Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3922

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
13-260554-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie opgelegd voor afpersing door bedreiging met geweld in vereniging

De rechtbank Amsterdam heeft op 27 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die samen met een medeverdachte op 3 oktober 2025 te Amsterdam een afpersing pleegde door bedreiging met geweld. De verdachte werd geconfronteerd met bewijsmiddelen waaronder aangifte en camerabeelden die zijn betrokkenheid als medepleger bevestigen.

De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van het voornemen tot afpersing en geen nauwe samenwerking bestond, maar de rechtbank achtte dit niet geloofwaardig gezien de camerabeelden en verklaringen van het slachtoffer. De verdachte had een significante bijdrage geleverd door de vluchtroute te blokkeren en meerdere bedreigingen uit te spreken.

De rechtbank nam ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waaronder eerdere veroordelingen en adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdbescherming Regio Amsterdam. Ondanks het advies om een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) op te leggen, besloot de rechtbank dit niet te doen vanwege proportionaliteit en subsidiariteit, en legde in plaats daarvan een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 54 dagen op, met aftrek van 27 dagen voorarrest en een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.

Daarnaast werden de inbeslaggenomen verdovende middelen onttrokken aan het verkeer en werd de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met één jaar verlengd. De voorwaarden en het toezicht worden dadelijk uitvoerbaar verklaard om recidive te voorkomen en de positieve ontwikkeling van de verdachte te stimuleren.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 54 dagen jeugddetentie waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.260554.25
Parketnummer vordering tul: 13.399945.24
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
ter zitting opgegeven adres:
[verblijfadres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 13 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Gerson, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), de heer [naam 3] van [zorg instelling] en door de pleegmoeder en de vader van de verdachte naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan afpersing door geweld en/of bedreiging met geweld in vereniging van [aangever] op 3 oktober 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de ten laste gelegde afpersing in vereniging. Er zijn voldoende bewijsmiddelen in het dossier, zoals de aangifte en de camerabeelden, die de betrokkenheid van de verdachte als medepleger bij het ten laste gelegde aantonen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte had geen wetenschap van het voornemen van de medeverdachte [medeverdachte] om het slachtoffer af te persen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk had op de afpersing.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de aangifte volgt het volgende. De aangever is in de Geldmaat om geld te storten. Uit het niets komen er twee jongens met fatbikes naast hem staan. Vervolgens hoort hij NN1 het volgende zeggen: "Leeg je zakken maar. Ik zie dat je AirPods draagt. Doe de AirPods maar uit en geef die maar aan mij. Je moet je telefoon uitloggen. En waar kom je vandaan?". Eén van de jongens staat aan de kant van de uitgang van de Geldmaat en de andere jongen staat rechts naast hem. Beiden staan op ongeveer anderhalve meter afstand. NN2 zegt vervolgens tegen de aangever: "Wat doe je hier? Kom je geld pinnen? Als je snitched, maak ik je dood." De aangever geeft NN1 zijn AirPods, omdat hij zich onveilig voelt en bang is dat de jongens hem iets aan willen doen.
De aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden van diverse camera’s in de ruimte van de Geldmaat. Hierop is te zien dat de medeverdachte de aangever als eerste aanspreekt en de AirPods overhandigd krijgt van de aangever. De verdachte beweegt zich op dat moment op zijn fatbike in de (met schuifdeuren) afgesloten ruimte van de Geldmaat om de aangever heen en bevindt zich uiteindelijk op korte afstand van de aangever. De verdachte staat dan gepositioneerd voor de uitgang met de schuifdeuren. Te zien is dat de verdachte naar de aangever kijkt en meermaals tegen hem spreekt. Ook is op de beelden te zien dat de verdachte nog kort in de ruimte van de Geldmaat blijft staan en zich tot de aangever wendt als de medeverdachte de ruimte verlaat.
Op basis van de aangifte en de camerabeelden concludeert de rechtbank dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan en het oogmerk heeft gehad op de afpersing van de aangever. Weliswaar spreekt de medeverdachte als eerste de aangever aan en is hij degene geweest die om de AirPods heeft gevraagd, maar ook de verdachte heeft ervoor gezorgd dat de aangever zich gedwongen voelde om zijn AirPods af te geven. De aangever verklaart immers dat beide personen bedreigingen hebben geuit en hij zich geïntimideerd voelde omdat beide verdachten dichtbij hem stonden. Deze verklaring wordt ondersteund door de camerabeelden waarop te zien is dat de verdachte meerdere keren tegen de aangever spreekt. Bovendien blokkeerde de verdachte de vluchtroute van de aangever door zich voor de uitgang te positioneren. De verklaring van de verdachte dat hij geen rol heeft gespeeld en niets anders tegen de aangever heeft gezegd dan ‘watte..’, acht de rechtbank in het licht van deze bewijsmiddelen niet geloofwaardig.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte
op 3 oktober 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van Airpods, die geheel aan die [aangever] toebehoorden door op dreigende wijze
- zich naar die [aangever] te begeven en
- kort op die [aangever] te gaan staan en
- die [aangever] de woorden toe te voegen: "Leeg je zakken maar" en "Ik zie
dat je Airpods draagt. Doe de Airpods maar uit" en "Als je snitched, maak ik je
dood".

6.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 26 dagen, met aftrek van voorarrest. De bedoeling is dat de onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk is aan het voorarrest.
Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) op te leggen voor de duur van 12 maanden, met een vervangende jeugddetentie van 6 maanden, onder de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht en de begeleiding dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie eist onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen verdovende middelen. De proeftijd van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf moet met één jaar worden verlengd.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank geen GBM op te leggen, omdat dit niet in het belang van de verdachte is en een te ingrijpende maatregel betreft. De verdachte is gemotiveerd, hij maakt positieve ontwikkelingen door en een GBM zal zonder zijn intrinsieke motivatie weinig effect hebben. De raadsvrouw is het eens met verlenging van de proeftijd.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan afpersing door bedreiging met geweld. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij de beslissing heeft genomen om deel te nemen aan dit feit. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Het slachtoffer moet zich behoorlijk geïntimideerd hebben gevoeld. Dat blijkt ook uit zijn aangifte. Daarnaast wakkeren dergelijke feiten, gepleegd in het openbaar, gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte op 7 maart 2025 door de kinderrechter onherroepelijk is veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie in verband met mishandeling, overtreding van de leerplichtwet, afpersing en belediging.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad van 3 maart 2026, dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is opgemaakt, inhoudende een GBM-advies. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de evaluatie van JBRA van 4 maart 2026, inhoudende het voorgestelde plan van aanpak ten behoeve van een GBM.
Uit het rapport van de Raad blijkt – kort samengevat – dat de problemen van de verdachte met het hanteren van zijn boosheid en zijn gebrekkige motivatie om mee te werken aan interventies het recidiverisico vergroten op toekomstig gewelddadig gedrag. De recidivekans wordt matig tot hoog ingeschat zonder intensief toezicht, structuur, begeleiding en behandeling. De verdachte is daarnaast gebaat bij behandeling om traumatische gebeurtenissen te verwerken en zijn identiteit te versterken. Een combinatie van lichaamsgerichte therapie en inzichtgevende therapie door middel van gesprekken kan de verdachte helpen zijn emoties beter te reguleren. Het risico bestaat dat bij enkel gesprekken de verdachte te veel overspoeld raakt en hierdoor afhaakt. Daarnaast is het in het kader van terugvalpreventie van belang dat met de verdachte een delictanalyse wordt gemaakt. Wel gaat het sinds de negatieve terugmelding door de jeugdreclassering in september 2025 op verschillende gebieden beter met de verdachte. Het verblijf bij [zorg instelling] verloopt positief en hij houdt zich beter aan de afspraken en huisregels. Ook het werken bij de Albert Heijn gaat goed. De contacten met zijn vader, pleegmoeder en pleegbroertje verlopen positief en de verdachte ervaart veel steun aan hen. De verdachte lijkt sinds een aantal maanden een positieve ontwikkeling door te maken. Dit biedt aanknopingspunten voor behandeling en een opbouw naar meer zelfstandigheid is hierdoor mogelijk en zal de kans op recidive doen afnemen. Geadviseerd wordt om de verdachte een GBM op te leggen. Een GBM wordt het meest passend geacht omdat er sprake is van ernstige gedragsproblematiek en opvoedings- en gezinsgerelateerde problematiek. Gezien de langdurige problematiek en de ernst en complexiteit hiervan is een vrijwillig kader een gepasseerd station. Daarnaast is een civielrechtelijk traject niet aan de orde en een jeugdreclasseringsmaatregel met bijzondere voorwaarden heeft de verdachte er eerder niet van weerhouden met politie en justitie in aanraking te komen.
Ter zitting heeft de Raad dit advies nog nader toegelicht. De GBM is een zware maatregel met strikte voorwaarden, maar gezien de veelvuldigheid van de feiten en de ernst daarvan acht de Raad deze noodzakelijk. De Raad benadrukt dat de GBM een zwaardere waarschuwing biedt en door de gefaseerde, op maat gemaakte behandeling beter aansluit bij de behoeften van de verdachte. Hierdoor kan de verdachte beter gemotiveerd worden en wordt de positieve ontwikkeling gestimuleerd. In het kader van de GBM kan bij gebrek aan motivatie een time-out worden ingezet. Indien de voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf worden opgelegd, bestaat die mogelijkheid niet.
JBRA heeft zich aangesloten bij voornoemd advies. De verdachte heeft goede stappen gezet sinds zijn detentie in [P.I.] en hij neemt meer verantwoordelijkheid dan voorheen. Echter, de verdachte heeft externe motivatie nodig om deel te nemen aan de behandeling en een GBM biedt hiervoor het juiste kader.
De mentor van [zorg instelling] heeft ter zitting verklaard dat het contact in het begin moeizaam verliep, maar dat er inmiddels een stijgende lijn zichtbaar is.
De straf
In afwijking van het advies van de Raad en de strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een GBM. Daartoe overweegt zij als volgt.
Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een GBM is voldaan. Artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een GBM slechts kan worden opgelegd indien onder meer de ernst van het begane misdrijf, de veelvuldigheid van misdrijven of voorafgaande veroordelingen hiertoe aanleiding geven.
Daarbij moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het opleggen van een GBM voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit wat betreft de rol van de verdachte matig is. Hoewel het een ernstig delict betreft, was zijn rol hierbij relatief klein en heeft hij geen fysiek geweld gebruikt. De voorafgaande veroordeling van de verdachte heeft verband met ernstige feiten, maar rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf gezien niet de oplegging van een GBM.
Verder constateert de rechtbank dat de behandeling en begeleiding van de verdachte, in het kader van eerder opgelegde bijzondere voorwaarden, inmiddels is gestart, de verdachte gemotiveerd is zich hieraan te houden mede gezien de woonkansen die hem dit biedt en er een prille positieve lijn zichtbaar is. Dat wijst erop dat het toezicht en de begeleiding in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden effect sorteert. Daarnaast zijn de door de deskundigen geadviseerde gedrag beïnvloedende elementen niet dusdanig intensief of langdurig dat om die reden de noodzaak bestaat deze te koppelen aan een maatregel.
Gelet op deze omstandigheden is niet voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en is de GBM naar het oordeel van de rechtbank niet passend voor de verdachte.
Het is de rechtbank wel gebleken dat ter voorkoming van verdere recidive de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. Daarnaast zijn de positieve ontwikkelingen van de verdachte nog erg pril. Om deze reden zal de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen, als stok achter de deur, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze geadviseerd zijn in het kader de schorsing en als elementen van de GBM. De voorwaarden zijn zowel in het belang van de verdachte als in het belang van de samenleving nu deze het doel hebben de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 54 dagen waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar recht doet aan alle omstandigheden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de algemene en na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Gelet op het recidiverisico, zoals dat blijkt uit het rapport van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder toezicht, behandeling en begeleiding wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Daarom zal de rechtbank ook bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.Beslag

Onder de verdachte is in beslag genomen:
- 570 MG Verdovende Middelen (goednummer: BZAR8716)
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van de oordeel dat de inbeslaggenomen verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer, omdat deze zijn aangetroffen in het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 2 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13-399945-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 7 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam. Bij dat vonnis is de verdachte onder andere veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij is bepaald dat de rechter later de tenuitvoerlegging mag gelasten op gronde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of één van de bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Er zijn derhalve termen aanwezig de tenuitvoerlegging te gelasten.
De rechtbank ziet echter, met de officier van justitie en de raadsvrouw, aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te bevelen de proeftijd te verlengen met één jaar. De verdachte houdt hierdoor twee voorwaardelijke straffen boven zijn hoofd. Dit vormt een belangrijke extra externe motivatie voor de verdachte om de positieve lijn voort te zetten en herhaling van het plegen nieuwe strafbare feiten te voorkomen.
Voorts wijzigt de rechtbank de bijzondere voorwaarden opgelegd bij de voorwaardelijke veroordeling zodat de voorwaarden gelijk komen te luiden aan de op te leggen bijzondere voorwaarden in de onderhavige strafzaak.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en 13a van de Opiumwet.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievan
54 (vierenvijftig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 27 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een deel van deze straf, groot
27 (zevenentwintig) dagen,
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de
proeftijdvast op
2 (twee) jaren onder de
algemene voorwaardedat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
  • meewerkt aan een coaching traject;
  • meewerkt aan de behandeling vanuit het Forensisch Jeugdteam van Arkin of een soortgelijke instelling in het kader van trauma, agressie en mogelijk verslaving;
  • meewerkt aan het vinden en behouden van een positieve dagbesteding in de vorm van school en werk volgens rooster;
  • toewerkt naar meer zelfstandigheid met verblijf bij [zorg instelling] of een soortgelijke instelling;
  • meewerkt aan alle overige hulpverlening die Jeugdbescherming nodig acht.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en zich meldt bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan
de Jeugdbescherming Regio Amsterdamtot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
570 MG Verdovende Middelen (goednummer: BZAR8716)
Verlengtde bij vonnis van 7 maart 2025 in de zaak met parketnummer 13-399945-24, bepaalde
proeftijdmet
1 (één) jaar.
Wijzigtde bijzondere voorwaarden opgelegd bij vonnis van 7 maart 2025 in de zaak met parketnummer 13-399945-24 zodat de voorwaarden gelijk komen te luiden aan de bijzondere voorwaarden in de onderhavige strafzaak, zoals hierboven vermeld.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en M.R. Bruning, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2026.
[....]

3.[....][....]

4.[....]