Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3914

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/13/779741 / JE RK 25-890
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp en omgangsregeling minderjarige in gesloten plaatsing

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot machtiging gesloten jeugdhulp en een verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling tussen een minderjarige en zijn moeder. De minderjarige verblijft in een gesloten accommodatie zonder dagbesteding of behandeling. De voogd, Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA), heeft een zware verantwoordelijkheid voor het welzijn van de minderjarige.

JBRA verzocht om verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp, maar de kinderrechter constateert dat er onvoldoende voortgang is geboekt in het bieden van toekomstperspectief, zoals het aanvragen van een WLZ-indicatie. De moeder heeft een verbeterde thuissituatie en wil dat de minderjarige terugkeert. De kinderrechter acht het noodzakelijk om te onderzoeken wat nodig is voor terugkeer naar huis.

De kinderrechter wijst de machtiging gesloten jeugdhulp toe voor een periode van zeven weken en bepaalt dat de omgangsregeling ongewijzigd blijft, met uitzondering van een uitbreiding van het omgangsmoment tijdens het Paasweekend naar drie nachten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verlengd tot 25 mei 2026 en omgangsregeling uitgebreid met drie nachten tijdens Paasweekend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/13/779741 / JE RK 25-890 (machtiging gesloten jeugdhulp)
C/13/756745 / JE RK 24-598 (omgang)
Datum uitspraak: 4 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en omgang
in de zaak over het verzoek machtiging gesloten jeugdhulp:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen JBRA,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
verblijvende in Pluryn te [verblijfplaats] ,
advocaat mr. L.M.A. Schwartz te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A.J. van Putten te Almere,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: WSS,
en in de zaak betreffende omgang:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. P.A.J. van Putten te Almere,
tegen
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen JBRA,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
advocaat mr. L.M.A. Schwartz te Amsterdam,
hierna te noemen [minderjarige] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift gesloten jeugdhulp met bijlagen, ontvangen op 11 juli 2025,
  • het verzoek uitbreiding omgang van moeder van 13 september 2024,
  • de beschikking betreffende omgang van 11 april 2025,
- de beschikking van 6 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met zijn advocaat,
- de moeder met haar advocaat,
- een vertegenwoordiger van JBRA, mevrouw [persoon] .
1.3.
De WSS en de vader zijn opgeroepen voor de behandeling, maar niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting was [minderjarige] ook aanwezig en heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.Het verzoek gesloten plaatsing

2.1.
Bij beschikking van 20 maart 2014 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd
en is JBRA benoemd tot voogd over [minderjarige] .
2.2.
Voor [minderjarige] is een machtiging gesloten jeugdhulp van zes maanden gegeven op 10 juli 2025.
2.3.
Op 20 november 2025 heeft JBRA verzocht opnieuw een machtiging gesloten jeugdhulp voor zes maanden te verlenen. Bij beschikking van 6 januari 2026 is het verzoek toegewezen voor een periode van drie maanden, dus tot 6 april 2026. Het meer verzochte (drie maanden) is aangehouden en ligt thans ter beoordeling voor.

3.Het verzoek omgang

3.1.
De moeder heeft bij verzoek van 16 september 2024 verzocht de omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] uit te breiden.
.
3.2.
Laatstelijk bij beschikking van 6 januari 2026 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] en de moeder voorlopig omgang hebben op geleide van JBRA, waarbij er in elk geval binnen een maand na 6 januari 2026 een onbegeleid omgangsmoment tussen [minderjarige] en de moeder zal plaatsvinden bij de moeder thuis en binnen twee maanden na 6 januari 2026 een onbegeleid omgangsmoment tussen [minderjarige] en de moeder zal plaatsvinden bij de moeder thuis, waarbij [minderjarige] ook overnacht bij de moeder. Het meer verzochte is aangehouden tot 3 april 2026.
3.3.
De moeder verzoekt om het omgangsmoment van aankomend Paasweekend uit te breiden naar drie nachten, zodat [minderjarige] na de zitting al mee kan naar de moeder en hij tot en met Tweede Paasdag bij de moeder kan blijven.

4.Het standpunt van JBRA

4.1.
JBRA voert aan dat er sprake is van onveiligheid ten aanzien van [minderjarige] en anderen. Hoewel een gesloten plaatsing niet hetgeen is dat [minderjarige] in zijn toekomst nodig zal hebben, biedt dit, in de huidige situatie, de structuur, stabiliteit, voorspelbaarheid en regelmaat die [minderjarige] op dit moment nodig heeft. [minderjarige] heeft een goede klik met zijn begeleider. Terugkeer naar de open groep, waar [minderjarige] lang heeft verbleven, is niet meer mogelijk gezien een eerder geweldsincident. Bovendien kan die groep [minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. Pluryn adviseert een verblijf van [minderjarige] in een WLZ-instelling, zodat [minderjarige] de intensieve zorg en begeleiding krijgt, passend bij zijn lage mate van leerbaarheid. Een gesloten plaatsing is nodig in afwachting van de WLZ-indicatie. De expertise ten aanzien van een WLZ-indicatie ligt bij WSS. WSS is ook wegwijs in de WLZ plekken voor jongeren. Deze instelling zal een contactpersoon aanstellen om JBRA te ondersteunen met de aanvraag en het vinden van een passende, perspectief biedende plek voor [minderjarige] . [minderjarige] en zijn moeder en vader zullen worden meegenomen in de keuze van een passende, perspectief biedende, plek.
4.2.
[minderjarige] heeft omgang met zijn moeder en vader. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder is onlangs uitgebreid en [minderjarige] zal nu twee nachten per twee weken bij zijn moeder verblijven. De omgang met de vader moet nog stabiliseren. Er is een lange periode niet voldoende gekeken naar de situatie van [minderjarige] . Ook is het contact met moeder in de afgelopen tijd beperkt geweest, mede omdat er geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar was. Er hebben wel enkele evaluatiemomenten met de moeder plaatsgevonden. Daaruit komt een positief beeld van de moeder naar voren. Het is belangrijk dat er nu stappen voorwaarts gezet gaan worden, in het belang van [minderjarige] . Er kan worden gekeken of [minderjarige] geplaatst kan worden op een open groep van Pluryn in [plaats] . zodat hij dichter bij de moeder en de vader verblijft. De vraag is wel of een dergelijke overplaatsing geen onrust gaat geven.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
De moeder heeft verklaard dat haar thuissituatie erg verbeterd is. In haar partner heeft [minderjarige] een bonusvader, die een positief rolmodel voor hem is. Zijn familie maakt inmiddels ook deel uit van [minderjarige] ’s netwerk. Ook zelf heeft moeder grote stappen gezet en zij acht zichzelf in staat aan [minderjarige] een stabiele en veilige thuissituatie te bieden. Zij is er klaar voor dat [minderjarige] weer thuis bij haar komt wonen. Dat Pluryn geen dagbesteding voor [minderjarige] heeft, en geen scholing biedt, maakt dat een terugkeer naar huis nu de betere optie is. JBRA en Pluryn zijn niet in staat om een zinvolle omgeving aan [minderjarige] te bieden. Namens de moeder vraagt de advocaat om de machtiging gesloten uithuisplaatsing slechts met een korte periode te verlengen, zodat die tijd kan worden benut om in kaart te brengen wat er voor nodig is om [minderjarige] op korte termijn weer bij moeder thuis te laten wonen.

6.Het standpunt van [minderjarige]

6.1.
en zijn advocaat hebben aangevoerd dat [minderjarige] graag naar huis wil en hier stappen toe moeten worden gezet. In aansluiting op het pleidooi van de advocaat van de moeder, verzoekt ook de advocaat van [minderjarige] om de machtiging voor een kortere duur toe te wijzen dan verzocht.

7.De beoordeling over het verzoek gesloten plaatsing

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat uit hetgeen JBRA naar voren heeft gebracht en de informatie die Pluryn heeft ingestuurd voldoende naar voren komt dat er nog steeds sprake is van opgroei- en opvoedproblematiek bij [minderjarige] die zijn ontwikkeling belemmeren en waarvoor het noodzakelijk is dat er hulp wordt ingezet. Dat de opneming in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp echter noodzakelijk is om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan die hulp onttrekt, acht de kinderrechter echter discutabel. Op dit moment wordt voor [minderjarige] geen hulp of behandeling ingezet. [minderjarige] heeft ook al langere tijd geen enkele dagbesteding. Zijn ontwikkeling lijkt dan ook juist belemmerd te worden door de gesloten plaatsing. In de vorige beschikking heeft de rechtbank al overwogen dat de kinderrechter zorgen heeft over het ontbreken van een dagbesteding en verwacht dat de gesloten plaatsing zo kort als mogelijk zal duren en JBRA met [minderjarige] en zijn moeder in gesprek zal moeten gaan over het toekomstperspectief voor [minderjarige] . In de afgelopen drie maanden lijkt er weinig te zijn gebeurd. De WLZ indicatie is nog steeds niet aangevraagd en er ligt ook overigens nog geen enkel concreet plan waarmee [minderjarige] weer enig toekomstperspectief heeft. De kinderrechter begrijpt dat JBRA afhankelijk is van derden en wachtlijsten, maar dat laat onverlet dat op JBRA als voogd een zware verantwoordelijkheid ligt voor het welzijn van [minderjarige] . JBRA pakt die rol onvoldoende.
7.2.
De kinderrechter vindt het dan nu in de rede liggen om te onderzoeken wat ervoor nodig is om [minderjarige] weer bij moeder te laten wonen. De indruk bestaat dat de vrees die bij JBRA bestaat ten aanzien van de onveiligheid bij de moeder, grotendeels berust op gebeurtenissen uit het verleden. De moeder van [minderjarige] heeft grote stappen hebben gezet en stelt dat zij inmiddels aan [minderjarige] een veilig thuis kan bieden. Ook is zij bereid alle hulpverlening aan te pakken. JBRA zal de komende periode met de moeder moeten bekiOjken op welke manier [minderjarige] (al dan niet gedeeltelijk) weer thuis kan wonen en welke hulp daarbij kan worden ingezet. Ook moet worden gekeken naar een dagbesteding voor [minderjarige] . De WSS zal hierbij betrokken moeten worden.
7.3.
De kinderrechter acht de gesloten uithuisplaatsing nu nog noodzakelijk, in ieder geval ten behoeve van het hiervoor genoemde onderzoek. Er zijn nu geen alternatieven. Het resultaat van de aanvraag van de WLZ-indicatie voor een toekomstige woonvorm voor [minderjarige] laat immers nog wel even op zich wachten. Overplaatsing naar een open setting, geeft waarschijnlijk teveel prikkels en ziet [minderjarige] daarom ook zelf niet zitten.
7.4.
De kinderrechter zal het verzoek van de machtiging gesloten uithuisplaatsing daarom nu weer deels toewijzen, namelijk voor een periode van 7 weken, dus tot 25 mei 2026. Kort vóór die datum zal een nieuwe behandeling worden bepaald. De kinderrechter verwacht uiterlijk een week voor de nieuwe zitting een update van JBRA waarin wordt uiteengezet wat nodig is voor terugplaatsing van [minderjarige] bij zijn moeder, en welke concrete stappen er zijn gezet in die richting. De kinderrechter houdt het meer verzochte aan tot de nog te bepalen zitting.

8.De beoordeling over de omgang

8.1.
De voorlopige omgangsregeling tussen [minderjarige] en moeder blijft ongewijzigd, wat betekent dat de verdere (uitbreiding van de) omgang onder regie van JBRA plaatsvindt. De kinderrechter bepaalt nu wel dat [minderjarige] dit Paasweekend drie nachten bij de moeder zal verblijven, namelijk van vrijdag 3 april tot en met maandag 6 april 2026.

9.De beslissing

De kinderrechter:
in het verzoek gesloten jeugdhulp met rekestnummer C/13/779741
9.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 april 2026 tot 25 mei 2026,
9.2.
houdt het meer of anders verzochte aan
in het verzoek omgang met rekestnummer C/13/756745
9.3.
bepaalt dat de voorlopige omgangsregeling onder regie van JBRA doorloopt,
9.4.
houdt het meer of anders verzochte aan,
in beide verzoeken
9.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Kunst als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.