die gegevens (direct) aan [gedaagden] te geven. Hierdoor heeft [gedaagden] kosten gemaakt om toch toegang tot de [bedrijf] -website te verkrijgen en ook omzet misgelopen, omdat de website tijdelijk beperkt beschikbaar was. Die schade moet PMS vergoeden.
4.25.
Deze vordering is niet toewijsbaar. Voor zover al sprake zou zijn van een tekortkoming van PMS, kan niet worden vastgesteld dat PMS in verzuim is. [gedaagden] heeft immers geen ingebrekestelling gestuurd aan PMS hieromtrent en daardoor kan PMS niet in verzuim zijn geraakt. [gedaagden] mocht niet zonder meer aannemen dat PMS niet zou nakomen.
PMS moet € 10.904,56 aan materialen vergoeden
4.26.
[gedaagden] vordert € 10.904,56 aan materialen die [naam 1] via PMS voor eigen gebruik uit de winkel van [bedrijf] heeft meegenomen en waar PMS niet voor heeft betaald. Die vordering wordt toegewezen. Uit diverse e-mails van [naam 1] aan [gedaagde 1] (zie 2.6) blijkt dat [naam 1] materialen had meegenomen uit de [bedrijf] -winkel en dat dit verrekend moest worden (zie 2.12). De lijst met materialen die door [gedaagden] is opgesteld is onvoldoende betwist en vaststaat dat daarvan niets is teruggekomen. Deze materialen moeten alsnog worden vergoed.
4.27.
De daarover gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar vanaf 25 december 2024 (zie 2.15).
buitengerechtelijke incassokosten
4.28.
[gedaagden] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De vordering wordt toegewezen volgens het bepaalde tarief in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten: € 884,05.
4.29.
De daarover gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen. Buitengerechtelijke incassokosten worden aangemerkt als vermogensschade, terwijl wettelijke handelsrente alleen van toepassing is op betalingsverplichtingen die voortkomen uit handelsovereenkomsten. De wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro is wel toewijsbaar op de wijze zoals vermeld onder de beslissing.
proceskosten
4.30.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan PMS te betalen een bedrag van
€ 56.228,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel
6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 21 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan PMS te betalen een bedrag van € 1.337,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 5.873,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
veroordeelt PMS om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 10.904,56, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.7.
veroordeelt [PMS] om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 884,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.