8.3.Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan afpersing door bedreiging met geweld. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij de beslissing heeft genomen om deel te nemen aan dit feit. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Het slachtoffer moet zich behoorlijk geïntimideerd hebben gevoeld. Dat blijkt ook uit zijn aangifte. Daarnaast wakkeren dergelijke feiten, gepleegd in het openbaar, gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte op 7 maart 2025 door de kinderrechter onherroepelijk is veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie in verband met mishandeling, overtreding van de leerplichtwet, afpersing en belediging.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad van 3 maart 2026, dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is opgemaakt, inhoudende een GBM-advies. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de evaluatie van JBRA van 4 maart 2026, inhoudende het voorgestelde plan van aanpak ten behoeve van een GBM.
Uit het rapport van de Raad blijkt – kort samengevat – dat de problemen van de verdachte met het hanteren van zijn boosheid en zijn gebrekkige motivatie om mee te werken aan interventies het recidiverisico vergroten op toekomstig gewelddadig gedrag. De recidivekans wordt matig tot hoog ingeschat zonder intensief toezicht, structuur, begeleiding en behandeling. De verdachte is daarnaast gebaat bij behandeling om traumatische gebeurtenissen te verwerken en zijn identiteit te versterken. Een combinatie van lichaamsgerichte therapie en inzichtgevende therapie door middel van gesprekken kan de verdachte helpen zijn emoties beter te reguleren. Het risico bestaat dat bij enkel gesprekken de verdachte te veel overspoeld raakt en hierdoor afhaakt. Daarnaast is het in het kader van terugvalpreventie van belang dat met de verdachte een delictanalyse wordt gemaakt. Wel gaat het sinds de negatieve terugmelding door de jeugdreclassering in september 2025 op verschillende gebieden beter met de verdachte. Het verblijf bij [zorg instelling] verloopt positief en hij houdt zich beter aan de afspraken en huisregels. Ook het werken bij de Albert Heijn gaat goed. De contacten met zijn vader, pleegmoeder en pleegbroertje verlopen positief en de verdachte ervaart veel steun aan hen. De verdachte lijkt sinds een aantal maanden een positieve ontwikkeling door te maken. Dit biedt aanknopingspunten voor behandeling en een opbouw naar meer zelfstandigheid is hierdoor mogelijk en zal de kans op recidive doen afnemen. Geadviseerd wordt om de verdachte een GBM op te leggen. Een GBM wordt het meest passend geacht omdat er sprake is van ernstige gedragsproblematiek en opvoedings- en gezinsgerelateerde problematiek. Gezien de langdurige problematiek en de ernst en complexiteit hiervan is een vrijwillig kader een gepasseerd station. Daarnaast is een civielrechtelijk traject niet aan de orde en een jeugdreclasseringsmaatregel met bijzondere voorwaarden heeft de verdachte er eerder niet van weerhouden met politie en justitie in aanraking te komen.
Ter zitting heeft de Raad dit advies nog nader toegelicht. De GBM is een zware maatregel met strikte voorwaarden, maar gezien de veelvuldigheid van de feiten en de ernst daarvan acht de Raad deze noodzakelijk. De Raad benadrukt dat de GBM een zwaardere waarschuwing biedt en door de gefaseerde, op maat gemaakte behandeling beter aansluit bij de behoeften van de verdachte. Hierdoor kan de verdachte beter gemotiveerd worden en wordt de positieve ontwikkeling gestimuleerd. In het kader van de GBM kan bij gebrek aan motivatie een time-out worden ingezet. Indien de voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf worden opgelegd, bestaat die mogelijkheid niet.
JBRA heeft zich aangesloten bij voornoemd advies. De verdachte heeft goede stappen gezet sinds zijn detentie in [P.I.] en hij neemt meer verantwoordelijkheid dan voorheen. Echter, de verdachte heeft externe motivatie nodig om deel te nemen aan de behandeling en een GBM biedt hiervoor het juiste kader.
De mentor van [zorg instelling] heeft ter zitting verklaard dat het contact in het begin moeizaam verliep, maar dat er inmiddels een stijgende lijn zichtbaar is.
De straf
In afwijking van het advies van de Raad en de strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een GBM. Daartoe overweegt zij als volgt.
Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een GBM is voldaan. Artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een GBM slechts kan worden opgelegd indien onder meer de ernst van het begane misdrijf, de veelvuldigheid van misdrijven of voorafgaande veroordelingen hiertoe aanleiding geven.
Daarbij moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het opleggen van een GBM voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit wat betreft de rol van de verdachte matig is. Hoewel het een ernstig delict betreft, was zijn rol hierbij relatief klein en heeft hij geen fysiek geweld gebruikt. De voorafgaande veroordeling van de verdachte heeft verband met ernstige feiten, maar rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf gezien niet de oplegging van een GBM.
Verder constateert de rechtbank dat de behandeling en begeleiding van de verdachte, in het kader van eerder opgelegde bijzondere voorwaarden, inmiddels is gestart, de verdachte gemotiveerd is zich hieraan te houden mede gezien de woonkansen die hem dit biedt en er een prille positieve lijn zichtbaar is. Dat wijst erop dat het toezicht en de begeleiding in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden effect sorteert. Daarnaast zijn de door de deskundigen geadviseerde gedrag beïnvloedende elementen niet dusdanig intensief of langdurig dat om die reden de noodzaak bestaat deze te koppelen aan een maatregel.
Gelet op deze omstandigheden is niet voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en is de GBM naar het oordeel van de rechtbank niet passend voor de verdachte.
Het is de rechtbank wel gebleken dat ter voorkoming van verdere recidive de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. Daarnaast zijn de positieve ontwikkelingen van de verdachte nog erg pril. Om deze reden zal de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, als stok achter de deur, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze geadviseerd zijn in het kader de schorsing en als elementen van de GBM. De voorwaarden zijn zowel in het belang van de verdachte als in het belang van de samenleving nu deze het doel hebben de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 54 dagen waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar recht doet aan alle omstandigheden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de algemene en na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Gelet op het recidiverisico, zoals dat blijkt uit het rapport van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder toezicht, behandeling en begeleiding wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Daarom zal de rechtbank ook bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.