Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
De betaling: 50% vooruitbetaling, 40% halverwege en 10% binnen 8 dagen na oplevering”. Daarbij is niet is gedefinieerd op welk moment het werk is aan te merken als ‘halverwege’. Daarnaast blijkt uit de offertes dat nog niet duidelijk was op welke wijze de betaling zou plaatsvinden. Dat had wel gemoeten, nu de informatie uit artikel 6:230l BW al aan de consument moet worden verstrekt in de precontractuele fase. Dit maakt dat [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke informatie heeft verschaft over de wijze van betaling en wanneer betaling plaats zou moeten vinden. Hiermee is sprake van een schending van de informatieplicht uit artikel 6:230l sub d BW.
De betaling: 50% vooruitbetaling, 40% halverwege en 10% binnen 8 dagen na oplevering”. Dit schema valt echter niet te rijmen met de gedragingen van partijen. Eerder ligt voor de hand dat partijen zijn overeengekomen dat de betalingen werden uitgevoerd naargelang het werk vorderde. Deze lezing wordt bevestigd in de e-mail van [gedaagde] van 11 juli 2022, waarin hij een eerdere versie van de offerte met daarop het bijschrift “
in overleg termijnen en termijnbedragen afspreken op basis van tijdsbestek/oplevering” met [eiser] heeft gedeeld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] vervolgens een aanbetaling heeft gedaan van € 10.000,00 en [eiser] is gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden. Hierna heeft [eiser] [gedaagde] steeds via Whatsapp gevraagd om betalingen van € 10.000,00 of € 20.000,00 te verrichten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] hierover verklaard dat vanwege de deelbetalingen, er geen reden voor hem was om een factuur aan [gedaagde] te sturen op het moment dat het werk halverwege was. Als partijen daadwerkelijk voornoemd betalingsschema waren overeengekomen, dan had dit naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand gelegen.
je weet dat we met tijdsdruk zitten en uiterlijk 1 oktober de klus af moet”. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze e-mail worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW Pro. De stelling van [eiser] dat de gegeven termijn niet redelijk zou zijn, gaat hier niet op. [eiser] heeft met deze e-mail immers nog een meer dan een maand de tijd gekregen om zijn werkzaamheden af te ronden. Aangezien [eiser] daar op dat moment ook al meer dan een jaar de tijd voor had gehad, komt de rechtbank de termijn redelijk voor. Tussen partijen is niet in geschil dat nakoming binnen deze termijn is uitgebleven. Bovendien geldt dat [eiser] niet heeft gevraagd om een langere termijn om na te komen, maar heeft hij ervoor gekozen in het geheel geen werkzaamheden meer te verrichten. Uit die gedraging kon ook worden opgemaakt dat hij niet meer zou nakomen. Daarmee is in beginsel aan alle vereisten voor verzuim voldaan. Het verzuim is alleen niet ingetreden als [eiser] zijn nakomingsverplichting ten tijde van de ingebrekestelling terecht had opgeschort vanwege het onbetaald blijven van het werk. De vraag die hier dus voorligt, is of [eiser] bevoegd was om zijn prestatie op te schorten.