Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3868

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/13/755870 / FA RK 24/5774
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 810 RvArt. 223 RvArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en aanhouding omgangsregeling in complexe ouderschapszaak

In deze zaak verzoekt de man gezamenlijk gezag over zijn minderjarige zoon en een omgangsregeling met gelijke zorgverdeling. De vrouw verzet zich hiertegen en vraagt om afwijzing en begeleiding van omgang. De rechtbank constateert dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan met ernstige en ononderbouwde beschuldigingen, waardoor feitelijke vaststelling van gebeurtenissen niet mogelijk is.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een MASIC-onderzoek uitgevoerd en adviseert aanhouding van het gezagsverzoek en omgangsregeling, vanwege het ontbreken van voldoende vertrouwen en de noodzaak van contactherstel onder begeleiding. De GI ondersteunt dit en benadrukt het belang van beschikbaarheid van de vader voor het kind.

De rechtbank oordeelt dat gezamenlijk gezag niet haalbaar is vanwege de gespannen relatie en het risico op onhoudbare situaties voor het kind. Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen. De omgangsregeling wordt aangehouden, met voorlopig begeleide omgang onder regie van de GI en een onafhankelijke instantie. De behandeling van het verzoek tot kinderalimentatie wordt eveneens aangehouden in afwachting van financiële stukken.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen; omgangsregeling voorlopig aangehouden met begeleide omgang onder regie van de GI.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/755870 / FA RK 24/5774 en C/13/782501/FA RK 26/701 (VZ/NN)
Beschikking van 15 april 2026 inzake gezamenlijk gezag, een omgangsregeling en kinderalimentatie
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna mede te noemen de vrouw,
advocaat mr. H. Zobuoglu te Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie [locatie] ,
gevestigd te Den Haag, hierna te noemen de Raad.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de rechtbank de Raad verzocht regie te voeren op het afnemen van een MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns)
bij partijen en advies uit te brengen omtrent de gestelde vragen en is bepaald dat de omgang tussen
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019 (hierna: [minderjarige] ) en de man voorlopig enkel begeleid plaats zal vinden, onder regie en op geleide van de GI in het vrijwillig kader. Voornoemde beschikking dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
1.2.
Nadien heeft de rechtbank kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het aanvullende verzoek van de vrouw met de producties 7 t/m 10, ontvangen 15 april 2025;
  • een F9-formulier van de man, ontvangen 14 juli 2025;
  • het rapport van de Raad van 31 december 2025, ontvangen 2 januari 2026;
  • het bericht van de Raad van 23 februari 2026, ontvangen 25 februari 2026;
  • het aanvullende verweer van de vrouw met de producties 12 t/m 24, ontvangen 20 februari 2026.
1.3.
De rechtbank heeft het F9-formulier van de man met reactie en de producties 12 t/m 15, ontvangen 27 februari na bezwaar van de vrouw buiten beschouwing gelaten omdat het stuk, in strijd met het geldende procesreglement, minder dan drie werkdagen voor de zitting ingediend was.
1.4.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 3 maart 2026.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar (kenmerk C/13/782121 / JE RK 26-63). Verschenen en gehoord zijn:
  • de man en zijn advocaat;
  • de vrouw en haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI]
Aan de zijde van de man zijn pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De vrouw heeft een persoonlijke verklaring voorgedragen en heeft deze vervolgens aan de rechtbank overgelegd.

2.De feiten

2.1.
In de procedure in provisionele voorzieningen ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met kenmerk C/13/776275 /FA RK 25-7385 heeft deze rechtbank bij beschikking van 26 november 2025 een beslissing genomen ten aanzien op de volgende verzoeken van de man:
I. te bepalen dat een alternatieve locatie wordt aangewezen waar de omgang kan plaatsvinden;
I. de GI te belasten met de bevoegdheden die zij nodig hebben om regie te voeren in het contactherstel tussen de man en [minderjarige] ;
II. hangende het onderzoek van de Raad [minderjarige] reeds voorlopig onder toezicht te stellen voor een periode van een jaar;
III. te bepalen dat het Centrum Internationale Kinderontvoering een advies uit zal brengen omtrent de door de vrouw geponeerde dreiging;
en subsidiair:
IV. in het geval dat de rechtbank de primaire vordering III afwijst, verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat een bijzondere curator wordt toegewezen aan [minderjarige] ;
V. in het geval dat de rechtbank de primaire vordering I afwijst, verzoekt de man de rechtbank te bepalen dat de omgang voortaan onbegeleid zal plaatsvinden.
2.2.
De rechtbank heeft de man in zijn verzoeken onder II en III niet ontvankelijk verklaard en de overige verzoeken van de man afgewezen.
2.3.
Bij beschikking van heden heeft de kinderrechter het verzoek van de Raad om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar uit te spreken, afgewezen.
2.4.
Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar haar eerdere beschikking in deze zaak van 20 december 2024.

3.De openstaande verzoeken

3.1.
De man verzoekt hem mede met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] , alsmede een omgangregeling te bepalen in die zin dat [minderjarige] de ene week vier nachten en de andere week drie nachten bij de man slaapt, waardoor sprake is van een gelijke verdeling van de zorg voor [minderjarige] .
3.2.
De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel al zijn verzoeken af te wijzen. Als zelfstandig tegenverzoek verzoekt de vrouw te bepalen dat wanneer er een omgangsregeling wordt vastgesteld dit door een onafhankelijke organisatie dient te worden begeleid. Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de man in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] bijdraagt met een bedrag van € 790,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie
vermeent te behoren, vanaf 23 januari 2025, althans vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

4.De nadere standpunten

4.1.
De man
4.1.1.
De man betwist dat het door de vrouw gestelde intieme terreur plaats heeft gevonden. Uit het (MASIC)-onderzoek van de Raad blijkt ook dat voor de aantijgingen van de vrouw geen enkele onderbouwing is aangetroffen c.q. geleverd. Er is geen enkele bron die de angsten van de vrouw ondersteunen, dit ondanks het zeer uitgebreide onderzoek. Het zijn juist [minderjarige] en de man die de dupe zijn van een langdurig voorbereid plan en extreem geweld. De vrouw heeft bewust [minderjarige] bij de man weggehaald en weggehouden. Zij heeft een zeer brute wijze ingezet om haar relatie te beëindigen en [minderjarige] van de man te scheiden, terwijl de politie aan heeft gegeven de vrouw bij te kunnen staan bij het verlaten van de woning. Het kan niet anders dan dat de dag van 12 mei 2024 een zeer traumatische ervaring voor [minderjarige] moet zijn geweest. [minderjarige] heeft immers moeten toekijken hoe zijn vader op brute wijze werd mishandeld. Het openbaar ministerie heeft de aangifte van de man over het gebeurde op 12 mei 2024 geseponeerd. De man heeft hiertegen een klaagschrift ex artikel 12 Sv Pro ingediend bij het gerechtshof. Uit het procesdossier blijkt dat het ‘ontvoeren’ van [minderjarige] zeer nauwkeurig is gepland. Hoewel er geen aanwijzingen voor geestelijke of fysieke mishandeling door de man, heeft de vrouw de keuze gemaakt om [minderjarige] bij de man weg te halen. Wat dit betekent voor de toekomst, wat het zegt over de geestelijke gesteldheid van de vrouw en hoe zich dat verhoudt tot het welzijn van [minderjarige] , zijn vragen die de man dagelijks bezighouden.
4.1.2.
Hoewel door de vrouw is aangegeven dat er omgang tussen [minderjarige] en de man dient te zijn, is er door de vrouw geen enkele stap gezet om hieraan mee te werken. De hulpverlening heeft aangegeven dat de vrouw haar eenhoofdig gezag heeft ingezet om met de man bepaalde informatie niet te delen. Al tijdens de zwangerschap van [minderjarige] moet de vrouw geweten hebben wat zij van plan was. Zij heeft dan ook volledig de regie genomen en heeft alles bepaald. In de ogen van de man heeft de vrouw het voor elkaar gekregen dat de zeer goede band tussen [minderjarige] en de man volledig teniet is gedaan. De schade die [minderjarige] hiervan heeft en zal hebben is een direct gevolg van de handelwijze van de vrouw. Immers, de man wordt consequent als gevaarlijk bestempeld door de vrouw. De vrouw stelt nimmer psychische klachten te hebben gehad, terwijl de politie uit haar notities in haar telefoon wel degelijk heeft kunnen opmaken dat zij mentaal achteruit is gegaan tijdens de zwangerschap. Zij heeft de man financieel uitgekleed door hem alles te laten betalen, terwijl zij aantoonbaar een goed inkomen had. De man vindt het kinderalimentatieverzoek van de vrouw misdadig, gelet op wat de vrouw de man allemaal aan heeft gedaan. De man is van mening dat zij hem heeft bedrogen en op tactische wijze heeft buitengesloten. Dit alles duidt erop dat zij dit niet heeft gedaan uit zorg voor [minderjarige] , waarmee zij zowel [minderjarige] als de man heeft beschadigd en benadeeld.
4.1.3.
De man stelt dat de vrouw stelselmatig weigert met hem in gesprek te gaan. Op dit moment heeft de vrouw eenhoofdig gezag waardoor zij geen overleg hoeft te voeren met de man. Overigens heeft zij wel een inlichtingenplicht richting de man over [minderjarige] , maar zij voldoet hier onvoldoende aan. Door stelselmatig aan te geven niet met de man in gesprek te willen gaan, blokkeert de vrouw bewust het contact. Het gevolg hiervan is dat ingezette hulpverlening niet verder kan met (wederom) opstarten van het contact tussen de zoon en de man. De vrouw is zich volledig bewust van het feit dat haar weigering gezamenlijk gezag in de weg staat. Het niet willen communiceren met de man is dan ook een bewuste keuze. Er is geen sprake van “moeizame” communicatie zoals namens de vrouw wordt gesteld, maar een volledige blokkade vanuit haar zijde. De man stelt zich op het standpunt dat het bewuste tegenhouden van contact door de vrouw niet in de weg zou mogen staan aan de toewijzing van gemeenschappelijk gezag. Daarbij wordt benadrukt dat er geen feitelijke en objectieve aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat gemeenschappelijk gezag strijdig zou zijn met het belang van [minderjarige] . Daarnaast moet niet worden vergeten dat de vrouw zich volledig bewust is van hetgeen zij veroorzaakt door het weigeren om met de man in gesprek te gaan. De vrouw heeft immers expertise vanuit haar werkzaamheden met dit soort situaties. Dit blijkt ook uit hetgeen zij stelt in haar berichten van augustus 2020 betreffende haar gezagspositie.
4.1.4.
Sinds het scheiden van [minderjarige] van zijn vader zijn bijna twee jaren verstreken. In deze periode is er geen enkele vooruitgang geboekt in de omgang tussen vader en zoon, terwijl objectieve aanwijzingen van gronden om het contact tussen de man en zijn zoon te beperken in het geheel ontbreken. Het advies van de Raad om ondanks het gebrek aan objectieve aanleiding hiertoe, de beslissingen omtrent het gezag aan te houden en de omgang voorlopig uitsluitend begeleid te doen plaatsvinden, zal ook niet zorgen voor een verbetering, maar de vrouw eerder sterken in haar houding. Daarom wordt met klem verzocht om de oorspronkelijke verzoeken, te weten het toekennen van gezag aan de man en een omgangsregeling (zonder begeleiding) vast te stellen. Het belang van [minderjarige] is hiermee gediend. Dit blijkt ook uit het feit dat de vrouw weliswaar van mening is dat het goed gaat met [minderjarige] onder haar begeleiding, terwijl er duidelijke signalen van zorg zijn, hetgeen ook gemeld wordt in het raadsrapport. Mocht de rechtbank van mening zijn dat er slechts sprake kan zijn van begeleide omgang, dan is dat voor de man ook geen probleem. De organisatie WijzijnSterk is zeer capabel en de man vindt het logisch dat men van hem wil zien dat hij handelt als een goede vader. Een tijdelijke begeleide omgang is voor de man dan ook geen probleem. Wel wil de man benadrukken dat hij de eis van de vrouw om beveiliging ter plaatse te hebben, gestopt zou willen zien. In het belang van [minderjarige] heeft de man dan ook afgezien van contact met [minderjarige] omdat de omgangsmomenten onder hoogspanning plaatsvonden. De man snapt dan ook dat de omgang drie keer is mislukt. Als de omgang op dezelfde manier als voorheen georganiseerd wordt, dan is de kans op mislukking groot. [minderjarige] heeft juist positieve ervaring nodig. De omgang zal daarom zoveel mogelijk op een normale wijze plaats hebben te vinden, dus thuis of op een openbare plek wanneer de man en [minderjarige] de behoefte daartoe hebben. Voor de man is het absoluut belangrijk dat het contactherstel en de omgang op een natuurlijke en goede wijze plaatsvindt. Wanneer dit niet kan dan moet de man erover nadenken of de omgang wel in het belang van [minderjarige] is. Als contact op de juiste manier plaats kan vinden dan is de man altijd beschikbaar. Hij zal dan ook meewerken, mits dit in het belang van [minderjarige] is. De man is van mening dat hij zich wel degelijk inzet om de omgang en het contactherstel te bespoedigen, zijn verzoek in provisionele voorzieningen van vorig jaar maken dit duidelijk. De man wil graag kunnen aantonen dat hij niet de persoon is zoals de vrouw hem in de afgelopen twee jaar heeft afgeschilderd. Hij is geen gewelddadige man, er mag dan ook niet meer naar de inmiddels vals gebleken aantijgingen van de vrouw gehandeld worden. Desgevraagd tijdens de mondelingen behandeling, heeft de man te kennen gegeven dat hij niet weet wat hij tegen [minderjarige] gezegd zou kunnen hebben waardoor [minderjarige] , volgens de speltherapeute, bang is geworden.
4.1.5.
Als het gaat om de angst voor ontvoering van [minderjarige] door de man, brengt de man het volgende naar voren. Het is een vaststaand feit dat de man een band heeft met Zuid-Afrika, maar uit niets blijkt dat hij voornemens is dan wel ooit is geweest om zijn zoon te ontvoeren naar Zuid-Afrika. De vrouw twijfelt, zo blijkt uit het raadsrapport, aan de hechting van de man met Nederland. De man maakt andermaal duidelijk dat hij in het belang van [minderjarige] een co-ouderschapsregeling vastgelegd wil hebben. Uiteraard zal de uitvoering daarvan in Nederland plaatsvinden. Het voorgaande neemt niet weg dat de man zijn bedrijf eveneens in Zuid-Afrika heeft, terwijl hij – mede in het belang van [minderjarige] – inkomsten zal moeten genereren. De man wil zijn zoon een goed leven kunnen bieden; dat is iets waar hij in de afgelopen jaren ook hard voor heeft gewerkt. Dit zal maken dat de man altijd een band zal houden met Zuid-Afrika en bij tijd en wijle ook voor een kortere of langere periode in Zuid-Afrika zal moeten verblijven. Dat de vrouw uit de Zuid-Afrika-verwijzingen tijdens de omgangsmomenten concludeert dat de man voornemens is [minderjarige] te ontvoeren bevreemdt hem. De man heeft zijn best gedaan [minderjarige] op zijn gemak te stellen door positieve herinneringen op te halen. Zoals hiervoor al gesteld, heeft [minderjarige] heel veel tijd in Zuid-Afrika doorgebracht, ging hij naar school en had hij daar vriendjes. Het kan dan ook niet vreemd zijn, dat herinneringen onherroepelijk samenhangen met de tijd die partijen gezamenlijk in Zuid-Afrika hebben doorgebracht.
4.2.
De vrouw
4.2.1.
In haar verweer brengt de vrouw naar voren dat de man zich gedurende de relatie van partijen schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat moet worden gekenmerkt als intieme terreur. De Blijf Groep heeft vastgesteld dat hier voldoende aanwijzingen voor zijn. Desgevraagd beaamd de vrouw dat de Blijf Groep deze conclusies getrokken heeft op grond van wat de vrouw verteld heeft en dat er geen wederhoor bij de man heeft plaatsgevonden. Vanwege een concreet risico op kinderontvoering en ontvoering zijn de vrouw en [minderjarige] in oktober 2024 geplaatst op een noodbed in de vrouwenopvang, waar zij momenteel nog verblijven en dat is niet uit luxe. Naast de Blijf Groep heeft ook het Centrum Internationale Kinderontvoering (CIKO) de zorgen van de vrouw over het risico op internationale kinderontvoering bevestigd, zo valt op te maken uit het raadsrapport.
4.2.2.
De vrouw ziet er een patroon in dat de man op haar gericht blijft en dat [minderjarige] daardoor wordt belast. Een ouder die zo met de andere ouder bezig is, heeft geen oog voor de belangen van het kind of het kind zelf en gebruikt het kind als tool om de andere ouder te straffen, zo stelt de vrouw. Dat de man via derden gericht is op de vrouw (stalking by proxy) blijkt ook uit het feit dat hij herhaaldelijk meldingen tegen haar doet, aangiftes bij politie, en juridische stappen neemt. Zo deed hij in januari 2025 aangifte van seksueel misbruik en kindermishandeling van [minderjarige] door de vrouw. Opvallend hierbij was dat de man nooit eerder iets had benoemd hierover en dit pas kort na de beschikking van december 2024 deed, waarbij door de rechtbank tot een raadsonderzoek en MASIC werd beslist, terwijl hij zowel de vrouw en [minderjarige] sinds oktober 2024 niet meer had gezien. Ook meldde de man bij verschillende instanties dat de vrouw suïcidaal zou zijn en dat zij [minderjarige] hierin mee zou nemen. Tijdens het raadsonderzoek blijft de man ook op de vrouw gericht en zet hij ook nu derden in om aan te tonen dat zij als moeder niet zou deugen. Daarnaast heeft de man tot op heden nog steeds geen financiële gegevens overgelegd waardoor de vaststelling van de kinderalimentatie zodat gewaarborgd is dat [minderjarige] in zijn financiële en materiele behoefte wordt voorzien vertraging onnodige vertraging oploopt.
4.2.3.
Wat voorts opvalt is de discrepantie tussen wat de man zegt en wat hij doet. De man noemt bijvoorbeeld dat de vrouw [minderjarige] bij hem weghoudt en dat hij [minderjarige] graag wil zien. Hij verzoekt de hulpverlening en nu ook de rechtbank voor een uitbreiding van onbegeleide omgang. Terwijl de vrouw haar volledige medewerking geeft aan het contactherstel, is het de man die tegen advies van de betrokken hulpverlening de omgang stopzet. Vervolgens heeft hij de begeleide omgang niet willen hervatten in januari 2026, omdat hij zei te willen wachten op de zitting van 3 maart 2026. De man voert zijn eigen koers in de wetenschap dat [minderjarige] zelf in december 2025 had aangegeven dat hij zijn vader wilde zien. Als ouders omgang afzeggen, als een kind daarom vraagt en daarna maandenlang geen contact heeft, zal het kind de afwijzing ervaren. Dit heeft ernstige invloed op de gehechtheids-relatie en de emotionele veiligheid in de toch al zo precaire situatie van contactherstel. [minderjarige] heeft er recht op dat gekeken wordt naar wat een omgang naar zijn draagkracht is. Uit het raadsonderzoek is naar voren gekomen dat [minderjarige] bij de speltherapeut heeft aangegeven bang te zijn door iets wat de man tegen hem heeft gezegd. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij de man soms wel wil zien en soms niet. Een citaat uit van [minderjarige] uit het gesprek met de speltherapeut is: “anderen moeten niet voor mij bepalen. Ik wil papa soms zien en soms niet”, voorts wil [minderjarige] dat de begeleiding door WijzijnSterk plaatsvindt. Wat [minderjarige] eigenlijk zegt is dat hij zijn vader best wil zien maar dit in een setting wenst die voor hem het meest veilig voelt. De vrouw vindt dan ook dat naar [minderjarige] geluisterd met worden en dat de omgang naar zijn draagkracht verloopt. De moeder heeft het idee dat de GI hier in het vrijwillig kader ook de regie in voert en dat alle hulpverlening hierop is afgestemd; zij zijn kindgericht. De vrouw gaat daarom ook mee en zal in het vervolg ook meegaan in wat de GI en de hulpverlening adviseren. De angst die de vrouw voor de man heeft belemmerd haar niet met betrekking tot de omgang tussen [minderjarige] en zijn vader. De vrouw verleent in alle situaties toestemming, initieert samenwerking tussen hulpverleners. Dat typeert niet een moeder die haar kind het contact met de eigen vader ontzegt of dwarsligt. De man kan zich echter niet vinden in de werkwijze van de GI en voelt zich onvoldoende gehoord. De GI heeft aangegeven dat de samenwerking met de man stroef verloopt en de man heeft te kennen gegeven geen contact meer te willen met de GI na oktober 2025.
4.2.4.
Het voorgaande laat zien dat de man vooral gericht blijft op de vrouw en [minderjarige] inzet voor de strijd. Immers, als de man daadwerkelijk het belang van zijn zoon voor ogen had, dan had hij ieder moment aangegrepen om als vader in beeld te zijn bij zijn kind en [minderjarige] het gevoel te geven dat hij belangrijk is voor hem. In plaats daarvan zet de man de vrouw onder druk zonder oog te hebben voor wat dit allemaal met [minderjarige] doet en voor het feit dat de vrouw vooralsnog de enige is die de zorg voor [minderjarige] draagt. Ten aanzien van die zorg staat de vrouw onder begeleiding en observatie van de Blijf Groep en andere betrokken hulpverlening. Er zijn door hen geen enkele zorgen vastgesteld over de veiligheid, het functioneren of het welzijn van [minderjarige] bij zijn moeder. Ook geeft de speltherapeut aan dat [minderjarige] zich veilig voelt bij de vrouw en zich bij haar goed kan uiten en school stelt dat [minderjarige] vrolijk is en zich goed ontwikkelt. Wat nu nodig is, is dat de man zich in plaats van op de vrouw, op [minderjarige] richt en meewerkt mee aan de begeleide omgang en dat samen met WijzijnSterk uitgezocht wordt wat nodig en mogelijk is gelet op de draagkracht van [minderjarige] . Beide ouders zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen gedrag en de band die zij hebben met [minderjarige] . Na jaren van aanhoudende onrust voor [minderjarige] , en het niet verbeteren van de communicatie tussen partijen, zijn rust en stabiliteit nu het allerbelangrijkste. Parallel Ouderschap ligt in die zin voor de hand.
4.2.5.
De vrouw stelt dat de Raad de MASIC niet goed afgenomen heeft en heeft hierover een klacht bij de Raad ingediend. Er is onder andere sprake van onjuistheden en onvolledigheden in het rapport en worden er conclusies getrokken over de relatie tussen de man en [minderjarige] terwijl dit niet de bedoeling is van een MASIC. Ook heeft de vrouw procesmatige en methodologische bezwaren en is zij van mening dat sprake is van selectieve positieve waarneming, vooringenomenheid, feitelijke onjuistheden en onervarenheid bij degene die de interviews af heeft genomen.
4.2.6.
Desgevraagd heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat de politie haar niet een aanbod heeft gedaan om de vrouw met [minderjarige] bij de man weg te geleiden. Wel is door de politie een aanbod gedaan voor het voeren van een stopgesprek met de man. De stelling van de man dat de vrouw het gebeurde op 12 mei 2024 lange tijd had voorbereid is onjuist. Hier zijn geen bewijzen voor, net zomin als voor de door de man gestelde mishandeling tijdens het vertrek van de vrouw.
4.3.
De Raad
Advies
4.3.1.
De Raad adviseert de rechtbank het verzoek van de man om hem mede met het gezag te belasten aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van de hulpverlening. De Raad verwacht dat gezamenlijk gezag de onrust/strijd tussen partijen zal verhogen en [minderjarige] klem en verloren raakt. De Raad vindt het op dit moment dan ook niet in het belang van [minderjarige] een wijziging aan te brengen in het gezag. Ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] adviseert de Raad om de beslissing aan te houden voor de duur van negen maanden. De Raad ziet op dit moment nog onvoldoende mogelijkheden een regeling te bepalen omdat eerst contactherstel moet plaatsvinden. De GI dient daarom regie te voeren ten aanzien van de wijze waarop de begeleide omgang wordt vormgegeven (wie de omgang gaat begeleiden en hoe de omgang eruit komt te zien). [minderjarige] heeft bij de speltherapeute zijn gevoelens ten aanzien van de man besproken. Dit zal verder uitgewerkt dienen te worden. De vrouw geeft aan dat contact met de man gewenst is en zij hieraan meewerkt, hoewel de Raad ook ziet dat de vrouw geen vertrouwen heeft in de man. Er zijn twee omgangsmomenten positief verlopen. Dat betekent dat als er contact is, het contact ook prettig kan verlopen. Binnen de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling zal de omgang tussen [minderjarige] en de man gemonitord moeten worden om zo de mogelijkheden en belemmeringen voor een eventuele uitbreiding te onderzoeken.
Bevindingen MASIC
4.3.2.
Op basis van de MASIC constateert de Raad dat er verschil is tussen de gerapporteerde vormen van geweld door de man en de vrouw. De vrouw benoemt dat ze meerdere vormen van geweld (psychologische mishandeling, dwingende controle, bedreigingen met serieus geweld, (ernstig) lichamelijk geweld, seksueel geweld en belaging/stalking) vanuit de man heeft ervaren tijdens en na haar relatie met de man. Dit kwam de laatste twaalf maanden van hun relatie volgens de vrouw veelvuldig voor. Zij ervaart nog steeds angst voor de man en wil geen gesprekken met hem. De man heeft na het verbreken van de relatie met de vrouw psychische mishandeling en (ernstig) lichamelijk geweld ervaren. Na de relatie heeft de man geweld in de vorm van negatief afschilderen/onterechte aantijgingen, en het onthouden van contact met [minderjarige] ervaren. De man ervaart angst voor de vrouw vanwege het incident op 12 mei 2024, waarbij hij aangeeft te zijn mishandeld door onbekende mannen. Tevens ervaart de man onveiligheid door de beschuldigingen vanuit de vrouw, waardoor hij meermaals een bodycam heeft gedragen en audio-opnames heeft gemaakt tijdens contactmomenten met [minderjarige] en de vrouw. De man wil wel in gesprek met de vrouw.
Het verschil tussen de ouders duidt op een andere beleving van verschillende gebeurtenissen. Ook wanneer er derden aanwezig waren, zoals bij overdrachtsmomenten, is de beleving van de ouders verschillend. De vormen van geweld die door de vrouw zijn genoemd, strekken zich over langere tijd uit, terwijl de door de man genoemde gebeurtenissen voornamelijk voorkomen in de periode nadat ouders uit elkaar zijn gegaan. Partijen hebben beiden zorgen over geestelijke gezondheidsproblemen bij de ander. Op basis van de beschikbare informatie kan de Raad niet concluderen dat er sprake is van dwingende controle vanuit de man naar de vrouw of vanuit de vrouw naar de man. De Raad heeft geen feitelijke aanwijzingen dat een van partijen de andere zou proberen te domineren of controleren. Het is belangrijk om op te merken dat de afwezigheid van feitelijke informatie niet wil zeggen dat hier geen sprake van is (geweest). De angst die de vrouw ervaart richting de man is groot en bij de insteek van hulp dient daar rekening mee gehouden te worden.
Welbevinden van [minderjarige]
4.3.3.
De ernstig verstoorde vertrouwensrelatie tussen partijen heeft een negatieve invloed op [minderjarige] . Een grote zorg van de Raad is het instabiele contact dat [minderjarige] heeft gehad met zijn vader en dat er momenteel helemaal geen contact meer is. Aan de speltherapeut heeft [minderjarige] verteld dat hij bang is geworden door iets wat de man tegen hem heeft gezegd. De wens om de man (begeleid) te ontmoeten is bij [minderjarige] aanwezig. Het is nodig dat de man beschikbaar blijft voor het contact met [minderjarige] . De Raad vreest dat als er niets verandert en [minderjarige] geen passende hulpverlening krijgt aangeboden, [minderjarige] steeds verder zal verwijderen van zijn vader. Het is bekend dat contact met beide ouders voor kinderen belangrijk is voor een evenwichtige sociaal-emotionele ontwikkeling waarbij zij zich kunnen spiegelen aan beide ouders.
4.4.
De GI
4.4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat het van belang is dat de man beschikbaar is als [minderjarige] aangeeft dat hij contact met zijn vader wil. De GI begrijpt dat de begeleide en beveiligde setting lastig voor de man is, maar voor [minderjarige] is het belangrijk dat zijn vader op hem wacht en beschikbaar is als [minderjarige] hem wil zien. Enerzijds zal de wens van [minderjarige] leidend zijn in de frequentie van het contact, maar anderzijds laat de GI [minderjarige] weten dat het aanbod er is, nu is dat een keer in de week op de woensdag. De vrouw heeft tot nu toe aan alles meegewerkt wat de GI geadviseerd heeft, hierdoor is geen reden om aan te nemen dat de vrouw dit in de toekomst niet zal doen.

5.De verdere beoordeling

5.1.
De rechtbank ziet zich gesteld voor een zaak waarin partijen ten aanzien van hun standpunten, verhalen en beleving over wat er tussen hen gebeurd is, lijnrecht tegenover elkaar staan. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat van beide kanten geen concrete, objectieve en verifieerbare onderbouwing aan hun stellingen is gegeven waardoor de rechtbank niet feitelijk kan vaststellen wat zich heeft afgespeeld. Dit bemoeilijkt de beantwoording van de vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, namelijk wat nu en in de toekomst ten aanzien van omgang en gezag mogelijk en noodzakelijk is om [minderjarige] in staat te stellen zich naar behoren te ontwikkelen. Zouden de door beide partijen gestelde feiten vaststaan, dan vormen die immers een reëel veiligheidsrisico voor [minderjarige] . Bovendien is de onduidelijkheid over het verleden ook voor zijn toekomstige ontwikkeling problematisch. Voor kinderen is het van groot belang dat zij kunnen vertrouwen op een waarheidsgetrouw levensverhaal. Dit vormt een deel van de basis voor hun gevoel van veiligheid en identiteit. Wanneer kinderen weten waar ze vandaan komen en hoe hun persoonlijke geschiedenis in elkaar steekt, kunnen zij hun eigen plek in de wereld beter begrijpen. Een eerlijk en consistent levensverhaal helpt hen om vertrouwen te ontwikkelen in zichzelf en de mensen om zich heen en maakt het mogelijk om gezonde relaties op te bouwen.
5.2.
Gezamenlijk gezag
Juridisch kader
5.2.1.
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijk oordeel
5.2.2.
Hoewel de Raad geadviseerd heeft om het verzoek aangaande het gezamenlijk gezag aan te houden, is de rechtbank van oordeel dat het in belang van [minderjarige] is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt, zodat [minderjarige] , partijen en ook de GI en de hulpverlening weten wat het kader is waar vanuit en waaraan gewerkt dient te worden.
5.2.3.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank acht dit in de situatie van partijen geen realistische mogelijkheid. Met de Raad is voor de rechtbank duidelijk dat de spanningen tussen partijen nog verder zullen oplopen als zij beslissingen over [minderjarige] in overleg gezamenlijk moeten gaan nemen, gelet op de wijze waarop zij zich sinds hun uiteengaan tot elkaar verhouden. Daarmee zal voor [minderjarige] een onhoudbare situatie ontstaan. Partijen doen over en weer zeer ernstige en zorgelijke uitspraken over elkaar en wat er in het verleden is gebeurd, en er bestaat geen aanknopingspunt om te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. De vrouw handhaaft haar feitelijke stellingen over de gebeurtenissen tijdens de relatie van partijen, die gekenmerkt kunnen worden als intieme terreur. De rechtbank kan die feiten niet vaststellen, omdat deze door de man worden betwist en de vrouw hieraan geen onderbouwing heeft gegeven. De man persisteert op zijn beurt in zijn beschuldigingen van mishandeling en seksueel misbruik van [minderjarige] door de vrouw. Daarbij benadrukt de man herhaaldelijk en indringend dat het verhaal van de vrouw niet klopt en ongefundeerd is, maar gaat hij eraan voorbij dat voor zijn eigen beschuldigingen aan het adres van de vrouw evenmin enig aanknopingspunt bestaat. Wat overblijft is een situatie waarin de beschuldigingen over een weer dermate persisterend en ernstig zijn, dat enige vorm van samenwerking niet haalbaar kan worden geacht. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de vrouw wel open staat voor communicatie middels parallel solo ouderschap, maar dat de man blijft persisteren dat de vrouw met hem in gesprek moet gaan. De man stelt daarbij bovendien ten onrechte dat het uitblijven van dat gesprek er volgens hem toe leidt dat hij niet wordt betrokken in het leven van [minderjarige] en dat de vrouw geen enkele stap gezet heeft om mee te werken aan de omgang tussen [minderjarige] en de man. De Raad, de GI en andere hulpverlening bevestigen immers dat de vrouw wel meewerkt aan het contactherstel, en dat het juist de man is die hieraan geen medewerking verleent. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie geen vooruitzicht biedt dat partijen met hulpverlening wel tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening kunnen komen. Het in stand houden van het eenhoofdig gezag brengt voor rust en duidelijkheid met zich waardoor er gefocust kan worden op het contactherstel en dat acht de rechtbank, zeker op dit moment, het meest in het belang van [minderjarige] .
5.3.
Omgangsregeling
5.3.1.
De rechtbank acht zich ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] nog onvoldoende geïnformeerd om hierover een definitieve beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom een definitieve beslissing over de omgangsregeling aanhouden, zoals ook geadviseerd door de Raad. Voor [minderjarige] is van belang dat de komende tijd gewerkt blijft worden aan contactherstel met zijn vader, mits dat contact veilig en voor hem te dragen is. Inachtneming van die draagkracht betekent dat de omgang met de vader vooralsnog begeleid zal moeten plaatsvinden. De rechtbank zal dan ook bepalen dat onder regie en op geleide van de GI de omgang tussen de man en [minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij een belangrijke rol voor WijzijnSterk en de speltherapeut weggelegd is bij de verdere beoordeling van de draagkracht van [minderjarige] . [minderjarige] heeft namelijk aangeven dat hij zich zowel bij WijzijnSterk als de speltherapeut op zijn gemak voelt. Omdat de overdrachtsmomenten in de periode mei t/m augustus 2024 ondanks veiligheidsafspraken niet goed en onder zeer veel spanning verlopen zijn, acht de rechtbank het van belang dat begeleiding plaatsvindt door een neutrale partij en niet door iemand uit het netwerk van de man of de vrouw.
5.3.2.
Voorts merkt de rechtbank nog het volgende op. Op basis van de stukken en wat ter zitting naar voren is gekomen is voldoende vast komen te staan dat de vrouw heeft laten zien dat zij zich conformeert aan wat de GI en de hulpverlening adviseren en voorstellen en dat zij in staat is gebleken samen te werken met verschillende instanties als het gaat om het contactherstel tussen [minderjarige] en de man. De vrouw zegt dat zij het van belang vindt dat er contact tussen [minderjarige] en zijn vader is en handelt hier ook naar. Tot op heden wordt het gedrag van de man gekenmerkt door een afwijzende, ontwijkende en voorwaardelijke houding. Ook in de afgelopen periode heeft de man de omgang met [minderjarige] geweigerd. De man voert hierbij aan dat dit in het belang van [minderjarige] is, gelet op de setting waarin de omgang plaats moet vinden. De rechtbank gaat hier niet in mee aangezien het [minderjarige] is die om contact met zijn vader vraagt en aan heeft gegeven dat hij dit onder begeleiding wil doen. Daarnaast is eerder gebleken, namelijk op 23 april 2025 en 30 april 2025, dat omgang in een begeleide en beveiligde setting een positieve ervaring voor [minderjarige] is geweest. De man zal zijn eigen aandeel in het stagneren van de omgang onder ogen moeten zien. Voor het zetten van stappen in het contactherstel is het nodig dat de man zich (pro)actief inzet en zich niet verschuilt achter wat er volgens hem niet mogelijk is en niet aan zijn eisen voldoet. Hierdoor is dat wat wel mogelijk is onbenut gebleven. De man doet [minderjarige] daarmee tekort. De man zal moeten laten zien dat hij het belang van [minderjarige] ziet en dat hij dit kan laten prevaleren door over zijn eigen schaduw heen te stappen als het gaat om de wijze waarop de omgang wordt vorm gegeven.
5.3.3.
De rechtbank zal de behandeling van het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de omgang de komende tijd, zoals onder de beslissing vermeld. De rechtbank acht het voor de beoordeling noodzakelijk voor zover mogelijk geïnformeerd te worden over de inzichten van de speltherapeut, WijzijnSterk en de GI als het gaat om de draagkracht van [minderjarige] met betrekking tot de omgang en de (eventuele) mogelijkheden tot uitbreiding van de (on)begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] .
5.4.
Kinderalimenatie
5.4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is het verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie niet aan de orde geweest nu daarvoor geen zittingstijd beschikbaar was. Partijen hebben toestemming gegeven dit verzoek op basis van de stukken schriftelijk af te doen. Daarbij is aan de man de gelegenheid geboden uiterlijk 17 maart 2026 zijn financiële stukken te overleggen en zich terzake schriftelijk uit te laten, waarna de vrouw de gelegenheid heeft gekregen voor een schriftelijk standpunt binnen twee weken. De rechtbank zal de beslissing in deze beschikking aanhouden in afwachting van de beoordeling daarvan.

6.De beslissing

De rechtbank:
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/13/755870 / FA RK 24/5774
6.1.
wijst af het verzoek van de man tot het vaststellen van gezamenlijk gezag;
6.2.
bepaalt dat omgang tussen [minderjarige] en de man voorlopig onder regie en op geleide van de GI in het vrijwillig kader plaats zal vinden, waarbij de omgang zal worden begeleid door een door de GI aan te wijzen instantie of derde, en slechts met instemming van de GI tot onbegeleide omgang zal worden overgegaan;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
bepaalt dat de behandeling pro forma wordt voortgezet op 1 september 2026 voor uitlating partijen over
de stand van zaken en de door hen gewenste voortgang van de procedure, met inachtneming van het bepaalde onder rechtsoverweging 5.3.3.;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan;
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/13/782501/FA RK 26/701
6.6.
bepaalt dat de man tot uiterlijk 17 maart 2026 financiële stukken vergezeld van een schriftelijk standpunt in kan dienen ten behoeve van de beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie;
6.7.
bepaalt dat de vrouw vervolgens tot uiterlijk 31 maart 2026 een schriftelijk standpunt kan innemen;
6.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. N. Nauta, griffier, op 15 april 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).