Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
- over boekjaar 2019/2020: € 45.000, waarbij op de facturen staat vermeld: “
- over boekjaar 2021: € 93.000 (€ 65.500 plus elf maal € 2.500), waarbij op de facturen van € 2.500 staat vermeld: “
- over boekjaar 2022: € 80.000 (tien maal € 8.000).
Nogmaals: [bedrijf] heeft mij zat betaald voorlopig en meer wil ik niet afgezien het reguliere maandelijkse tarief.
, de rb] door. (…)”
Misschien kunnen we een deel daarvan verrekenen met de bedragen welke ik nog verschuldigd ben aan [bedrijf] – zoals de [nummer] en overig klein materiaal. Vind ik helemaal prima. (…)”
Werk derden” van de winst is afgeboekt. Over 2021 staat dat € 226.572 aan winst is behaald, waarbij is gerekend met € 85.500 aan post “
Werk derden”.
3.Het geschil
- over 2019/2020: € 12.388,33,
- over 2021: € 37.791,93,
- over 2022: € 78.650,00.
4.De beoordeling
ik hoef (…) geen cent meer van [bedrijf] over de afgelopen periode”, “
Meer wil ik gewoon niet” en “
[bedrijf] heeft mij zat betaald voorlopig en meer wil ik niet afgezien het reguliere maandelijkse tarief” kunnen niet anders worden begrepen dan dat PMS voor de periode 2019/2020 niet op meer aanspraak wenste te maken dan het reeds uitgekeerde voorschot. [gedaagden] mocht dan ook gerechtvaardigd erop vertrouwen dat PMS over 2019/2020 niets meer in rekening zou brengen.
parkeren”. Parkeren van een aanspraak op een winstdeel kan niet worden gezien als afstand doen van dat recht. Daarnaast stond op de maandelijkse facturen van € 2.500 exclusief btw dat het ging om een voorschot van de winstuitkering over 2021. Die facturen zijn bijna allemaal verstuurd na de onder 2.10 genoemde e-mail. Ook in de e-mail van [naam 1] van 7 november 2022 (zie 2.12) kan geen afstand van recht worden gelezen, zoals [gedaagden] aanvoert. [gedaagden] had er dan ook niet op mogen vertrouwen dat PMS afstand had gedaan van het meerdere over 2021.
((€ 52.848,00 minus € 27.500) x 1,21 voor de btw).
((€ 332.517 / 3 vermenigvuldigd met (333/365) minus € 80.000) x 1,21 voor de btw).
5.De beslissing
€ 56.228,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel
6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 21 december 2024 tot de dag van volledige betaling,