Eiser heeft een vergunning aangevraagd om als straatartiest op te treden met een cirkelshow, inclusief het gebruik van versterkte muziek en een langere optredensduur dan toegestaan. De vergunning werd van rechtswege verleend nadat verweerder niet binnen de beslistermijn had beslist. Verweerder stelde standaardvoorwaarden uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) aan de vergunning, waaronder beperkingen op de duur van het optreden en het gebruik van geluidsversterking.
Eiser betoogde dat de vergunning conform de aanvraag had moeten worden verleend en dat het gebruik van een spraakversterker al gedoogd werd, waardoor vergunning niet nodig was. De rechtbank oordeelde dat een van rechtswege verleende vergunning niet automatisch conform de aanvraag is en dat de standaardvoorwaarden uit de APV terecht aan de vergunning zijn verbonden. Het eerdere gedoogbeleid is inmiddels vervallen.
Daarnaast stelde eiser beroep niet-tijdig in tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, maar kende wel een proceskostenvergoeding toe vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Verweerder is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de dwangsom en de proceskostenvergoeding. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond verklaard.