Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3961

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/13/780841 / FA RK 25/9904
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:327 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:334 lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 3 lid 1 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging voogdij pleegouders en overdracht voogdij aan gecertificeerde instelling

De minderjarige woont sinds juni 2014 bij pleegouders, die in 2018 met de voogdij zijn belast. Na het uit elkaar gaan van de pleegouders in 2019 ontstond een verstoorde relatie, waardoor de opvoedomgeving onrustig en onveilig werd. De rechtbank constateert dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door deze situatie.

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de voogdij van de pleegouders te beëindigen en JBRA te belasten met de voogdij. JBRA ondersteunt dit verzoek en is bereid de voogdij op zich te nemen. Pleegvader [pleegouder 2] stemt in met het verzoek, terwijl pleegvader [pleegouder 1] zich verzet en een bijzondere curator wenst.

De rechtbank oordeelt dat de voogdij beëindigd moet worden omdat de pleegouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid binnen een aanvaardbare termijn te dragen. JBRA wordt benoemd tot voogd, waarbij het contactherstel tussen de minderjarige en pleegvader [pleegouder 1] wordt gemonitord. Een bijzondere curator wordt niet benoemd omdat reeds hulpverlening en een kindbehartiger zijn ingezet.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de voogdij van de pleegouders en draagt de voogdij over aan JBRA vanwege bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaakgegevens : C/13/780841 / FA RK 25/9904 (AL/ID)

beschikking van 21 april 2026

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de Raad
tegen

[pleegouder 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de heer [pleegouder 1] , dan wel pleegvader [pleegouder 1] ,
advocaat mr. B.N. Voogd,
en

[pleegouder 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de heer [pleegouder 2] , dan wel pleegvader [pleegouder 2] ,
advocaat mr. M.H. Heeg.
Deze beschikking gaat over de minderjarige

[minderjarige] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
De heer [pleegouder 1] , de heer [pleegouder 2] , [minderjarige] en de gecertificeerde Instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA.
Als informanten worden aangemerkt:
Mevrouw [de moeder] (de moeder) en de heer [de vader] (de vader).

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 22 september 2025, welke beschikking hier als herhaald en
ingelast dient te worden beschouwd;
- het verzoek van de Raad van 17 december 2025 (aangepast op 23 december 2025), ingekomen op
29 december 2025;
- het raadsrapport met bijlagen van 6 januari 2026, ingekomen op 8 januari 2026;
- een verslag met bijlagen van JBRA van 5 maart 2026, ingekomen op 6 maart 2026;
- een verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de heer [pleegouder 1] , ingekomen op
20 maart 2026.
Op 24 maart 2026 heeft de rechtbank de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn: de heer [pleegouder 1] , bijgestaan door zijn advocaat, de heer [pleegouder 2] , bijgestaan door zijn advocaat, mr. S. Akkas, advocaat van de moeder, de vader, bijgestaan door zijn advocaat
mr. M. Amrani, mevrouw [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] namens de Raad en mevrouw [medewerker JBRA] namens JBRA.
De advocaat van de heer [pleegouder 2] heeft een pleitnotitie overgelegd en aan de hand daarvan het woord gevoerd.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter op 23 maart 2026. Tijdens de zitting heeft deze rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.

De feiten

De biologische ouders van [minderjarige] zijn [de vader] , hierna te noemen de vader en [de moeder] , hierna te noemen de moeder.
[minderjarige] woonde vanaf juni 2014 bij de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] .
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 november 2018 zijn de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] met de voogdij over [minderjarige] belast. De pleegouders zijn uit elkaar sinds november 2019. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 april 2024 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de heer [pleegouder 2] zal zijn.
Bij beschikking van 22 september 2025 heeft de rechtbank de pleegouders geschorst in de uitoefening van de voogdij en is JBRA belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .
Er is sinds februari 2025 geen contact meer tussen de heer [pleegouder 1] en [minderjarige] .
[minderjarige] heeft eens per vier weken van 14.00 uur tot 20.00 uur onbegeleide omgang met haar biologische ouders.

Het verzoek

De Raad verzoekt de voogdij van de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] te beëindigen en JBRA te belasten met de voogdij over [minderjarige] tot haar meerderjarigheid.

De standpunten

De Raad
De Raad voert aan dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] omdat er voor [minderjarige] te lange tijd onvoldoende sprake is geweest van een rustige, stabiele en veilige opvoed- omgeving. De grootste zorg betreft de verstoorde verhouding tussen de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] waardoor de aandacht getrokken is naar de problemen die spelen tussen de pleegouders onderling en [minderjarige] hierdoor onvoldoende is toegekomen aan wat voor haar belangrijk is. De Raad ziet dat, nu de voorlopige voogdij sinds 22 september 2025 bij JBRA ligt, de verzorgende pleegouder de heer [pleegouder 2] ontlast wordt, wat hem in staat stelt zijn pleegouderrol te vervullen en te profiteren van de hulp van onder andere pleegzorg. JBRA is de buffer die de onrust tussen de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] opvangt.
De Raad voert verder aan dat de pleegouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor het nemen van de gezagsbeslissingen voor [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen, doordat in de afgelopen periode is gezien dat de onrust tussen de ex-partners (de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] ) nog steeds aanwezig is. De voogdij weer bij (een van) de pleegouders beleggen zou het systeem en de stabiliteit in opvoedomgeving van [minderjarige] weer belasten en vormt een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . De heer [pleegouder 2] lijkt - nu de voorlopige voogdij bij JBRA ligt - in staat [minderjarige] stabiliteit te bieden. Gezien wordt dat hij samen met zijn partner in staat is tot het verzorgen en opvoeden van [minderjarige] en ook de betrokken hulpverleners zijn positief over hem en zijn partner. In het verleden is echter ook gezien dat hij onvoldoende in staat was de spanningen en strijd rondom [minderjarige] haar leefwereld te houden. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje dat al veel heeft meegemaakt en beschermd moet worden. De Raad is van mening dat een lichtere maatregel in de vorm van een ondertoezichtstelling niet helpend is, want dat de strijd dan zal blijven bestaan en de noodzakelijke hulp niet van de grond komt. Binnen de voorlopige voogdij maatregel is gebleken dat de hulp die jarenlang getraineerd en niet van de grond is gekomen eindelijk kon starten en de focus op [minderjarige] kon hebben en houden. Daarbij geeft de Raad aan dat de volwassenproblematiek de afgelopen jaren zodanig op de voorgrond heeft gestaan dat [minderjarige] niet toe kon komen aan haar eigen ontwikkeltaken. Het is de pleegouders niet gelukt hun eigen strijd te beëindigen en hun aandacht op [minderjarige] te richten.
De Raad acht het in het belang van [minderjarige] dat JBRA belast wordt met de voogdij. In de afgelopen periode is gebleken dat JBRA hulp heeft ingezet en regelmatig afstemmingsoverleggen heeft met de hulpverlening over [minderjarige] . JBRA is de afgelopen jaren mogelijk de enige stabiele partij geweest voor [minderjarige] . Er is vertrouwen in JBRA bij de de heer [pleegouder 2] en zijn partner en zij hebben een redelijke verstandhouding met de ouders.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad het verzoek gehandhaafd onder verwijzing naar het inleidend verzoekschrift met bijlagen. De Raad geeft aan dat [minderjarige] niet lijkt te veranderen in haar wens om geen contact te hebben met pleegvader [pleegouder 1] . De Raad vraagt zich af hoe dit zo gekomen is en waarom ze de stap richting contact met hem niet kan maken, wat een punt van aandacht moet blijven zijn.
JBRA
JBRA ondersteunt het verzoek van de Raad en is bereid de voogdij van [minderjarige] op zich te nemen. JBRA voert aan dat [minderjarige] op dit moment weer halve dagen naar school gaat en dat zij vooral een normaal meisje wil zijn. Veel volwassenen hebben aan haar getrokken in de afgelopen jaren en volwassenzaken met haar besproken. Dat moet stoppen. [minderjarige] heeft het recht om rust te krijgen in haar leven en toe te komen aan haar eigen ontwikkelingstaken. [minderjarige] hoort en ervaart nu dat ze niets hoeft en heeft nu eindelijk rust in haar leven. Eerder zijn er gesprekken geweest over het contact tussen [minderjarige] en pleegvader [pleegouder 1] maar dit heeft tot nu toe niet geleid tot herstel van het contact. JBRA is van mening dat gedwongen contactherstel met [pleegouder 1] op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Verder heeft JBRA een verslag overgelegd aan de rechtbank ten aanzien van een mogelijke verhuizing van de heer [pleegouder 2] met [minderjarige] naar [plaats 1] . JBRA geeft daar - na afweging - een positief advies voor mits er contact tussen [minderjarige] met haar biologische ouders blijft bestaan en mogelijk - als het contact is hersteld – ook met de heer [pleegouder 1] . Desgevraagd geeft JBRA aan niet achter de benoeming van een bijzondere curator te staan voor [minderjarige] zoals is verzocht door de heer [pleegouder 1] nu er al veel aan [minderjarige] getrokken is en inmiddels hulpverlening voor [minderjarige] is ingezet.
De heer [pleegouder 2] en zijn advocaat
De heer [pleegouder 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij kan instemmen met het verzoek van de Raad om JBRA met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Hij heeft de afgelopen maanden als positief ervaren en is blij met de hulpverlening die inmiddels is ingezet. De hulpverleningstrajecten van [hulpcentrum 1] en [hulpcentrum 2] lopen en hij zelf profiteert van de pleegzorgbegeleiding die hij nu twee keer per week krijgt. Met [minderjarige] gaat het goed. Zij gaat weer naar school en vapet/rookt niet meer. Zij heeft goed contact met haar klasgenoten en heeft stappen gezet in haar ontwikkeling. De heer [pleegouder 2] en [minderjarige] ervaren nu rust en er zijn geen discussies en dagelijkse e-mailberichten meer van de heer [pleegouder 1] . Er is voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium gezien de aanhoudende strijd en lange duur van het niet kunnen opzetten van de hulpverlening. Er zijn diverse trajecten door [pleegouder 2] en [pleegouder 1] gevolgd om hun onderlinge communicatie te verbeteren, waaronder mediation, systeemtherapie, gesprekken bij Levvel en bij Arkin. Dat heeft niet geleid tot een verbetering van de situatie/communicatie. De heer [pleegouder 2] geeft aan dat [minderjarige] nu op een leeftijd is waarop nog stappen genomen kunnen worden om het voor haar beter te maken. De maatregel is ook proportioneel en er is ook voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Altijd heeft de strijd voorop gestaan waardoor de hulpverlening niet of onvoldoende van de grond kwam. De Raad heeft gedegen onderzoek gedaan en er zijn wel degelijk betrouwbare informanten gehoord. De heer [pleegouder 2] verzoekt de rechtbank het verzoek toe te wijzen, subsidiair om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] nu [minderjarige] bij hem woont, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem is bepaald en hij de dagelijkse zorg heeft over [minderjarige] . Verder ziet de heer [pleegouder 2] geen meerwaarde in de benoeming van een bijzondere curator ten aanzien van [minderjarige] nu dit belastend is voor [minderjarige] en zij al veel hulpverleners ziet.
De heer [pleegouder 1] en zijn advocaat
De heer [pleegouder 1] heeft zich verweerd tegen het verzoek van de Raad de voogdij te beëindigen en de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen en de schorsing van de voogdij op te heffen. Bij zelfstandig verzoek verzoekt de heer [pleegouder 1] om het verzoek tot beëindiging van de voogdij aan te houden en een bijzondere curator over [minderjarige] te benoemen teneinde haar belang(en) waar te nemen en haar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
Verder maakt de heer [pleegouder 1] bezwaar tegen het in de pleitnotitie van de advocaat van de heer [pleegouder 2] gedane verzoek om de heer [pleegouder 2] te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en verzoekt hij de rechtbank dit verzoek niet in behandeling te nemen nu dit verzoek te laat is gedaan en hij hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschonden.
De heer [pleegouder 1] voert aan dat het rapport van de Raad onzorgvuldig tot stand is gekomen en gebaseerd is op aannames en eenzijdige berichtgeving. In het hele rapport wordt de suggestie gewekt dat hij de hulpverlening blokkeert, onrust veroorzaakt en handelt in strijd met de belangen van [minderjarige] terwijl dit veel genuanceerder ligt. Hij heeft zelf contact opgenomen in december 2024 met [hulpcentrum 2] om de behandeling voor [minderjarige] te organiseren. Ook heeft hij als eerste contact opgenomen met de hulpverlening en de politie na de openbaarmaking over het seksueel misbruik van [minderjarige] door [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] . Het klopt niet dat hij het misbruik van [minderjarige] door [medewerker Raad voor de Kinderbescherming] zou ontkennen of dat hij [minderjarige] daarin niet gesteund zou hebben. Wel klopt het dat hij enkele grensoverschrijdende uitlatingen heeft gedaan naar de hulpverlening die onaanvaardbaar waren. Dit maakt hem echter niet gelijk ongeschikt als voogd. De heer [pleegouder 1] geeft aan dat hij het grootste deel van het leven van [minderjarige] voor haar gezorgd heeft en dat hij een sterke band met haar heeft opgebouwd. Een minder verstrekkende maatregel kan worden ingezet in de vorm van een ondertoezichtstelling, zodat de voogdij niet beëindigd hoeft te worden. Als het verzoek van de Raad wordt toegewezen zal er ook feitelijk uitvoering worden gegeven aan een verhuizing van pleegvader [pleegouder 2] met [minderjarige] naar [plaats 1] , terwijl eerder de rechtbank het verzoek tot verhuizing bij beschikking in 25 april 2024 heeft afgewezen. Een verhuizing van [minderjarige] zal betekenen dat het contact tussen hem en [minderjarige] niet hersteld zal worden, wat niet wenselijk en in het belang van haar is. [minderjarige] is geworteld in [geboorteplaats 1] en is daar geboren en getogen. De heer [pleegouder 1] voert aan dat er in feite al jarenlang sprake is van ouderverstoting van hem door de heer [pleegouder 2] en dat hij nu ook door de hulpverlenings- instanties wordt verstoten. Desgevraagd geeft de heer [pleegouder 1] aan het contact tussen hem en [minderjarige] niet af te willen dwingen. Wel is een bijzondere curator noodzakelijk om de stem van [minderjarige] in en buiten rechte te laten vertegenwoordigen en om zicht te houden op haar belangen.
De vader en zijn advocaat
De vader deelt de zorgen over [minderjarige] en wenst dat [minderjarige] weer bij hem thuis kan komen wonen. Sinds [minderjarige] bij het pleeggezin is geplaatst gaat het slecht met haar. De vader heeft altijd open gestaan voor een gesprek en om betrokken te worden bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , maar hij is overal buiten gehouden. De vader wenst een rol te blijven spelen in het leven van [minderjarige] . Op dit moment ziet hij [minderjarige] bijna elke dag als zij na schooltijd bij hem langs komt. De vader vindt een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] geen goed plan omdat [minderjarige] dan uit haar vertrouwde omgeving wordt gehaald. [minderjarige] heeft in [plaats 2] haar school, een bijbaantje, vrienden en haar hulpverlening. De vader staat niet afwijzend tegen de benoeming van een bijzondere curator voor [minderjarige] die haar ter zijde kan staan en de belangen van [minderjarige] kan vertegenwoordigen. Ten aanzien van het verzoek van de Raad over de voogdij refereert de vader zich naar het oordeel van de rechtbank.
De advocaat van de moeder
De advocaat geeft aan dat de moeder akkoord kan gaan met inwilliging van het verzoek en dat JBRA wordt belast met de voogdij over [minderjarige] . De moeder ziet [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten maar ook vaak tussendoor. De moeder hoopt dat dit contact behouden blijft als het toch tot een verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 1] zal komen. Daarnaast wenst de moeder dat zij blijvend op de hoogte zal worden gehouden over belangrijke zaken [minderjarige] aangaande.
[minderjarige]
heeft in het gesprek met de kinderrechter verklaard dat het goed met haar gaat, ook op school, en dat zij therapie krijgt van [hulpcentrum 2] en van [hulpcentrum 1] . Daarnaast heeft ze een kindbehartiger. Ze kan ermee instemmen dat JBRA belast wordt met de voogdij over haar en zou het leuk vinden om te verhuizen naar [plaats 1] . Zij wil dan haar biologische ouders blijven zien, wellicht zelfs met een overnachting. Met pleegvader [pleegouder 1] wenst zij nu geen contact, omdat het eerdere contact niet fijn was.

De beoordeling

Beëindiging voogdij
Op grond van artikel 1:327 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
Artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) stelt zware eisen aan inmenging in het gezinsleven. Het EVRM vereist dat ingrijpen noodzakelijk is en dat moet worden gekozen voor een zo licht mogelijke maatregel waarmee het doel kan worden bereikt (proportionaliteit). Inmenging moet bovendien in redelijke verhouding staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit). In artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is, kort gezegd, bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het verzoek van de Raad deze vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en het belang van het kind betrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Raad het verzoek voldoende onderbouwd en komt dit verzoek voor toewijzing in aanmerking. Uit de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje van 13 jaar oud, bij wie sprake is van hechtings- en loyaliteitsproblematiek, trauma en zelfbepalend en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Vanwege grote zorgen over de opvoed- en thuissituatie bij haar biologische ouders is zij uit huis geplaatst en heeft zij vanaf juni 2014 in het pleeggezin van de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] gewoond. Sinds november 2019, na beëindiging van de relatie tussen de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] , woont zij bij de heer [pleegouder 2] .
De rechtbank stelt vast dat er in het leven van [minderjarige] gedurende lange tijd onrust, instabiliteit en onveiligheid is geweest in haar opvoedomgeving. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat ondanks de liefde en betrokkenheid van de pleegouders [pleegouder 2] en [pleegouder 1] , die het beste met [minderjarige] voor hebben, het hen niet is gelukt hun onderling verstoorde verhouding en communicatie als ex-partners te beëindigen. Hierdoor is de aandacht getrokken naar de problemen die spelen tussen de pleegouders onderling en is [minderjarige] - wier grootste wens is om een normaal kind te zijn - onvoldoende toegekomen aan haar eigen ontwikkeling en is de voor [minderjarige] noodzakelijk hulpverlening niet van de grond gekomen. Vanwege de onrust en het niet op gang komen van de hulp voor [minderjarige] heeft de rechtbank op 22 september 2025 de pleegouders geschorst in de uitoefening in de voogdij over [minderjarige] en JBRA belast met de voorlopige voogdij.
Uit het raadsrapport blijkt dat, sinds JBRA met de voorlopige voogdij is belast, de verzorgende pleegouder - de heer [pleegouder 2] - ontlast wordt, wat hem in staat stelt zijn pleegouderrol te vervullen en te profiteren van de pleegzorgbegeleiding. [minderjarige] heeft meer rust gekregen en geen last meer van de strijd waar zij zo lang tussen heeft gestaan en waardoor zij klem kwam te zitten tussen haar pleegouders. Ook is de voor [minderjarige] noodzakelijk hulp/therapie ingezet, van [hulpcentrum 2] en [hulpcentrum 1] . Binnen de hulpverlening komen de ontwikkel- en hulpvragen van [minderjarige] aan bod, alsook haar relatie met haar ouders.
De rechtbank is - met de Raad - van oordeel dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit nu de zorgen al gedurende langere tijd spelen en een minder ingrijpende maatregel, in de vorm van een ondertoezichtstelling, de strijd tussen de pleegouders, de patronen en zorgen niet zal doen afnemen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare periode. De onderlinge strijd tussen de heer [pleegouder 2] en de heer [pleegouder 1] - zoals ook gebleken is tijdens de mondelinge behandeling - is al jaren gaande en eerder ingezette hulpverlening om de onderling verstandhouding en communicatie tussen de pleegouders te verbeteren, onder andere door middel van mediation en systeemtherapie, is onvoldoende toereikend gebleken om de zorgen te doen afnemen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:327, aanhef en sub a BW is voldaan. De door de Raad verzochte maatregel is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om de bedreigingen in haar ontwikkeling weg te kunnen nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen en de voogdij van de heer [pleegouder 1] en de heer [pleegouder 2] beëindigen.
Omdat de beëindiging van de voogdij van de pleegouders, de heer [pleegouder 2] en de heer [pleegouder 1] , ertoe leidt dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, zal de rechtbank op grond van artikel 1:334, eerste lid, BW een voogd over haar benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. JBRA is al langere tijd betrokken bij [minderjarige] , kent haar geschiedenis en is een stabiele factor in haar leven. Daarnaast is JBRA sinds 22 september 2025 met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast en heeft JBRA hulpverlening ingezet. Ook is er vertrouwen in JBRA bij de verzorgende pleegouder [pleegouder 2] .
Dat JBRA zich achter een verhuizing van de heer [pleegouder 2] met [minderjarige] naar [plaats 1] schaart, maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat een verhuizing van [minderjarige] niet in haar belang zou zijn, maar inmiddels is de situatie veranderd wat maakt dat JBRA een nieuwe inschatting kan maken en de verhuizing wel in haar belang kan achten.
JBRA heeft zich middels een schriftelijke verklaring van 18 december 2025 bereid verklaard de voogdij van [minderjarige] op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat JBRA moet worden belast met de voogdij over [minderjarige] .
De rechtbank acht het hierbij van groot belang dat JBRA zicht blijft houden op het contactherstel tussen [minderjarige] en de heer [pleegouder 1] en wat daarvoor nodig is, blijft toezien op de omgang tussen de (biologische) ouders en [minderjarige] , als ook dat de op dit moment ingezette pleegzorgbegeleiding en hulpverlening van [hulpcentrum 2] en [hulpcentrum 1] wordt gecontinueerd en gegarandeerd.
Bijzondere curator
De rechtbank ziet geen aanleiding tot benoeming van een bijzondere curator ten aanzien van [minderjarige] nu hulpverlening is ingezet (waaronder een kindbehartiger) en zij al meerdere hulpverleners spreekt.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Brief aan [minderjarige]
De rechtbank heeft [minderjarige] per aparte brief geïnformeerd over deze beslissing. Een kopie van deze brief is aan deze beschikking gehecht.

De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt de voogdij van:
[pleegouder 2], geboren te [geboorteplaats 2] , Suriname, op [geboortedag 2] 1972, wonende te
[woonplaats 1] en
[pleegouder 1], geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 1967, wonende te [woonplaats 1] ,
over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op
[geboortedag 1] 2012;
- benoemt tot voogd over voornoemde minderjarige [minderjarige] :

Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam;

- draagt de griffier op aantekening van deze beslissing te laten opnemen in het gezagsregister;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. A. van Luijck, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.P.M. Dijkstra, griffier, op 21 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).