Uitspraak
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. M.C. Spil te Amsterdam,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J. de Boer te Alkmaar.
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.
1.Het verloop van de procedure
-het eindverslag van iHUB van 15 januari 2026, ingekomen op 15 januari 2026;
Verschenen en gehoord zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad was mevrouw [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] aanwezig.
2. De feiten, de verzoeken en het verweer
2.2. Partijen zijn de ouders van:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.3. De nadere standpunten
De vader en zijn advocaat
4.4. De verdere beoordeling
5.De beslissing
5.1. bepaalt de
voorlopigeverdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden de vader [minderjarige] bij zich heeft:
pro forma wordt voortgezet op 26 oktober 2026en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. A. van Luijck, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker, griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026. [1]