Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3889

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
AMS 25/1259
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, die per 10 oktober 2023 is vastgesteld op 30,57%, wat onder de grens ligt voor recht op een WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het UWV terecht is uitgegaan van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar & beroep en de arbeidsdeskundige.

De rechtbank stelt dat het UWV haar besluiten mag baseren op zorgvuldige, consistente en logisch onderbouwde rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Eiseres voerde aan dat zij meer beperkingen ervaart dan vastgesteld, waaronder problemen met zicht, concentratie, geheugen en tintelingen in de handen. De rechtbank oordeelt echter dat deze klachten onvoldoende objectief medisch zijn onderbouwd als gevolg van ziekte of gebrek.

De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft de medische gegevens zorgvuldig betrokken en gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen niet zijn aangenomen. De rechtbank volgt dit standpunt en concludeert dat het beroep ongegrond is. Het UWV-besluit blijft ongewijzigd, eiseres behoudt de eerder toegekende uitkering tot 9 juni 2025, maar krijgt geen nieuwe WIA-uitkering toegekend. Ook wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden geen proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het UWV-besluit over haar arbeidsongeschiktheid is ongegrond verklaard en het besluit blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Kok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 10 oktober 2023. Het UWV heeft die, in het kader van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), vastgesteld op 30,57%. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan die de rechtbank in deze uitspraak beoordeelt.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 10 oktober 2023 heeft vastgesteld op 30,57%. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid met het besluit van 16 januari 2024 vastgesteld op 42,04% en aan eiseres een WIA-uitkering toegekend met ingang van 10 oktober 2023 (het primaire besluit).
4. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding hiervan hebben een verzekeringsarts bezwaar & beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar & beroep opnieuw medisch en arbeidsdeskundig onderzoek gedaan. Op basis hiervan heeft het UWV in het besluit van 10 januari 2025 geconcludeerd dat eiseres per 10 oktober 2023 30,57% arbeidsongeschikt is. Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% bestaat geen recht op een WIA-uitkering, maar eiseres behoudt het recht op de al door het UWV in het primaire besluit tot en met 9 juni 2025 toegekende WIA-uitkering (het bestreden besluit).
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvulling daarop van 26 maart 2026.
6. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

7. Het UWV heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar & beroep van 15 november 2024, de daarbij behorende Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2024 en een rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar & beroep van 25 november 2024.
8. De rechtbank stelt voorop dat het UWV haar besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapportages. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
9. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat ze de geselecteerde functies huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334 ), productiemedewerker industrie (SBC-code 111334 ), medewerker tuinbouw (SBC-code 111334 ) en lader, losser (SBC-code 111334 ) niet kan vervullen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd dat het beroep zich daarmee niet richt tegen de arbeidsdeskundige beoordeling, maar tegen de medische beoordeling. Volgens eiseres zijn er op een aantal punten onvoldoende beperkingen aangenomen. Omdat eiseres meer beperkt is dan is aangenomen door het UWV, kan zij de geselecteerde functies niet uitoefenen.
10. Bij het beoordelen van deze beroepsgronden is van belang dat bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet leidend is welke klachten iemand ervaart. Op grond van de Wet WIA kan alleen rekening worden gehouden met beperkingen die objectiveerbaar het gevolg zijn van ziekte of gebrek. [1] Dat eiseres meer beperkingen ervaart dan die door de verzekeringsartsen van het UWV zijn vastgesteld is dus onvoldoende om te twijfelen aan de rapporten en conclusies van de verzekeringsartsen.
Wazig zien
11. Volgens eiseres ziet zij wazig en zijn daarvoor ten onrechte geen beperkingen aangenomen. Eiseres heeft er op gewezen dat de primaire verzekeringsarts op
28 december 2023 heeft vastgesteld dat er geen hoge eisen aan de visus (geen priegelwerk) gesteld kunnen worden.
12. De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft in de rapportage van 15 november 2024 toegelicht dat uit het dossier volgt dat de oogartsen in Nederland geen afwijkingen hebben gevonden en alleen kunsttranen hebben voorgeschreven. Volgens de verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft eiseres zelf laten weten dat zij iets kan lezen als zij het dichtbij haar ogen houdt. De beperking op zien die door de primaire verzekeringsarts nog was aangenomen is daarom verwijderd.
12. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar & beroep volgen. Hoewel uit het dossier blijkt dat er zowel in Nederland als Turkije onderzoek is gedaan naar de klachten van eiseres, heeft eiseres geen (medische) stukken ingebracht waaruit volgt dat de klachten die zij ervaart in haar zicht objectiveerbaar het gevolg zijn van een ziekte of gebrek. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Concentratieproblemen en vergeetachtigheid
14. Eiseres stelt dat zij concentratieproblemen heeft en vergeetachtig is. Ook hiervoor hadden volgens eiseres (meer) beperkingen aangenomen moeten worden. Ter onderbouwing heeft eiseres verwezen naar een rapport van [bedrijf] van 17 oktober 2024.
15. Het UWV heeft er op gewezen dat het rapport van [bedrijf] door de verzekeringsarts bezwaar & beroep bij haar beoordeling is betrokken. Zij heeft in haar rapport van 15 november 2024 toegelicht dat door de psycholoog van [bedrijf] een depressieve stoornis is vastgesteld. Er zijn beperkingen vastgesteld voor de psychische klachten van eiseres, waarbij rekening is gehouden met een depressieve stoornis. De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft geen reden gezien om extra beperkingen aan te nemen voor geheugenklachten, omdat deze niet passen bij een depressieve stoornis en hiervoor in de medische stukken ook geen andere objectieve oorzaak kan worden gevonden.
16. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar & beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom zij ten aanzien van de gestelde geheugen- en concentratieproblemen geen (nadere) beperkingen heeft aangenomen. Desgevraagd kon de gemachtigde van eiseres ter zitting niet toelichten dat uit het rapport van [bedrijf] wel volgt dat de ervaren klachten zijn terug te voeren op een objectief medisch aantoonbare ziekte of gebrek. Nu eiseres dit standpunt ook niet met andere medische stukken heeft onderbouwd, slaagt ook deze beroepsgrond niet.
Tintelingen handen
17. Volgens eiseres is zij beperkt in het gebruik van haar handen, omdat zij last heeft van tintelingen. Ook dit komt volgens eiseres onvoldoende terug in de vastgestelde beperkingen in de FML.
18. De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft op 21 maart 2025 toegelicht dat uit medische informatie van de neuroloog van 17 mei 2024 en 14 oktober 2024 blijkt dat eiseres last heeft van tintelingen aan handen en voeten, die in alle vingers en niet continu aanwezig zijn. Dit is niet passend bij een neurologisch ziektebeeld en de neuroloog heeft niet geconcludeerd dat daarvan sprake is. Volgens de verzekeringsarts bezwaar & beroep is er dan ook geen medische reden waarom eiseres haar handen niet zou kunnen gebruiken.
19. De rechtbank kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Eiseres heeft in beroep geen (medische) stukken ingebracht waaruit volgt dat de klachten die zij ervaart in haar handen wel objectiveerbaar het gevolg zijn van een ziekte of gebrek. Om die reden slaagt ook deze beroepsgrond niet.
Slotsom
20. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in de beroepsgronden van eiseres geen aanleiding voor het oordeel dat het UWV niet van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar & beroep mocht uitgaan. De rapporten zijn zorgvuldig tot stand gekomen. Alle medische gegevens die zich in het dossier bevinden zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank is verder van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar & beroep consistent zijn en de conclusies ten aanzien van de arbeidsbeperkingen van eiseres er logisch uit voortvloeien.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het WIA-besluit ongewijzigd in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4 en Pro 5 van de Wet WIA.