Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3871

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/2879
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 2.10.8 HVV Amsterdam 2020Art. 11 Nadere regels HVV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens onvoldoende medische noodzaak

Eiseres, een alleenstaande vrouw woonachtig in een ruime huurwoning met vijf kamers, vroeg een urgentieverklaring aan om voorrang te krijgen bij woningtoewijzing in Amsterdam vanwege psychische en lichamelijke klachten die zij toeschrijft aan haar huidige woonsituatie.

Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af op basis van een medisch advies van de GGD, waarin werd geconcludeerd dat er geen sprake is van levensontwrichtende medische problematiek die verband houdt met de woonsituatie. De GGD-arts had eiseres onderzocht, dossierinformatie bestudeerd en concludeerde dat een eigen kamer in de huidige woning mogelijk is, wat de prikkelgevoeligheid kan opvangen.

Eiseres betwistte de zorgvuldigheid van het GGD-advies en voerde aan dat haar problematiek onjuist was beoordeeld, onder meer vanwege herbelevingen van het overlijden van haar vader in de woning. De rechtbank oordeelde dat het advies zorgvuldig tot stand was gekomen en dat eiseres geen tegenrapport had overgelegd. De verklaringen van familie waren onvoldoende om het advies te weerleggen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk omdat dit was vervangen door een herzien besluit, en het beroep tegen het herzien besluit ongegrond. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak bevestigt dat een urgentieverklaring op medische gronden alleen wordt toegekend bij levensontwrichtende problematiek die aantoonbaar verband houdt met de woonsituatie.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van levensontwrichtende medische problematiek gerelateerd aan de woonsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2879

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring om voorrang te krijgen op een woning in Amsterdam . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen op basis van het alsnog uitgevoerde medische advies. Uit het advies blijkt dat sprake is van een grote woning van vijf kamers waarbij een eigen kamer voor eiseres om zich van prikkels af te sluiten te realiseren is. De rechtbank kan dit volgen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op 18 december 2025, onder intrekking van het bestreden besluit 1, een herzien besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit 2).
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep tegen het bestreden besluit 1
3. De rechtbank stelt vast dat het college het besteden besluit 1 heeft vervangen met het bestreden besluit 2 en dat het vervangende besluit niet tegemoetkomt aan het beroep van eiseres. Daarom wordt het beroep op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede gericht te zijn tegen het bestreden besluit 2. Omdat het college het bestreden besluit 1 heeft vervangen, heeft eiseres geen belang meer bij de beoordeling van dit besluit, zodat het beroep voor zover het gericht is tegen dat besluit, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Wel heeft eiseres recht op een vergoeding van de proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 12.
Beroep tegen het bestreden besluit 1I
4. Eiseres is een alleenstaande vrouw geboren op [geboortedag] 1994. Zij woont met haar moeder en vier jongere zussen, waarvan drie meerderjarig zijn, op het adres [adres] . Dit betreft een huurwoning van 110 m2 met vijf kamers. Eiseres heeft urgentie aangevraagd wegens psychische en lichamelijke klachten die op negatieve wijze worden beïnvloed door de huidige woonsituatie.
5. Het college heeft met het bestreden besluit 2 de aanvraag afgewezen, zij het op andere gronden dan de voorgaande besluitvorming. De aanvraag is met dit besluit afgewezen omdat geen sprake is van levensontwrichtende medische problematiek die verband houdt met de woonsituatie van eiseres. [1] Het college verwijst hiervoor naar een alsnog uitgevoerde medische beoordeling door de GGD van 11 juni 2025.
6. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij stelt dat de medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en haar problematiek door de GGD-arts onjuist is beoordeeld.
Het oordeel van de rechtbank
7. Het GGD-advies is een deskundigenadvies. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
8. Uit het GGD-advies van 11 juni 25 blijkt dat de GGD-arts dossieronderzoek heeft gedaan en eiseres op het spreekuur van 7 februari 2025 heeft gesproken. Daarnaast heeft de GGD-arts brieven van de psychiater van eiseres van 10 januari 2024 en 16 januari 2025 betrokken. De GGD-arts concludeert dat eiseres medische problematiek heeft waarvoor zij onder behandeling staat en dat behandeling adequaat lijkt. Daarnaast moet het resultaat van een recent aanvullende behandeling worden afgewacht. Een aparte kamer in de woning voor eiseres zou in de huidige woning te realiseren moeten zijn en is voorliggend. De GGD-arts concludeert dat er onvoldoende grond is om te spreken van levensontwrichtende medische problematiek die verband houdt met de woonsituatie.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college het GGD-advies aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen omdat het advies niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De arts heeft eiseres op het spreekuur gezien en gesproken, heeft de dossierinformatie bestudeerd en heeft de medische informatie van de psychiater van eiseres betrokken. De rechtbank stelt verder vast dat de aanvraag is gebaseerd op de stellingname dat eiseres prikkelgevoelig is en een eigen plek nodig heeft om zich terug te trekken. Uit het advies blijkt dat sprake is van een grote woning van vijf kamers waarbij een eigen kamer voor eiseres om zich van prikkels af te sluiten te realiseren is. De rechtbank kan dit volgen.
10. Op de zitting heeft eiseres verteld dat de woning niet geschikt zou zijn door het plotselinge overlijden van haar vader in de woning, in haar aanwezigheid, en dat sprake is van herbelevingen in de woning. Die reden is echter niet terug te vinden is de verklaringen van haar psycholoog en uit het medisch advies blijkt ook niet dat eiseres hierover heeft gesproken met de GGD-arts. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag is gebaseerd op de behoefte van eiseres om zich van haar gezinsleden te kunnen terugtrekken en dat volgens de GGD-arts dit probleem is op te lossen door een eigen kamer voor eiseres te realiseren. Eiseres heeft geen medisch tegenrapport ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. De door eiseres ingebrachte verklaringen van haar familie zijn daarvoor onvoldoende. Als eiseres meent dat de woning ongeschikt is wegens herbelevingen van het overlijden van haar vader, dan zal zij daarvoor een nieuwe aanvraag moeten doen, waarbij zij deze reden opgeeft. Een nieuwe aanvraag is kansrijker als die wordt ondersteund door een verklaring van een onafhankelijk medisch deskundige dat de woning ongeschikt is voor eiseres.
11. De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande geen aanleiding om te oordelen dat het college een urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule had moeten verlenen omdat uit het bovenstaande volgt dat er geen sprake is van een uitzonderlijke noodsituatie waardoor eiseres niet meer in de huidige woning kan blijven.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit omdat het college hangende het beroep een nieuw besluit heeft genomen. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft beroep ingesteld (1 punt) en is op zitting verschenen (1 punt). Gemachtigde heeft ook op verzoek van de rechtbank gereageerd op het bestreden besluit 2 (0,5 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b: sociaal-medische urgentiecategorie Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (HVV) in samenhang met artikel 11 van Pro de Nadere regels