De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen een verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De procedure startte op 27 januari 2026, waarbij de verdachte werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn en de gevangenhouding meerdere malen om de zaak zorgvuldig te kunnen behandelen.
In een tussenuitspraak van 10 februari 2026 werden reeds de grondslag van het EAB, de strafbaarheid van de feiten en mogelijke weigeringsgronden besproken. De rechtbank besloot het onderzoek te schorsen om gelijktijdige behandeling met een gerelateerde zaak mogelijk te maken. Op 12 maart 2026 vond een voortzetting van de behandeling plaats, waarbij de identiteit en nationaliteit van de verdachte werden bevestigd.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet, dat er geen weigeringsgronden aanwezig waren en dat er geen omstandigheden waren die de overlevering zouden verhinderen. Op 26 maart 2026 werd de overlevering van de verdachte aan Polen toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.