Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3898

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11961215 \ CV EXPL 25-15666
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling van geldlening met bewijs via WhatsApp en bankafschriften toegewezen

Eiseres heeft aan gedaagde in meerdere termijnen in totaal €22.800,- geleend, waarvan gedaagde slechts €5.000,- heeft terugbetaald. De vordering is onderbouwd met WhatsApp-berichten waarin de lening en afspraken worden besproken, en bankafschriften die de geldopnames bevestigen.

Gedaagde betwist de hoogte van de lening en stelt dat een deel is geschonken en dat hij meer heeft terugbetaald dan erkend. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij de volledige bedragen heeft ontvangen en dat hij zijn stelling over extra terugbetalingen niet heeft onderbouwd.

De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege een onjuiste aanmaning. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 19 maart 2025. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €17.800 plus rente en proceskosten van €1.886,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €17.800 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11961215 \ CV EXPL 25-15666
Vonnis van 3 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.W. Meijer ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van 20 november 2025,
- het tussenvonnis van 4 december 2025,
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 23 maart 2021 heeft [eiser] € 10.000,- geleend aan [gedaagde] . Dit bedrag heeft [eiser] gepind in vijf bedragen van € 2.000,- en vervolgens aan [gedaagde] verstrekt.
2.2.
Op 13 juni 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [eiser] : Wat is er voor nodig dan, om verder te komen?[gedaagde] : €[eiser] : Lastig mop… wou dat ik wat voor je kon doen[gedaagde] : Ach ja[gedaagde] : Ook dat gezeik met me motor[eiser] : Wat is er dan?[eiser] : Kunnen ze t niet fixen?[gedaagde] : Moet ik ook nog betalen[gedaagde] : Ja maar gaat kosten[eiser] : Ok, weet je al om hoeveel t gaat?[gedaagde] : 2,5k[gedaagde] : Word er gewoon depri van dit alles[eiser] : Snap ik heel goed mop[eiser] : Wanneer is je motor klaar?(…)[gedaagde] : En het gaat 2500[gedaagde] : Kosten[gedaagde] : Misschien iets meer[eiser] : Hoe ver zou je zelf kunnen komen.?[gedaagde] : Maakt niet uit regel het wel en anders steek ik die motor in de fik[eiser] : Doe niet zo gek..dat is toch niet nodig[eiser] : Het is je lievelingsmotor…[gedaagde] : Ik heb het niet dus is niet anders[gedaagde] : Heb er dan niks aan dus ach ja[eiser] : Kan je toch helpen…?[gedaagde] : Hoe[eiser] : €[gedaagde] : Ik ben je al een boel schuldig weet niet eens hoe ik je dat moet geven dus ga ik nu nog meer lenen[gedaagde] : Zo word gat alleen maar dieper”
2.3.
Op 16 juni 2021:
“ [eiser] : Maare, vanavond even in orde maken?[gedaagde] : Wat schat ?[eiser] : Wat denk je?[eiser] : €[gedaagde] : Morgen zou je dat doen toch”
2.4.
Op 16 juni 2021 heeft [eiser] geld geleend aan [gedaagde] . [eiser] heeft voordat zij een bedrag aan [gedaagde] overhandigde een bedrag van € 8.000,- gepind in vier bedragen van € 2.000,-. De transacties vonden plaats om 21:31 uur, 21:32 uur, 21:33 uur en 21:34 uur.
2.5.
Op 23 juni 2021 heeft [gedaagde] [eiser] € 5.000,- terugbetaald door dit bedrag over te maken naar haar bankrekening.
2.6.
Op 24 juni 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [eiser] : Ik zei toch dat ik je zou helpen daarbij
[gedaagde] : Ohhh wanneer
[eiser] : Zeg maar mop wanneer je t nodig hebt[gedaagde] : Hahaha liever vandaag als morgen(…)[eiser] : Hoeveel heb je nodig?[gedaagde] : Minimaal 600(…)[eiser] : Ok 1000?[gedaagde] : Dat zou zeker een heleboel helpen[gedaagde] : Maar kan dat[eiser] : Anders bood ik t niet aan”
2.7.
Op 24 juni 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 1.000,- van haar rekening opgenomen.
2.8. 2.9.
Op 29 juni 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [gedaagde] : Ja maar die lening bij jou loopt ook maar op zo[eiser] : Tsja, wat is 500 extra nou dan(…)[gedaagde] : Zou het zeer waarderen[eiser] : Kom je t toch ophalen[eiser] : Of lukt dat niet?[gedaagde] : Als kan later vandaag dan”
2.10.
Op 30 juni 2021:
“ [gedaagde] : Ben er met een half uur denk ik.[eiser] : Ok[gedaagde] : 20 min ben ik bij [locatie 1][eiser] : Ok kom ik zo die kant op”
2.11.
Op 30 juni 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 500,- van haar rekening opgenomen.
2.12.
Op 6 juli 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [eiser] : Ik kan t vroeg komen brengen en anders weet je waar ik ben tot 4/half 5
(…)[gedaagde] : Wat zou jou het best uit komen[eiser] : Ik moet nog gaan pinnen… maar verder … ben in [plaats] dus laat jij maar weten uitkomt[gedaagde] : 11?[eiser] : Waar?[gedaagde] : Bij garage?[eiser] : Is goed”
2.13.
Op 6 juli 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 500,- van haar rekening opgenomen.
2.14.
Op 24 juli 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [eiser] : 4 m?[gedaagde] : [locatie 2][gedaagde] : 5 heb ik ff adem[eiser] : Ok… kan geregeld worden”
2.15.
Op 25 juli 2021:
“ [eiser] : Ben r[gedaagde] : Ik kom[eiser] : Ok”
2.16.
Op 25 juli 2021 heeft [eiser] een bedrag van € 500,- van haar rekening opgenomen.
2.17.
Op 24 februari 2022 hebben [eiser] en [gedaagde] via WhatsApp het volgende besproken:
“ [gedaagde] : Zou jij me die twee tijdelijk kunnen voorschieten[eiser] : Ja ik help je en dat weet je maar we moeten wel ff praten erover.[gedaagde] : Is goed je bent een engel[eiser] : Wanneer moet je t hebben?[gedaagde] : Zaterdag[eiser] : Ok”
2.18.
Op 26 februari 2022:
“ [gedaagde] : Hey hey[gedaagde] : Al wakker
[eiser] : Hé, tuurlijk[eiser] : Ben t ook al gaan halen[gedaagde] : Oh ik ben er ook al[gedaagde] : Sta achter(…)
[gedaagde] : Ohhh ja ging om 2,5k maar laat maar[eiser] : Dus, je hebt nog 0,5 nodig[eiser] : Komt t uit als ik er nu aan kom?[gedaagde] : Ja kan[eiser] : Ok dan rij ik door[eiser] : 3 minuten[gedaagde] : Oke ik loop[eiser] : Ok sta bij de glas en papierbak”
2.19.
Op 26 februari 2022 heeft [eiser] een bedrag van € 2.500,- van haar rekening opgenomen.
2.20.
Op 9 februari 2024 heeft [eiser] het volgende bericht gestuurd naar [gedaagde] :
“Hé, ik zou t zo voor je vertrek toch nog wel even willen hebben over die openstaande post. De laatste x was t ‘donderdag weet ik meer’… maar er is niks concreets erna afgesproken. Ik heb daar wel behoefte aan. Kunnen we anders alvast een aflossing per maand afspreken…€ 500/750/1000… wat haalbaar is?
Ik weet dat je die 18K t liefst in 1x had terug betaald, ik ook… maar het zit me zoals als meerdere keren aangegeven dwars en verwacht nu toch wel een keer beweging.”
2.21.
Op 30 april 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gestuurd:
“(…) Om het gesprek van gister concreet te maken, ik verwacht uiterlijk 19-5 je neefje gezien te hebben en dan een aflossing te ontvangen die jouw intenties vwb me terugbetalen uitspreekt. Het wordt tijd, t staat al 3 jaar open… “

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 22.912,41. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 17.800,-, € 3.959,28 rente en € 1.153,13 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat zij [gedaagde] in totaal een bedrag van
€ 22.800 heeft geleend, waarvan hij maar € 5.000,- heeft terugbetaald. Zij heeft de volgende bedragen uitgeleend:
  • € 10.000,- op 23 maart 2021 (1)
  • € 8.000,- op 16 juni 2021 (2)
  • € 1.000,- op 24 juni 2021 (3)
  • € 500,- op 30 juni 2021 (4)
  • € 300,- op 6 juli 2021 (5)
  • € 500,- op 24 juli 2021 (6)
  • € 2.500,- op 26 februari 2022 (7)
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat hij geld heeft geleend van [eiser] , maar betwist de hoogte van het geleende bedrag. In totaal heeft hij € 15.000,- geleend. Daarnaast is er een bedrag van € 1.500,- aan hem geschonken voor het repareren van zijn motor. Verder stelt [gedaagde] dat hij reeds een bedrag van € 15.000,- heeft terugbetaald aan [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering voor wat betreft de hoofdsom van € 17.800 zal geheel worden toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen.
Hoogte bedrag is € 22.800
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] € 10.000,- (1), € 1.000,- (3) en € 500,- (4) aan [gedaagde] heeft overhandigd.
€ 8.000,- (2)
4.3.
Ten aanzien van de geldlening van € 8.000,- op 16 juni 2021 heeft [gedaagde] betwist dat hij dit volledige bedrag van [eiser] overhandigd heeft gekregen. Hij voert aan dat hij slechts € 5.000,- heeft gekregen. Vast staat dat [eiser] op 16 juni 2021 € 8.000,- heeft opgenomen uit de geldautomaat en dat dit in vier transacties, vlak achter elkaar, van € 2.000,- is gegaan. Desgevraagd heeft [gedaagde] op de zitting niet kunnen verklaren hoe de overhandiging van het geld is verlopen. Zo is hem gevraagd of [eiser] dan van één maal € 2.000,- het geldbedrag heeft verdeeld in twee maal € 1.000,- en of zij dit dan heeft nageteld, maar [gedaagde] kon zich dit allemaal niet herinneren. Gelet hierop en op de omstandigheid dat [eiser] op de andere dagen het gepinde geld ook steeds volledig aan [gedaagde] heeft overhandigd, oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] de geldlening van € 8.000,- onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat deze komt vast te staan.
€ 300,- (5), € 500,- (6) en € 2.500,- (7)
4.4.
Van de bedragen van € 300,- (5), € 500,- (6) en € 2.500,- (7) betwist [gedaagde] in zijn geheel dat hij deze van [eiser] overhandigd heeft gekregen. [eiser] heeft van deze bedragen het bankafschrift met de geldopname en een daaraan voorafgaand WhatsApp-gesprek tussen partijen overgelegd waarin wordt gesproken over het uitlenen van deze bedragen door [eiser] aan [gedaagde] . Daarnaar gevraagd heeft [gedaagde] op de zitting verklaard dat hij zich deze WhatsApp-gesprekken niet meer kan herinneren. Daarmee heeft hij onvoldoende betwist dat hij deze geldbedragen heeft geleend, zodat ook deze bedragen komen vast te staan.
De bedragen van € 1.000,- (3) en € 500,- (4) zijn ook een lening
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 22.800,- heeft overhandigd. [gedaagde] betwist echter dat een deel van dit bedrag, namelijk de bedragen van € 1.000,- (3) en € 500,- (4) een lening was. Deze bedragen zouden aan hem zijn geschonken voor het repareren van zijn motor.
4.6.
De kantonrechter volgt [eiser] in haar stelling dat ook deze twee bedragen een lening betroffen. Dit volgt uit de WhatsApp-berichten van 13 juni 2021 waarin wordt gesproken over het overhandigen van geld ten behoeve van het repareren van de motor en [gedaagde] zelf zegt: “
Ik ben je al een boel schuldig weet niet eens hoe ik je dat moet gevendus ga ik nu nog meer lenen (vetgedrukt door de kantonrechter)”.
Er is € 5.000,- terugbetaald
4.7.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] het gehele bedrag van € 22.800,- van [eiser] heeft geleend. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] van dat bedrag op 23 juni 2021 € 5.000,- heeft terugbetaald. [gedaagde] stelt echter dat hij nog meer heeft terugbetaald. [gedaagde] voert aan dat hij destijds € 5.000,- in de brievenbus van [eiser] heeft gegooid en € 5.000,- aan zijn neef heeft gegeven om [eiser] mee te betalen. Het ligt op de weg van [gedaagde] , om zijn verweer dat hij twee extra terugbetalingen heeft gedaan, gelet op de betwisting hiervan door [eiser] , nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zelfs niet kunnen zeggen wanneer de terugbetalingen dan zouden hebben plaatsgevonden. Bovendien volgt uit de overgelegde Whatsapp-gesprekken dat er op 9 februari 2024 tussen partijen is gesproken over een openstaand bedrag van ‘18k’. Dit strookt niet met twee extra terugbetalingen van in totaal € 10.000,-. De kantonrechter stelt daarom vast dat er slechts € 5.000,- is terugbetaald.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is na 1 juli 2012 ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten
(artikel 6:96 leden Pro 5 en 6 BW). [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Er wordt daarin namelijk een hoger bedrag vermeld dan op grond van het Besluit is toegestaan. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.886,14
Wettelijke rente
4.10.
[eiser] vordert wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW vanaf het moment van verzuim door het verstrijken van de bedongen betalingstermijnen, dan wel bij ingebrekestelling. Er ontbreekt echter een renteberekening per geleend bedrag en het verstrijken van de termijnen. Daarom zal de rente worden toegewezen vanaf 19 maart 2025, zijnde 14 dagen na de eerste aanmaning.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.800, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijs het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.