ECLI:NL:RBAMS:2026:3963

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/13/766033 / FA RK 25-1876
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 4 lid 3 RvArt. 3 lid 1 sub a Brussel II-terArt. 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelselsArt. 827 lid 1 sub g Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing echtscheiding en medewerking religieuze scheiding met bruidsgavebetaling

De rechtbank Amsterdam heeft op 21 april 2026 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, gehuwd in Iran in 2015, waarbij de vrouw het verzoek tot echtscheiding had ingediend wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De man voerde geen verweer tegen het verzoek.

De vrouw kreeg het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen, omdat de man deze sinds februari 2025 heeft verlaten en elders verblijft. Het verzoek om de man te verbieden de woning te betreden werd afgewezen, maar hij moet de sleutels aan de vrouw overdragen.

Met betrekking tot het huwelijksvermogensregime wees de rechtbank het verzoek van de vrouw af om goederen verdeeld te krijgen, omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat de goederen gemeenschappelijk waren aangeschaft. De bruidsgave, bestaande uit veertien gouden munten of de waarde daarvan, werd toegewezen aan de vrouw omdat dit voortvloeit uit het Iraanse huwelijksrecht en de man zich niet verweerde.

De rechtbank veroordeelde de man tevens om binnen vier weken zijn volledige medewerking te verlenen aan de religieuze echtscheiding (Mubarat) bij een imam en de Iraanse ambassade, met een dwangsom van €50 per dag bij niet-nakoming, gemaximeerd op €25.000. De man had zijn medewerking geweigerd uit vrees voor zijn veiligheid, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve de echtscheiding zelf, en tegen de beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, vrouw krijgt huurrecht en bruidsgave, man veroordeeld tot medewerking religieuze scheiding met dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/13/766033 / FA RK 25-1876 (JK/SV) en
C/13/784520 / FA RK 26-1957 (JK/SV)
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. D. Rezaie uit Amsterdam,
en
[man],
volgens de huwelijksakte: [de man] ,
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.A. Huijgen uit Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2025;
  • het bericht van de vrouw met bijlagen van 24 maart 2025;
  • het bericht van de vrouw met bijlagen van 2 mei 2025;
  • het bericht van de vrouw met bijlage van 20 mei 2025;
  • het verweerschrift van de man met bijlage van 6 maart 2026;
  • het bericht van de vrouw met bijlage van 8 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw met haar advocaat en bijgestaan door een tolk;
  • de man met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk;

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 23 september 2015 in [plaats] , Iran.
2.2.
De vrouw heeft de Nederlandse en Iraanse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse en Iraanse nationaliteit.
2.3.
In de huwelijksakte van partijen is – voor zover in dezen van belang – volgens de overgelegde vertaling het volgende opgenomen:
Bruidsgave en handtekening van het echtpaar:één exemplaar van de heilige Koran, een set spiegel en kandelaren en een stuk kandij en een waterkom die conform de verklaring in ontvangst zijn genomen door de echtgenote. En veertien gouden munten Bahare Azadi (lente van vrijheid). De echtgenoot is het voorgaande in het geheel verschuldigd aan de echtgenote en dient op aanvraag aan haar te voldoen.
De huwelijkse voorwaarden
A. Met betrekking tot het huwelijk, stelde de vrouw als voorwaarde dat wanneer het verzoek tot de scheiding niet door haar is ingediend, en volgens de overweging van de rechtbank, de oorzaak van de scheiding niet door nakoming van de echtelijke verplichtingen door de vrouw of haar immoreel gedrag is, in dit geval is de man verplicht de helft zijn aanwinst/bezittingen of van gelijke waarde die hij gedurende het huwelijk met haar verdiend heeft kosteloos aan haar over te dragen.
B. (…)
C. De wijze hoe de bruidsgave moet betaald worden:
1. Bruidsgave: veertien volle Bahar Azadi gouden munten
De man is verplicht dit in het geheel en wanneer de bruid ze eist aan haar te betalen.
2.(…)

3.De beoordeling

Echtscheiding
3.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
3.3.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
3.4.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit. De vrouw verzoekt dit en stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten. De man voert geen verweer tegen dit verzoek.
Huurrecht echtelijke woning
3.5.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij bij uitsluiting van de man huurster zal zijn van de echtelijke woning en in de inboedel daarvan met ingang van de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking, met bevel dat de man deze woning dient te verlaten en ter vrije beschikking van de vrouw te laten met overgave van alle sleutels, alsmede een bevel aan de man deze woning verder niet te betreden, welke bepalingen desnoods afdwingbaar zijn met sterke arm van politie en justitie.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.6.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
Inhoudelijke beoordeling
3.7.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij voor haar werk sterk afhankelijk is van de woning en dat partijen vanwege de ligging van de woning daarheen zijn verhuisd. Haar atelier bevindt zich ook in de woning. Verder heeft zij geen sociaal netwerk waar zij terecht zou kunnen. De man heeft de woning op 21 februari 2025 verlaten en heeft sindsdien kennelijk vervangende woonruimte tot zijn beschikking.
3.8.
De man stelt dat hij de woning heeft verlaten omdat hij slachtoffer was van huiselijk geweld. Hij woont nu tijdelijk boven een art galerie en heeft nog geen vaste verblijfplaats gevonden. Volgens de man moet hij zijn huidige verblijfplaats onmiddellijk verlaten. Hij realiseert zich dat, nu hij de woning heeft verlaten, de vrouw de meest gerede partij is om het huurrecht toegekend te krijgen.
3.9.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om haar het huurrecht toe te kennen toe. De man heeft immers zelf geen verzoek gedaan en vast staat dat partijen niet meer samen in de woning kunnen verblijven en dat de man inmiddels al ruim een jaar elders verblijft. Het huurrecht betreft alleen de woning en niet de inboedel. Dit deel van het verzoek wordt afgewezen. Het verzoek van de vrouw om de man te bevelen deze woning niet meer te betreden desnoods afdwingbaar met de sterke arm van politie en justitie wijst de rechtbank ook af, omdat de toekenning van het huurrecht aan de vrouw voldoende titel verschaft tot ontruiming met behulp van de sterke arm. Wel zal de rechtbank de man bepalen dat de man de sleutels van de woning, voor zover nog in zijn bezit, aan de vrouw af dient te geven
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
3.10.
De vrouw verzoekt de man te gelasten de in het verzoekschrift genoemde zaken aan de vrouw terug te geven.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.11.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
3.12.
Partijen zijn in 2015 gehuwd zodat het toepasselijk recht bepaald moet worden aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna het Verdrag). Partijen hebben hun eerste huwelijksdomicilie in Iran gevestigd. In 2019 zijn partijen verhuisd naar Nederland, waarna zij volgens hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard in januari 2025 de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Dit betekent dat het Iraans recht van toepassing is vanaf de huwelijkssluiting tot januari 2025 en dat vanaf januari 2025 het Nederlandse recht van toepassing is. Vanaf dat moment zijn partijen gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
Inhoudelijke beoordeling
3.13.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat ook naar Iraans recht gemeenschappelijke goederen verdeeld kunnen worden. De goederen zijn met gezamenlijk inkomen aangeschaft. Partijen hebben gespaard van de gelden die zij van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) hebben ontvangen. Van het gespaarde geld zijn deze goederen gekocht. Volgens de vrouw was het de bedoeling dat de man met deze goederen zijn bedrijf kon starten en inkomen kon genereren. Deze goederen vertegenwoordigen nog altijd een waarde. De vrouw stelt de waarde op € 10.000,-. Als de man de goederen wenst te houden, heeft de vrouw daar geen bezwaar tegen maar wenst zij een vergoeding van de helft van de waarde. Volgens de vrouw is de inboedel al in 2021 aangeschaft en gelet op een afschrijvingstermijn van vijf jaar voor inboedelgoederen vertegenwoordigt de inboedel geen waarde meer. Als de man nog inboedelgoederen wil hebben, dan kunnen partijen daar afspraken over maken.
3.14.
De man betwist dat er sprake is van gemeenschappelijke goederen althans goederen die van gemeenschappelijk inkomen zijn aangeschaft en die voor verdeling in aanmerking komen. De man stelt al negenentwintig jaar werkzaam te zijn als fotograaf en cameraman. Volgens de man heeft hij de goederen zelf aangeschaft toen partijen al in Nederland verbleven. De man stelt dat hij alles heeft laten taxeren en dat de gezamenlijke waarde € 1.700,- bedraagt. Voor dit bedrag mag de vrouw de spullen hebben. Echter, zo stelt de man, heeft hij ook goederen, zoals printers, in de woning achtergelaten bij zijn overhaaste vertrek. De inboedel is volgens de man wel van gezamenlijk spaargeld gekocht.
3.15.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af en overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat de goederen aangeschaft zijn in de periode dat het Iraans recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het Iraans recht kent in beginsel een algehele scheiding van goederen. Enkel indien er sprake van is dat partijen gezamenlijk een goed hebben aangeschaft zou dat goed voor verdeling in aanmerking kunnen komen. Echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet aangetoond dat de door haar genoemde goederen met gezamenlijk spaargeld zijn aangeschaft. De rechtbank kan dit daarom niet vaststellen. Daar staat tegenover dat niet in geschil is dat de inboedel met gezamenlijk inkomen is aangeschaft en dat deze volledig bij de vrouw in de woning is achtergelaten. Ook al zou er daarom sprake zijn van gemeenschappelijke goederen dan is nog niet gezegd dat de vrouw daar een vergoeding voor dient te krijgen, omdat geen van partijen met stukken heeft onderbouwd wat de waarde is van de verschillende goederen.
3.16.
De rechtbank overweegt nog ten aanzien van de hard disks als volgt. Volgens de vrouw staan op deze hard disks persoonlijke gegevens van de vrouw, waaronder privéfoto’s en -video’s van de periode dat partijen nog in Iran woonden. De man heeft aangeboden een kopie van de documenten, foto’s en video’s te willen maken als de vrouw aangeeft wat zij wil hebben. De man zal daarvoor een nieuwe hard disk aanschaffen. De vrouw is niet op dit voorstel ingegaan, omdat zij de man niet vertrouwt. De vrouw heeft voorgesteld dat de man naar het kantoor van haar advocaat komt zodat samen gekeken kan worden naar de files die op de hard disk staan. De man gaat daar niet mee akkoord, omdat hij niet samen met de vrouw in één ruimte wil zijn. Omdat er in dit verband niets is verzocht zullen partijen hier nu verder zelf een oplossing voor moeten vinden.
Bruidsgave
3.17.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen de overeengekomen bruidsgave aan de vrouw te voldoen door 14 volle (l) Bahar-e Azadi gouden munten dan wel de waarde daarvan ad € 10.511,- aan de vrouw te overhandigen respectievelijk te vergoeden, te voldoen binnen vier weken na de datum van deze beschikking.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.18.
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding op grond van artikel 3 lid 1 sub Pro a, eerste gedachtestreepje Brussel II-ter, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de bruidsgave (artikel 4 lid 3 Rv Pro jo. Artikel 827 lid 1 sub g Rv Pro).
3.19.
De bruidsgave vloeit voort uit een bijzondere rechtsverhouding die niet goed te vergelijken is met andere rechtsverhoudingen. Wettelijke of verdragsrechtelijke regels die het toepasselijke recht bepalen zijn er niet. . Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestaan van een aanspraak op de bruidsgave daarom het best worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand is gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen naar Iraans recht gesloten huwelijk. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave moet daarom naar het oordeel van de rechtbank worden beoordeeld naar Iraans recht.
Inhoudelijke beoordeling
3.20.
Nu de man zich niet heeft verweerd tegen het verzoek van de vrouw wijst de rechtbank dit verzoek toe.
Medewerking religieuze echtscheiding
3.21.
De vrouw verzoekt de man te gelasten om binnen vier weken na de datum van deze beschikking zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding van partijen naar religieus (Islamitisch) en Iraans recht doordat de man onder andere doch niet uitsluitend al dan niet samen met de vrouw bij een in Nederland gevestigde imam/geestelijke verschijnt en daarna bij de Iraanse ambassade te Den Haag zijn toestemming verleent voor het uitspreken van de talaq en alle andere in dit kader noodzakelijke handelingen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 100.000,-. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd en nu verzoekt zij dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan een scheiding door middel van een Mubarat, omdat de echtscheiding door beide partijen wordt gewenst.
3.22.
De man voert verweer.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.23.
Op grond van artikel 4, lid 3 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om op dit verzoek te beslissen. De rechtbank zal het Nederlandse recht als haar interne recht toepassen.
3.24.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij graag zou willen hertrouwen wat niet mogelijk is als er geen religieuze echtscheiding plaatsvindt. Ook kan zij zolang zij niet religieus gescheiden is naar Iran afreizen. Sinds haar vertrek is zij niet terug geweest, maar dat zou zij wel graag willen. Als het regime zou vallen, kan zij zeker terug maar ook als dat stand houdt verwacht de vrouw na de echtscheiding mogelijkheden te hebben naar Iran te reizen. Haar ouders zijn op leeftijd en zij heeft hen al zeven jaar niet gezien. Als zij wel naar in Iran zou reizen, zou de man zolang partijen niet religieus gescheiden zijn, een uitreisverbod voor haar kunnen vragen. Ook als zij een nieuw paspoort zou willen aanvragen, heeft zij toestemming nodig van de man. De vrouw stelt dat zij ook een kinderwens heeft en dat het volgens de artsen onverantwoord is, gelet op haar gezondheid, daar nog lang mee te wachten. Zij wil wel getrouwd zijn met de vader van haar toekomstige kind, ook al is er op dit moment geen nieuwe partner in beeld. Zij mag volgens haar geloof ook geen nieuwe partner hebben zolang er geen sprake is van een religieuze scheiding. Nu scheiden volgens de Khul lang duurt is dat gelet op haar leeftijd en gezondheid geen alternatief aldus de vrouw. De vrouw voert verder aan dat er duizenden Iraanse vluchtelingen in Nederland zijn. Zij heeft nimmer gehoord dat men voor zijn of haar leven moet vrezen als zij het terrein van de Iraanse ambassade betreden. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een uitspraak (ECLI:NL:NL:GHARL:2024:6815) geoordeeld dat het door de man in die procedure gestelde gevaar voor zijn leven indien hij zich op het Iraanse territorium zou bevinden (het terrein en gebouw van de Iraanse ambassade in Den Haag) een zeer onrealistisch scenario is.
3.25.
Uit het verhandelde ter zitting volgt dat de man zijn medewerking aan de religieuze echtscheiding niet wil verlenen. Volgens de man hebben partijen nu allebei de Nederlandse nationaliteit en hebben zij niets meer te maken met Iran. De man wil ook niets meer te maken hebben met de Islamitische republiek Iran. Partijen zijn vluchteling. De man stelt te vrezen voor zijn leven als hij de ambassade moet betreden. Er is nu sprake van een andere tijd dan waarin de door de vrouw aangehaalde uitspraak is gedaan. De man is fotojournalist en politiek vluchteling. Hij heeft beelden gezien van mensen in het buitenland die het wel hebben gedaan en die vervolgens bekend zijn gemaakt bij het Iraanse regime. Dat de vrouw niet bang is, kan zijn maar voor iedereen is dit anders, aldus de man. De man durft er echt niet naartoe te gaan. Volgens de man is er ook een alternatief voor de vrouw en kan zij ook zelf de echtscheiding (Khul) vragen.
3.26.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe en zal de man veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de Mubarat. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat bij de man geen bereidheid is om naar de Imam en Iraanse ambassade te gaan om de Mubarat te bewerkstelligen. Echter, dat er een concreet gevaar voor hem bestaat heeft de man niet onderbouwd. Er is slechts gesteld dat de man beelden heeft gezien van mensen die in het buitenland naar de ambassade zijn gegaan, maar niet gesteld is wanneer en waar dit heeft plaatsgevonden en wat de gevolgen voor deze mensen zijn geweest. Of om wie het gaat. Dat de man gevaar loopt op het moment dat hij zijn medewerking verleent aan de Mubarat is daarom niet voldoende onderbouwd, laat staan aangetoond.
3.27.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zich in een huwelijkse gevangenschap bevindt zolang de man zijn medewerking niet verleent aan de Iraanse (religieuze) echtscheiding. Het niet meewerken van de man heeft tot gevolg dat de vrouw naar Iraans recht nog altijd met de man gehuwd is en blijft waardoor zij op veel gebieden naar Iraans recht afhankelijk van de man blijft. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw. Daar komt bij dat de vrouw de wens heeft in de toekomst een (Islamitisch) huwelijk aan te gaan. Dat is, zolang het religieuze Iraanse huwelijk van partijen bestaat, niet mogelijk. Weliswaar kan de vrouw ook zelf de Iraanse echtscheiding in gang zetten, maar niet uit te sluiten is dat een dergelijke procedure langer duurt. Beide partijen wensen bovendien niet langer als met elkaar gehuwd door het leven te gaan. Bij die situatie past de Mubarat het beste.
3.28.
De rechtbank wijst eveneens het verzoek van de vrouw om een dwangsom vast te stellen toe. Een dwangsom is bedoeld als prikkel om de nakoming te verzekeren. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat de man ter zitting heeft gesteld, een prikkel in de vorm van een dwangsom nodig is. Wel zal de rechtbank de dwangsom matigen tot een bedrag van € 50,- per dag dat de man in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,-.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.29.
De vrouw verzoekt de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De beslissing

4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 23 september 2015 in [plaats] , Iran;
4.2.
bepaalt dat de vrouw huurder is van de woning aan het adres [adres] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
4.3.
bepaalt dat de man de sleutels van de onder 4.2. genoemde woning – voor zover nog in zijn bezit – aan de vrouw moet verstrekken;
4.4.
veroordeelt de man tot voldoening van de overeengekomen bruidsgave door 14 volle (l) Bahar-e Azadi gouden munten dan wel de waarde daarvan ad € 10.511,- aan de vrouw te overhandigen respectievelijk te vergoeden, te voldoen binnen vier weken na heden;
4.5.
gelast de man om binnen vier weken na heden zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het bewerkstelligen van de echtscheiding naar religieus (Islamitisch) en Iraans recht doordat de man onder andere doch niet uitsluitend al dan niet samen met de vrouw bij een in Nederland gevestigde Imam/geestelijke verschijnt en daarna bij de Iraanse ambassade te Den Haag en zijn toestemming verleent voor het uitspreken van de mubarat en alle andere in dit kader noodzakelijke handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
4.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve over de echtscheiding
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier op 21 april 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.