Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3962

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/13/764918 FA RK 25-1337
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en raadsonderzoek bij zorgen over agressieregulatie vader en veiligheid kind

De rechtbank Amsterdam behandelt een zaak over de zorgregeling van een minderjarige waarbij de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De vader verzoekt om een co-ouderschapsregeling met wisselende verblijfsweken en uitgebreide omgangsregelingen, terwijl de moeder een beperkte omgang op neutrale locatie wenst vanwege zorgen over veiligheid.

Er is een geschiedenis van huiselijk geweld waarbij de vader door de politierechter is veroordeeld voor mishandeling van de moeder. De moeder uit grote zorgen over de veiligheid van het kind bij de vader. De Raad voor de Kinderbescherming is betrokken en adviseert een onderzoek naar de meest passende zorgregeling in het belang van het kind.

De rechtbank constateert dat ondanks positieve contactmomenten tussen vader en kind, er ernstige zorgen blijven over de agressieregulatie van de vader en de veiligheid van het kind. Daarom wordt een voorlopig zorgregime vastgesteld met omgang eenmaal per twee weken op zaterdag op een neutrale plek, waaronder het huis van oma mits toezicht aanwezig is.

De rechtbank gelast een raadsonderzoek om te adviseren over de definitieve zorgregeling en houdt verdere beslissingen aan tot de pro forma zitting in oktober 2026. De voorlopige beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast en gelast een raadsonderzoek naar de definitieve zorgregeling in het belang van het kind.

Uitspraak

Beschikking
RECHTBANK AMSTERDAMAfdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/764918 / FA RK 25-1337 (AL/ID)
Datum uitspraak 24 maart 2026
Beschikking betreffende de zorgregeling
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. M.C. Spil te Amsterdam,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J. de Boer te Alkmaar.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure tot 9 mei 2025 is weergegeven in de beschikking van 9 mei 2025, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
1.2.
Bij voornoemde beschikking van 9 mei 2025 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben, is de moeder vervangende toestemming verleend, welke die van de vader vervangt, om [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2025/2026 in te schrijven op [basisschool] te [plaats 1] , en is een voorlopige zorgregeling vastgesteld in die zin dat de vader [minderjarige] bij zich heeft eenmaal per twee weken op zaterdag van 14.00 uur tot 17.30 uur, eventueel met de andere kinderen van de vader, op een neutrale plek.
Verder heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder gehouden is om de vader eenmaal per maand, schriftelijk, via e-mail, op de hoogte te stellen omtrent het welzijn en ontwikkelingen met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] .
Daarnaast heeft de rechtbank partijen verwezen - in het kader van het Uniform Hulp Aanbod - naar het traject Ouderschap Blijft ten aanzien van de omgang en het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , en in afwachting van dit traject het verzoek tot vaststelling van de definitieve zorgregeling aangehouden.
1.3.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken:
-het eindverslag van iHUB van 15 januari 2026, ingekomen op 15 januari 2026;
- het aanvullende/gewijzigde verzoek van de vader, ingekomen op 19 januari 2026;
- een nadere productie van de vader, ingekomen op 13 maart 2026;
- nadere producties en een wijziging verzoek van de moeder, ingekomen op 16 maart 2026.
1.4.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 24 maart 2026.
Verschenen en gehoord zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad was mevrouw [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] aanwezig.
2. De feiten, de verzoeken en het verweer
2.1.
Voor de feiten, de verzoeken en het verweer tot 9 mei 2025 verwijst de rechtbank naar de beschikking van 9 mei 2025.
2.2. Partijen zijn de ouders van:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
2.4.
De vader verzoekt de rechtbank na aanvulling en wijziging van zijn verzoek:
Primair
- een zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] in het kader van een co-ouderschap, de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zal verblijven met de vrijdag uit school als wisselmoment;
- een vakantie-feestdagenregeling te bepalen, waarbij de zorgregeling in de vakanties van één week door zal lopen en de vakanties van twee weken of meer in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld;
- [minderjarige] in de oneven jaren Oud- en Nieuwjaarsdag van 18.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zal verblijven, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder en de moeder [minderjarige] bij de vader zal ophalen;
- [minderjarige] in de oneven jaren met Eid-ul-Fitre van 08.00 uur tot de volgende dag naar school dan wel, in vakanties, op feestdagen en/of studiedagen, als [minderjarige] niet naar school gaat, tot 14.00 uur de volgende dag bij de vader zal verblijven, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder en de moeder [minderjarige] bij de vader zal ophalen;
- [minderjarige] op de verjaardag van de vader uit school tot de volgende dag naar school dan wel, in vakanties, op feestdagen en/of studiedagen, als [minderjarige] niet naar school gaat, van 14.00 uur tot de volgende dag 14.00 uur bij de vader zal verblijven, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder en de moeder [minderjarige] bij de vader zal ophalen;
- [minderjarige] in de oneven jaren op zijn verjaardag uit school tot de volgende dag naar school dan wel, in vakanties, op feestdagen en/of studiedagen, als [minderjarige] niet naar school gaat, van 14.00 uur tot de volgende dag 14.00 uur bij de vader zal verblijven, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder en de moeder [minderjarige] bij de vader zal ophalen;
- te bepalen dat, voor zover daar in het voorgaande niet in is voorzien (vakanties, feestdagen e.d.), de ouder waar [minderjarige] zal gaan verblijven [minderjarige] op zal halen bij de andere ouder;
Subsidiair
- een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken, in de even weken, van vrijdag uit school tot maandag naar school en iedere week van woensdag uit school tot donderdag naar school bij de vader zal verblijven;
Meer subsidiair
- een zorgregeling en vakantie-feestdagenregeling vast te stellen zoals de rechtbank juist acht.
2.5.
De moeder verzoekt de rechtbank na wijziging van haar verzoek:
I. een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken op zondag, van 14.00 uur tot 17.30 uur, omgang heeft met zijn vader, eventueel met de andere kinderen van de vader, op een neutrale plek, nader in te vullen door de ouders. De moeder zal [minderjarige] naar de neutrale plek brengen en de vader zal [minderjarige] terug naar de moeder brengen.
II. te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek dient uit te voeren naar de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.

3.3. De nadere standpunten

De vader en zijn advocaat

3.1.
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verzoeken gehandhaafd en daarbij verwezen naar het gewijzigde verzoekschrift van 19 januari 2026. De vader voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat tijdens het traject van iHUB al duidelijk was dat de moeder de zorgregeling niet wil uitbreiden. De vader begrijpt niet waarom en ook niet waarom hij [minderjarige] niet gewoon naar zijn woning of de woning van oma v.z. mag meenemen om omgang te hebben. De vader betwist dat er sprake zou zijn van een onveilig klimaat bij hem of dat hij de moeder heeft mishandeld. De spanning die er is tussen partijen speelt zich af op ouderniveau ten aanzien van de onderlinge communicatie. Verder voert de vader aan dat het feit dat de omgang op neutraal terrein moet plaatsvinden ook heeft geleid tot onduidelijkheid en discussie tussen partijen over wat precies een neutrale locatie is. Tussen partijen leiden kleine zaken tot discussies, waar [minderjarige] tijdens de overdracht last van heeft. De vader wil een grotere rol spelen in het leven van [minderjarige] en wenst dat de omgang wordt uitgebreid en dat de omgangsafspraken door de moeder worden nagekomen. Door een duidelijk zorgregeling hoopt de vader dat er weer vertrouwen ontstaat tussen partijen en dat de rust zal terug keren.
Desgevraagd geeft de vader aan dat hij in het verleden een Borgtraining heeft gevolgd en dat hij daar geleerd heeft om te gaan met zijn emoties. De vader stelt dat hij geen agressieproblemen heeft en dat er, ondanks de strafrechtelijke veroordeling, nooit fysiek geweld heeft plaatsgevonden tussen hem en de moeder. De vader geeft aan dat hij door de moeder tot een boeman wordt gemaakt en wordt beschuldigd van zaken die niet waar zijn. Hij heeft geen problemen dus ook geen hulp nodig.
De vader geeft daarbij aan dat de situatie tussen hem en zijn ex-partner, met wie hij twee kinderen heeft, anders was en er sprake is van een andere context. De Raad doet op dit moment onderzoek in de zaak tussen hem en zijn ex-partner en zijn andere kinderen, [kind 1] en [kind 2] , waarbij ook onderzoek wordt gedaan naar de opvoedsituatie van de kinderen bij hun moeder. De vader geeft aan dat hij graag meer flexibel wil zijn tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige] en dat de omgang ook kan plaatsvinden bij oma v.z. thuis waar er altijd meerdere volwassen mensen aanwezig zijn.
De moeder en haar advocaat
3.2.
De moeder voert aan, kort en zakelijk weergegeven, dat zij grote zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader gelet op haar eigen verleden met vader waarbij zij is mishandeld door hem. De moeder wijst erop dat de vader bij beslissing van de politierechter van 30 september 2025 is veroordeeld voor mishandeling jegens haar. De moeder is angstig voor de vader en heeft geen vertrouwen in hem nu de vader nog altijd de problematiek ontkent. Het traject bij iHUB is onvoldoende gelukt omdat iHUB alleen gericht is geweest op contactherstel maar geen expertise heeft op het gebied van veiligheid. Daarnaast is er vanaf 2018 ook al onrust met betrekking tot het gezin van vader met zijn ex-partner, met wie hij twee kinderen heeft, [kind 2] en [kind 1] , en is er recent, in oktober 2025, nog een veiligheidsmelding gedaan. Uit de - als productie 18 - ingediende beschikking van de rechtbank van 8 december 2025 blijkt dat ten aanzien van dit gezin de rechtbank vast stelt dat er wel degelijk aanwijzingen zijn van agressieproblematiek bij de vader en dat [kind 2] en [kind 1] hebben verklaard geslagen te zijn door vader.
De moeder geeft aan dat de vader de voorlopige zorgregeling niet altijd goed is nakomen. Zonder moeder te consulteren is de vader met [minderjarige] naar oma v.z. gegaan en heeft hij de afgesproken neutrale plek verlaten. Ook zijn er discussies bij de overdracht van [minderjarige] . Desgevraagd geeft de moeder aan dat het wel goed gaat met [minderjarige] en hij wat rustiger is geworden sinds hij heeft deelgenomen aan het hulpverleningstraject ‘Piep zei de Muis’. Voor [minderjarige] is speltherapie geadviseerd. De moeder benadrukt dat zij niet tegen contact is tussen de vader en [minderjarige] , maar dat dit contact wel veilig moet zijn.
De moeder kan instemmen met uitbreiding van de voorlopige zorgregeling van eenmaal in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdagochtend brengt naar [plaats 2] om hem over te dragen aan vader. Ook kan de moeder instemmen met omgang bij oma v.z. thuis mits daar andere volwassenen bij aanwezig zijn, waardoor er voldoende ouderlijk toezicht is.
De Raad
3.3.
De Raad voert aan dat er sprake is van een complexe situatie. Uit het verslag van iHUB blijkt dat men positief is over vader en hoe hij omgaat met [minderjarige] en dat er gekeken is naar uitbreiding van de zorgregeling. Aan de andere kant ligt er een veroordeling van vader jegens mishandeling van moeder en doet de Raad op dit moment onderzoek ten aanzien van het andere gezin van vader met zijn ex-partner binnen welk onderzoek er meer duidelijk moet worden over de veiligheid/onveiligheid in de opvoedsituatie bij vader omdat er wel zorgen zijn. De Raad biedt een onderzoek aan om te kijken welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Mogelijk kan [minderjarige] meegenomen worden in het lopende onderzoek ten aanzien van de andere kinderen van vader. De Raad adviseert gedurende het raadsonderzoek de huidige voorlopige zorgregeling in uren uit te breiden waarbij de frequentie van eenmaal in de twee weken hetzelfde blijft. Daarbij is de Raad van mening dat de omgang ook bij de oma v.z. thuis kan plaatsvinden waardoor de vader iets flexibeler is tijdens de omgangsmomenten en meer leuke dingen kan doen, wat ook in het belang van [minderjarige] is.

4.4. De verdere beoordeling

4.1.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op de verzoeken van partijen ten aanzien van de definitieve zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank beoordeelt de verzoeken op grond van artikel 1:253a, lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat tijdens de vorige zitting de ouders zich bereid hebben verklaard mee te werken aan het traject Ouderschap Blijft van iHUB in het kader van het UHA met contact- herstel en omgang tussen de vader en [minderjarige] als doel alsmede ter verbetering van de communicatie en samenwerking tussen de moeder en de vader zodat zij samen afspraken kunnen maken over de zorgregeling.
4.3.
Uit het eindverslag van iHUB van 15 januari 2026 blijkt dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] over het algemeen positief zijn verlopen en dat de vader betrokken is en goed aansluit bij [minderjarige] . Verder blijkt dat de moeder spanning blijft ervaren rondom de overdrachten en terug- houdend blijft ten aanzien van de uitbreiding van de zorgregeling ondanks dat zij ziet dat [minderjarige] plezier ervaart aan het contact met vader. Binnen het traject hebben beide ouders herhaaldelijk psycho-educatie over emotionele toestemming en de impact van ouderlijk gedrag op het welbevinden van [minderjarige] ontvangen. iHUB concludeert dat ten aanzien van de zorgregeling een verschil van inzicht blijft bestaan tussen de ouders.
4.4.
Verder stelt de rechtbank vast dat na de vorige zitting de voorlopige omgangsregeling wisselend is verlopen en onduidelijkheid en discussie is ontstaan tussen de ouders over wat een neutrale locatie is. Dit heeft geleid tot conflicten tussen de ouders bij de overdracht, wat niet in het belang is van [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de moeder nog altijd grote zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten bij vader. Er is sprake geweest van huiselijk geweld van vader jegens haar en zij is nog altijd angstig voor de vader. De vader ontkent de problematiek en geeft aan dat er binnen de relatie met moeder nooit sprake is geweest van fysiek geweld.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat, ondanks dat uit het verslag van iHUB blijkt dat de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] over het algemeen goed zijn verlopen, er wel grote zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader, nu er sterke aanwijzingen zijn dat de vader moeite heeft met zijn agressie-regulatie. Er ligt een veroordeling van de politierechter van 30 september 2025 voor mishandeling van de moeder door de vader en vernieling van haar laptop op 15 augustus 2024. Daarnaast blijkt uit de beschikking van de rechtbank van 8 december 2025 ten aanzien van het andere gezin van de vader dat de ex-partner van vader ook heeft aangegeven dat er sprake was van huiselijk geweld binnen de relatie en hebben deze kinderen verklaringen afgelegd waarin zij aangeven geslagen te zijn door vader. In deze procedure doet de Raad op dit moment onderzoek. De rechtbank vindt het zorgelijk dat de vader deze zorgen ontkent dan wel bagatelliseert. De vader heeft in het verleden weliswaar een training gevolgd op gebied van emotieregulatie, maar deze training is mogelijk niet afdoende geweest en het baart zorgen dat de vader zich nu niet openstelt voor verdere behandeling.
4.6.
Vanwege de genoemde zorgen acht de rechtbank het nodig om nader onderzoek te laten verrichten om een beslissing te kunnen nemen of en zoja welke definitieve zorgregeling in het belang van [minderjarige] is. De Raad heeft aangeboden dit onderzoek te verrichten en tevens de mogelijkheid te willen onderzoeken of het onderzoek ten aanzien van [minderjarige] meegenomen kan worden in het lopende onderzoek ten aanzien van de andere kinderen van de vader, [kind 1] en [kind 2] . In dat geval kan het onderzoek voor [minderjarige] namelijk sneller plaatsvinden.
4.7.
De rechtbank verzoekt de Raad een onderzoek in te stellen om de rechtbank te adviseren waarbij de volgende vragen worden betrokken.
1. Welke zorgregeling is het meest in het belang van [minderjarige] ?
2. Hoe dient de zorgregeling qua vorm en frequentie, in het belang van [minderjarige]
opgebouwd en vorm gegeven te worden?
3. Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet
betrekken?
4.8.
De rechtbank ziet aanleiding gedurende vorenbedoeld onderzoek door de Raad de huidige voorlopige zorgregeling uit te breiden nu partijen het tijdens de mondelinge behandeling hierover eens zijn geworden en deze regeling in het belang van [minderjarige] moet worden beschouwd. De rechtbank zal een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij [minderjarige] eenmaal in de twee weken op zaterdag bij de vader is van 10.00 uur in de ochtend tot 19.00 uur in de avond, op een neutrale plek. De moeder draagt [minderjarige] over aan de vader om 10.00 uur bij [plaats 2] , waarna de vader [minderjarige] om 19.00 uur weer terug brengt naar de moeder. De vader laat uiterlijk twee dagen voor het omgangsmoment aan de moeder weten naar welke neutrale plek hij met [minderjarige] heen gaat. Het huis van oma v.z. wordt ook beschouwd als neutrale plek, mits daar voldoende ouderlijk toezicht aanwezig is en [minderjarige] niet alleen met minderjarigen daar verblijft.
4.9.
De rechtbank zal de verzoeken van partijen ten aanzien van de definitieve zorgregeling aanhouden tot de pro formazitting van 26 oktober 2026, in afwachting van vorenbedoeld raadsonderzoek.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1. bepaalt de
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden de vader [minderjarige] bij zich heeft:
* eenmaal in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, op een neutrale locatie,
waarbij de moeder [minderjarige] om 10.00 uur naar [plaats 2] brengt en de
vader [minderjarige] om 19.00 uur weer terugbrengt bij de moeder;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam advies uit te brengen omtrent de hiervoor in rechtsoverweging 4.7. geformuleerde vragen;
5.3.
bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan
voornoemde Raad zal toezenden;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat de behandeling van de verzoeken van partijen ten aanzien van de definitieve zorgregeling, in afwachting van het raadsrapport,
pro forma wordt voortgezet op 26 oktober 2026en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. A. van Luijck, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).