Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3931

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
777937 HA ZA 25-1656
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RvArt. 1022 RvArt. 223 RvArt. 224 RvArt. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens arbitragebeding in investeringsgeschil

In deze civiele bodemzaak vordert eiser, een investeringsmaatschappij uit Saoedi-Arabië, terugbetaling van circa $3 miljoen die zij aan gedaagde, een Nederlandse houdstermaatschappij, heeft betaald. De betalingen zouden volgens eiser een niet op schrift gestelde lening betreffen, terwijl gedaagde stelt dat deze betalingen verband houden met een Series B Share Subscription Agreement (SSA) waarin een arbitragebeding is opgenomen.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve haar rechtsmacht en concludeert dat het geschil verband houdt met de SSA en daarmee onder het arbitragebeding valt. Hierdoor verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. De subsidiaire vorderingen behoeven geen behandeling.

Daarnaast vordert gedaagde medewerking aan opheffing van beslag, maar de rechtbank wijst dit af omdat geen concrete opheffingsgrond is gesteld. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, begroot op €11.790,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van eiser wegens arbitragebeding en wijst de vordering tot opheffing van beslag af.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777937 / HA ZA 25-1656
Vonnis in incident van 22 april 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] (Saoedi-Arabië),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Deckers,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.P. Wijers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 1022 Rv Pro tevens subsidiaire vordering tot het stellen van zekerheid ex artikel 224 Rv Pro tevens houdende incidentele vordering ex artikel 223 Rv Pro, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan de zittingsaantekeningen zich in het dossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een investeringsmaatschappij, gevestigd in Saoedi-Arabië.
2.2.
[gedaagde] vervult de functie van houdstermaatschappij binnen de groep van vennootschappen die samen de [gedaagde] -groep vormen. De [gedaagde] -groep verricht werkzaamheden binnen de logistieke sector in Egypte, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië.
2.3.
Op 20 februari 2024 hebben partijen een overeenkomst (de share purchase agreement, hierna: de SPA) gesloten, waarin is afgesproken dat [eiser] een dochtervennootschap overdraagt aan [gedaagde] in ruil voor aandelen in [gedaagde] . In de SPA staat het volgende:
“(…)
18.2
Any and all disputes arising from or in connection with this Agreement, or further contracts resulting there from, shall be submitted to the exclusive jurisdiction of the competent court in Amsterdam, the Netherlands.
(…)”
2.4.
Partijen hebben uitvoering gegeven aan de SPA. [eiser] houdt nu 13,75% van de aandelen in [gedaagde] .
2.5.
Op 23 februari 2024 hebben partijen een overeenkomst (de Series B Share Subscription Agreement, hierna: de SSA) gesloten, waarin is afgesproken dat [eiser] een bedrag van $ 5.000.007,19 zou investeren in [gedaagde] in ruil voor preferente “Series-B” aandelen in [gedaagde] . In de SSA staat onder andere het volgende:
“(…)
10.2
The Parties shall attempt to settle any dispute or controversy arising out of or relating to this Agreement or any related agreement, or the breach, termination or invalidity hereof and thereof (each aDispute) through consultation and negotiation in good faith and in the spirit of mutual cooperation.
10.3
The Parties agree that any Dispute which cannot be amicably resolved within 30 (thirty) calendar days from the date on which such Dispute was brought to the
attention of the relevant disputing Parties, shall be exclusively and finally settled under the Rules of Conciliation and Arbitration of the lnternational Chamber of Commerce (theICC), by three arbitrators, of which one arbitrator shall be nominated by the claimant(s), one arbitrator shall be nominated by the respondent(s) and the third arbitrator shall be jointly nominated by the two party-appointed arbitrators (or, if they are unable to agree on such appointment within ten (10) days, by the [functie] of the ICC). The language of the arbitration shall be English and the place of arbitration shall be Amsterdam, the Netherlands.
(…)”
2.6.
Op 4 april 2024 heeft [gedaagde] een e-mail ontvangen van de voormalig bestuurder van de ingebrachte dochtervennootschap waarin het volgende staat:
“(…)
I am writing to inform you that the first deposit of our investment in Series B, (5 million USD) from [eiser] co. , is ready. We have prepared 400,000 USD for the initial transfer.
Could you please provide us with the details of the banks where we should initiate the transfer?
(…)”
2.7.
In totaal heeft [eiser] acht betalingen gedaan naar [gedaagde] :
Datum
Bedrag in SAR
Bedrag in USD (ongeveer)
Omschrijving
4 april 2024
1.500.000
400
Investment
4 april 2024
100
26
4 april 2024
99.9
26.64
28 april 2024
650
173.333
Investment
16 mei 2024
750
200
Investment
25 september 2024
1.000.000
266.667
Investment installment in [gedaagde]
5 november 2024
5.000.000
1.333.333
Investment
31 december 2024
2.500.000
666.667
Investment
2.8.
Op 14 mei 2025 heeft de advocaat van [eiser] in een brief aan [gedaagde] het volgende geschreven:
“(…) Tijdens dit gesprek heeft de heer [naam 1] [rb: bestuurder van [gedaagde] ] bevestigd dat er definitief een nieuwe investeringsronde voor [gedaagde] op de planning staat, ter waarde van ongeveer USD 8 miljoen. Dit zou kunnen leiden tot een verwatering van de aandelen van mijn cliënte met 60%. (…) Het is onaanvaardbaar dat deze informatie pas nu bekend wordt bij cliënte (…)Deze ontwikkeling is des te zorgwekkender in het licht van de onderstaande omstandigheden. De toelichting (…) – dat cliënte niet is geïnformeerd over de voorgenomen investeringsronde en niet bij het proces is betrokken omdat zij geen ‘preferred shares
’ zou bezitten – kan, juist gelet op diezelfde omstandigheden, ook niet als afdoende worden beschouwd. Zoals hieronder nader toegelicht, had [gedaagde] reeds Series B-aandelen aan cliënte moeten uitgeven. (…)
Cliënte heeft onder de Series B Share Subscription Agreement (…) reeds een bedrag van EUR 3 miljoen voldaan, met een aanvullende verplichting tot nog eens EUR 2 miljoen. Zoals overeengekomen (…) diende het bedrag van EUR 3 miljoen door [gedaagde] bij een notaris te worden geparkeerd en pas in de groep te worden geïnvesteerd ná uitgifte van Series B-aandelen aan cliënte.
Op verzoek van [gedaagde] is van deze route afgeweken. Het bedrag is rechtstreeks overgemaakt aan een groepsvennootschap en vermoedelijk direct geïnvesteerd in de onderneming. Tot op heden zijn echter geen Series B-aandelen aan cliënte uitgegeven. Dit roept de dringende vraag op waarom cliënte nog altijd geen Series B-aandelen heeft ontvangen naar rato van de reeds betaalde EUR 3 miljoen, terwijl deze betaling onmiskenbaar is gedaan ter uitvoering van de Agreement, en [gedaagde] het bedrag ook als zodanig heeft behandeld door het direct aan te wenden binnen de groep.
Daarbij hebben partijen zich feitelijk gedragen alsof de Agreement is uitgevoerd:

cliënte heeft EUR 3 miljoen betaald;

[gedaagde] heeft het bedrag geaccepteerd en bij een groepsvennootschap besteed; en

de heer [naam 2] is feitelijk erkend als commissaris op voordracht van cliënte, conform artikel 4.1(d) van de SHA.
(…)”
2.9.
Partijen hebben met elkaar gesproken over de toekomst van de samenwerking en de mogelijkheid om tot een gezamenlijke oplossing te komen. Dit is niet gelukt. [eiser] heeft uiteindelijk op 8 juli 2025 [gedaagde] gesommeerd om het in totaal door [eiser] betaalde bedrag van iets meer dan $ 3.000.000 terug te betalen. [eiser] heeft hierover het volgende geschreven:
“(…)
Daaruit volgt, kort samengevat, dat [gedaagde] het door cliënte betaalde bedrag van circa USD 3 miljoen kennelijk niet (langer) aanmerkt als een prestatie verricht op grond van de Series B Share Subscription Agreement. Daarmee ontbreekt een geldige rechtsgrond voor deze betaling. Het bedrag dient derhalve te worden gekwalificeerd als een lening, dan wel als een vorm van kapitaalverschaffing buiten contractuele kaders. [gedaagde] is op die grond gehouden het bedrag onverwijld aan cliënte terug te betalen. (…)”

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt tot
terugbetaling van $ 3.040.000 binnen een termijn van vijf werkdagen na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 50.000 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft en
betaling van de kosten en nakosten van de procedure.
3.2.
[eiser] heeft gesteld dat zij de betalingen (zie 2.7) aan [gedaagde] uit hoofde van een geldlening heeft verricht. Partijen waren al aan elkaar verbonden door de SSA, maar [gedaagde] kwam in geldnood en zodoende heeft [eiser] de betalingen gedaan om [gedaagde] te helpen. Hoewel [eiser] zich had gecommitteerd om een bedrag van $ 5.000.000 te investeren in [gedaagde] in ruil voor de uitgifte van preferente (Series-B) aandelen, heeft [gedaagde] de betalingen van [eiser] niet als zodanig behandeld. Zij heeft het bedrag niet
in escrowgeplaatst, maar direct aangewend. Ook heeft zij niet naar rato preferente (Series-B) aandelen uitgegeven. Nu [gedaagde] de betalingen zelf niet heeft aangemerkt als investering conform de SSA, kunnen de betalingen niet anders worden geduid dan als een niet op schrift gestelde geldlening. Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat sprake is van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW Pro.
3.3.
[gedaagde] heeft voor alle weren verschillende incidentele vorderingen ingesteld.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis
primair: zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen in deze procedure,
subsidiair, indien de rechtbank zich bevoegd verklaart: [eiser] te veroordelen tot zekerheidsstelling voor [gedaagde] ’s proceskosten, begroot conform het liquidatietarief,
primair en subsidiair: [eiser] te gebieden om alle medewerking te verlenen aan de opheffing van de ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen op straffe van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat [eiser] na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft,
primair en subsidiair: [eiser] veroordeelt in de kosten en nakosten van het geding.
4.2.
[eiser] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen in het incident met veroordeling van [gedaagde] in de kosten, nakosten daaronder begrepen.

5.De beoordeling in het incident

Rechtsmacht
5.1.
Omdat [eiser] gevestigd is in Saoedi-Arabië heeft dit geschil een internationaal aspect. De rechtbank zal daarom eerst ambtshalve moeten beoordelen of zij bevoegd is om van de vorderingen in de hoofdzaak van [eiser] en de incidentele vorderingen van [gedaagde] kennis te nemen. In artikel 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde partij in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfsplaats heeft. [gedaagde] is gevestigd in Nederland en dus is de Nederlandse rechter bevoegd, voor zover in het incident niet anders wordt bepaald (aangezien het hier gaat om een exceptie van onbevoegdheid in verband met een arbitragebeding).
Arbitrage
5.2.
[gedaagde] heeft aan haar primaire incidentele vordering ten grondslag gelegd dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren omdat partijen arbitrage zijn overeengekomen in de SSA. Het geschil waar het in de hoofdzaak over gaat, valt volgens [gedaagde] onder het arbitragebeding. De grondslag voor de betalingen die [eiser] aan [gedaagde] heeft gedaan is de SSA. In het arbitragebeding in de SSA staat dat
“any dispute or controversy arising out of or relating to this Agreement or any related agreement, or the breach, termination or invalidity”aan arbitrage is onderworpen. Dit geschil tussen partijen valt daar ook onder waardoor de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren, aldus [gedaagde] .
5.3.
[eiser] heeft erkend dat zij de SSA heeft gesloten met [gedaagde] en dat daarin een arbitragebeding staat. Echter, de betalingen die aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag liggen (zie 2.7) hebben niets met die overeenkomst te maken en het arbitragebeding is dus niet van toepassing. Volgens [eiser] zijn de betalingen gedaan in het kader van een noodfinanciering vanwege geldnood zijdens [gedaagde] . Daarnaast zou [eiser] hebben geholpen met een “short term loan”, die inmiddels is terugbetaald. Er zijn dus vier lijntjes tussen partijen, aldus [eiser] : de reeds uitgevoerde SPA, de SSA, de noodfinanciering waarvan nu terugbetaling wordt gevorderd in de hoofdzaak en de reeds terugbetaalde “short term loan”. [gedaagde] heeft de betalingen zelf ook niet behandeld als ware die uit hoofde van de SSA zijn gedaan, dus een connectie met de SSA en het arbitragebeding is er niet. Aldus steeds [eiser] .
5.4.
Voor de competentie van de gewone rechter in verhouding tot arbitrage zijn niet slechts de stellingen van de eisende partij bepalend. Ook de stellingen van de verwerende partij die zich op de overeenkomst tot arbitrage beroept worden meegenomen in de beoordeling. De omstandigheden die in het kader van deze incidentele vordering van belang zijn, luiden als volgt. De essentie van de SSA is dat [eiser] preferente “Series-B” aandelen ontvangt in ruil voor een investering in [gedaagde] van $ 5.000.000. De omschrijvingen bij de betalingen die door [eiser] zijn gedaan, die optellen tot een bedrag van iets meer dan $ 3.000.000, bevatten een aantal keer het woord “investment” en eenmalig “investment installment in [gedaagde]” (zie 2.7). De eerste betaling is ook gepaard gegaan met een e-mail waarin specifiek verwezen wordt naar de Series B aandelen die [gedaagde] zou uitgeven na de investering van [eiser] , conform de SSA (zie 2.6). Die omschrijvingen bij de betalingen wijzen in de richting van de SSA. Het woord lening ontbreekt, in ieder geval tot de brief van 8 juli 2025 van [eiser] (zie 2.9). Dat de betalingen zijn gedaan in het kader van de afspraken die partijen in de SSA hebben gemaakt blijkt verder uit de brief aan [gedaagde] van 14 mei 2025 van de zijde van [eiser] . Daarin staat dat er tot op heden geen Series-B aandelen zijn uitgegeven, terwijl de betaling van 3 miljoen onmiskenbaar is gedaan ter uitvoering van de SSA en [gedaagde] het bedrag ook als zodanig heeft behandeld door het direct aan te wenden binnen de groep. Dat [eiser] in deze procedure het tegenovergestelde betoogt, namelijk dat de betalingen volgen uit een niet op schrift gestelde leningsovereenkomst omdat [gedaagde] de betalingen heeft aangewend en niet
in escrowheeft geplaatst, niet naar rato aandelen heeft uitgegeven en geen arbitrage is gestart voor de nakoming van de SSA, maakt het feitencomplex niet anders. Alle omstandigheden rondom de betalingen van [eiser] aan [gedaagde] die [eiser] in deze procedure terugvordert, wijzen op een connectie met de SSA.
5.5.
Nu is komen vast te staan dat de betalingen van [eiser] te maken hebben met de SSA, is het arbitragebeding van toepassing. Arbitrage is immers overeengekomen voor ieder geschil dat verband houdt met de SSA. Dat heeft [eiser] niet betwist.
5.6.
[eiser] heeft nog wel betoogd dat het feit dat de SPA, de andere overeenkomst tussen partijen, ook een geschillenregeling bevat, betekent dat de twee geschillenregelingen beperkt moeten worden uitgelegd om eventuele overlap te voorkomen. Dat leidt ertoe, volgens haar, dat alleen geschillen die
directvoortvloeien uit de betreffende overeenkomsten onder de geschillenregelingen vallen. En omdat dit geschil volgens [eiser] niet rechtstreeks verband houdt met de SSA, valt het daarmee niet onder de arbitrageregeling. Die stelling gaat niet op. Het huidige geschil houdt rechtsreeks verband met de SSA en van enige overlap met de SPA is niet gebleken.
5.7.
De conclusie is dat de primaire incidentele vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen en dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] op [gedaagde] .
5.8.
Het voorgaande betekent dat de subsidiaire vordering geen behandeling behoeft.
Beslag
5.9.
Verder heeft [gedaagde] in het incident gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot medewerking aan opheffing van het beslag. Zij heeft betoogd dat als de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen, er geen sprake meer is van een procedure waarin de gegrondheid en omvang van [eiser] ’ vorderingen getoetst worden. Dat betekent dat de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld en het beslag dan van rechtswege vervalt, aldus [gedaagde] . [gedaagde] verwacht echter dat [eiser] niet vrijwillig zal meewerken aan de opheffing van het conservatoire beslag en zodoende heeft zij de rechtbank verzocht [eiser] te veroordelen tot medewerking.
5.10.
[eiser] heeft betoogd dat [gedaagde] geen belang heeft bij deze vordering. Niet is gebleken dat zij zou weigeren mee te werken aan de opheffing van het beslag indien daartoe een geldige reden bestaat.
5.11.
Het beslag vervalt van rechtswege als dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Ook kan het worden opgeheven (zie artikel 705 Rv Pro), maar [gedaagde] heeft niet uitgelegd dat en zo ja, welke opheffingsgrond zich hier voordoet. [gedaagde] vreest voor gedoe, maar dat is niet voldoende en bovendien te vaag om te kunnen spreken van een opheffingsgrond.
Proceskosten in het incident en in de hoofdzaak
5.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in het incident worden begroot op € 1.306,00 (2 punten x tarief II € 653,00) aan salaris gemachtigde en in de hoofdzaak op het door [gedaagde] betaalde griffierecht van € 10.188,00. Aan nakosten is [eiser] in totaal (voor het incident en de hoofdzaak samen) € 296,00 verschuldigd, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. In totaal gaat het dus om € 11.790,00.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring toe,
in de hoofdzaak
6.2.
verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] op [gedaagde] ,
in de hoofdzaak en in het incident
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 11.790,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis, rechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.