De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, vanwege ernstige bedreigingen in zijn ontwikkeling en het ontbreken van contact met zijn vader. De Raad stelde dat de ouders onvoldoende in staat zijn om het contactherstel te ondersteunen en dat een jeugdbeschermer nodig is om de situatie te verbeteren.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de moeder volledig meewerkt aan de hulpverlening en dat er al diverse vormen van ondersteuning zijn ingezet, waaronder speltherapie en traumagerichte training. De moeder betoogde dat een ondertoezichtstelling een te ingrijpende maatregel is en dat het vrijwillig kader effectief functioneert. De vader stemde in met de ondertoezichtstelling en stelde dat de moeder het contact blokkeert.
De kinderrechter oordeelde dat hoewel er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige, niet is aangetoond dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De moeder werkt mee en de Raad en GI konden niet concreet aangeven welke aanvullende maatregelen zij kunnen inzetten. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De beschikking werd op 15 april 2026 uitgesproken door kinderrechter V. Zuiderbaan. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening.