Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3829

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11902269 \ CV EXPL 25-13319
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen kinderopvang zonder incassokostenbeding

Gedaagden maakten gebruik van de kinderopvang van eiser, maar betaalden de facturen voor de periode december 2023 tot en met maart 2024 niet. Eiser vorderde betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met rente en incassokosten. De incassokosten werden betwist door gedaagden vanwege een oneerlijk incassokostenbeding en het ontbreken van een juiste aanmaning.

De kantonrechter oordeelde dat het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden oneerlijk is omdat het niet duidelijk verwijst naar de wettelijke regeling, waardoor hogere kosten dan wettelijk toegestaan in rekening kunnen worden gebracht. Daarom werden de incassokosten afgewezen. De hoofdsom van € 1.845,47 werd toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.

Een betalingsregeling kon niet worden opgelegd zonder instemming van eiser, zodat gedaagden het volledige bedrag in één keer moeten betalen. De proceskosten werden aan gedaagden opgelegd en de veroordeling werd hoofdelijk uitgesproken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen en proceskosten, zonder incassokosten, en moeten het bedrag in één keer voldoen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11902269 \ CV EXPL 25-13319
Vonnis van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] (Agin Timmermans),
tegen

1.[gedaagde 1] ,

en
2.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagden] hebben gebruik gemaakt van de kinderopvang van [eiser] , maar daar niet voor betaald. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] het openstaande bedrag (zonder verhogingen) alsnog moeten betalen. Omdat de kantonrechter zonder toestemming van [eiser] geen betalingsregeling kan opleggen, moet het bedrag in één keer worden betaald. De incassokosten hoeven [gedaagden] niet te betalen, want het incassokostenbeding is oneerlijk. Dat wordt hierna uitgelegd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 6 november 2025, met de daarin vermelde stukken,
  • de akte uitlating tevens vermindering van eis, met een productie,
  • de conclusie van antwoord,
  • het instructievonnis van 18 december 2025, waarin is bepaald dat schriftelijk wordt voortgeprocedeerd,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert een kinderopvang.
2.2.
[gedaagden] hebben met [eiser] een overeenkomst gesloten voor de dagopvang van hun minderjarige kind, ingaande op 16 september 2023.
2.3.
[eiser] heeft voor de dagopvang in de maanden december 2023 tot en met maart 2024 vier facturen van in totaal € 1.949,87 aan [gedaagden] verstuurd.
2.4.
[eiser] en haar incassogemachtigde hebben meerdere brieven aan [gedaagden] verstuurd met het verzoek om de facturen te betalen. Partijen hebben vervolgens gesproken over een betalingsregeling, maar die is niet tot stand gekomen.
2.5.
[gedaagden] hebben de facturen onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na eiswijziging – samengevat – dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 1.845,47, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 september 2025. Verder vordert [eiser] hoofdelijke betaling van € 292,48 aan buitengerechtelijke kosten, € 214,- aan verschenen rente tot 12 september 2025 en de kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagden] gebruik hebben gemaakt van haar opvangdiensten, maar de facturen voor deze diensten onbetaald hebben gelaten. Het prijswijzigingsbeding is volgens [eiser] oneerlijk (en de vordering is daarom verminderd), maar het incassokostenbeding is wel eerlijk. Doordat het beding niet specificeert hoe hoog de kosten zijn die in rekening worden gebracht, geldt automatisch de wet, zo betoogt [eiser] .
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. Het incassokostenbeding is volgens hen oneerlijk en er ontbreekt een juiste veertiendagenbrief. De incassokosten moeten daarom worden afgewezen. Voor het resterende bedrag willen [gedaagden] graag een betalingsregeling treffen.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 6 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is geoordeeld.
4.2.
[eiser] is bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om het incassokostenbeding (artikel 17.6 van de algemene voorwaarden) te vernietigen vanwege de oneerlijkheid daarvan. [eiser] heeft aangevoerd dat het beding niet oneerlijk is omdat het niet afwijkt van de wet, maar zij wordt daarin niet gevolgd. In het beding staat immers niet (voldoende duidelijk) dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Door het ontbreken daarvan kan dit ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. Het beding over (buiten)gerechtelijke incassokosten is daarom oneerlijk. Als er oneerlijke bepalingen in de overeenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. [eiser] mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:2021:68 (
Dexia)). Terugvallen op de wettelijke regeling is dus niet mogelijk. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden dan ook afgewezen.
4.3.
[gedaagden] hebben de (gewijzigde) hoofdsom van € 1.845,47 niet betwist. De hoofdsom is daarom toewijsbaar. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [gedaagden] – na het uitbrengen van de dagvaarding – betalingen hebben verricht, wordt de hoofdsom toegewezen.
4.4.
[eiser] heeft de gevorderde verschenen rente over de hoofdsom (berekend tot 12 september 2025) niet herberekend. Dit terwijl zij de gevorderde hoofdsom, naar aanleiding van het tussenvonnis, heeft verminderd. De kantonrechter kan dan ook niet vaststellen of de verschenen rente juist is berekend. Dit bedrag wordt dan ook afgewezen. Omdat [eiser] pas na het tussenvonnis bij repliek de juiste hoofdsom heeft berekend, zal de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom vanaf heden worden toegewezen.
4.5.
[eiser] heeft bij repliek aangegeven dat zij ervoor open staat om een betalingsregeling te treffen, waarna [gedaagden] hebben voorgesteld om eenmalig € 500,- te betalen, gevolgd met maandelijkse betalingen van € 120,-, totdat het volledige bedrag is betaald. [eiser] heeft de kantonrechter niet geïnformeerd of zij akkoord is met dat voorstel. Uit artikel 6:29 BW Pro volgt dat de kantonrechter niet gerechtigd is om een betalingsregeling vast te stellen zonder instemming van [eiser] . Dit betekent dat er geen betalingsregeling in dit vonnis kan worden opgenomen. [gedaagden] zijn dus gehouden om het openstaande bedrag ineens te betalen. Dit laat onverlet dat partijen onderling alsnog een betalingsregeling kunnen treffen.
4.6.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 1.038,81, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 147,81), het griffierecht (€ 385,-), het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en de nakosten (€ 72,-).
4.7.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 1.845,47, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf heden tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.038,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 26 maart 2026.
64183