Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3825

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
786188 FA RK 26/2901
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 WvggzArt. 8:18 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting crisismaatregel bij verward gedrag ondanks verweer niet-ontvankelijkheid

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 april 2026 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die zich in verwarde toestand bevond en eerder was opgenomen in een kliniek in Nederland en Polen.

De advocaat van betrokkene voerde aan dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat er reeds een voortzetting van een crisismaatregel van kracht was en de beëindiging van de verplichte zorg niet rechtsgeldig was. De rechtbank oordeelde echter dat de eerdere crisismaatregel per 31 maart 2026 feitelijk was beëindigd door ontslag en vertrek naar Polen, ondanks administratieve tekortkomingen.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf betrokkene aan zich goed te voelen en geen reden te zien voor voortzetting van de maatregel. De arts lichtte toe dat betrokkene een schizofrene stoornis heeft met verward gedrag en dat voortzetting van zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen.

De rechtbank concludeerde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en dat de voorgestelde vormen van verplichte zorg proportioneel en noodzakelijk zijn. Het verzoek tot niet-ontvankelijkheid werd afgewezen en de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor een periode van drie weken tot uiterlijk 5 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken en wijst het verweer van niet-ontvankelijkheid af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/786188 – FA RK 26/2901
kenmerk: VCM/IND/200190
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 16 april 2026van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot verlenging van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1998 te Polen,
zonder vaste woon- en/of verblijfplaats,
verblijvende te [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. C.J. Nierop waarnemend voor mr. B. Klunder te Amsterdam

1.Procesverloop en de feiten volgend uit het procesverloop

1.1.
De rechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026 ;
- de tijdens de ritzitting op 14 april 2026 om 12.56 uur naar de rechtbank gestuurde de beschikking van rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2026 inhoudende de voortzetting van een crisismaatregel voor de duur 3 weken, en door de rechter verkregen tijdens de zitting op 14 april 2026 om ongeveer 13.45 uur;
- op verzoek van de rechtbank aangeleverde aanvullende stukken vanuit de zorgaanbieder, ontvangen op 15 april 2026 om 12.42 uur;
- een schriftelijke reactie mr. Nierop per e-mail, ontvangen op 15 april 2026 om 16.58 uur;
- het standpunt van het Openbaar Ministerie, ontvangen op 16 april 2026 om 09.29 uur.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 april 2026 in de accommodatie van Arkin, locatie [adres] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door een tolk Pools;
- bovengenoemde advocaat;
- mw. [arts] , arts;
- [verpleegkundige] , verpleegkundige.
1.3.
Inhoudelijk valt -voor zover ten deze relevant ten aanzien van een beoordeling van een eventuele niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie relevant- uit voornoemde stukken op te maken;
- uit de medische verklaring en het episode journaal; dat er op 12 april 2026
om 02.44 uur door Stichting Arkin in [plaats 1] gestart is met de procedure van het nemen van een crisismaatregel, waarbij na het afgeven van een medische verklaring om 03.26 uur er namens de Burgemeester van [gemeente] om 03.56 uur besloten is tot het nemen van een crisismaatregel. Uit de medische verklaring valt op te maken dat de psychiater betrokkene op 12 april 2026 om 0.00 uur heeft onderzocht, waarbij de psychiater aangeeft dat betrokkene van 25 maart tot 31 maart opgenomen zou zijn geweest in [locatie] , heden betrokkene zou zijn aangemeld vanwege verward gedrag en schreeuwen naar omstanders op straat en waarbij betrokkene zou hebben verteld dat hij gisteren uit Polen zou zijn vertrokken omdat hij 1 a 2 dagen in [plaats 1] wilde zijn.
- uit het door het openbaar ministerie aangeleverde historisch overzicht d.d. 13 april 2026 valt
ten aanzien van het jaar 2026 op te maken dat er op 25 maart 2026 een crisismaatregel is genomen, die op 28 maart is geëindigd en dat er op 12 april 2026 wederom een crisismaatregel is genomen.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Het verzoek

2.1.
De officier van justitie heeft op 13 april 2026 verzocht om verlenging van de op 12 april 2026 opgelegde crisismaatregel.

3.De standpunten

3.1.
De advocaat heeft naar voren gebracht dat het verzoek niet-ontvankelijk is. Hij heeft daarover het volgende naar voren gebracht. In de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2026 is een voortzetting van de crisismaatregel verleend, die geldt tot en met 17 april 2026. Op 13 april 2026 is er door het openbaar ministerie opnieuw een verzoekschrift ingediend voor voortzetting van de crisismaatregel. Hierdoor zijn er twee maatregelen, die niet tegelijkertijd kunnen bestaan. De advocaat heeft daarom primair verzocht om het verzoek niet ontvankelijk te verklaren of na de nadere informatie een nieuwe zitting in te plannen.
De rechtbank heeft vervolgens aangegeven naar de kliniek te zijn gekomen om te horen wat (onder andere) betrokkene te zeggen heeft en heeft betrokkene gelegenheid gegeven te vertellen.
3.2.
Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat het goed met hem gaat. Hij geeft aan naar [plaats 1] t zijn gekomen om de stad als toerist te verkennen. Na zijn ontbijt werd hij ineens aangehouden door de politie en werd hij naar de kliniek gebracht. Hij wist op dat moment niet wat er aan de hand was en waarom hij moest. Betrokkene geeft aan dat hij zich prima voelt en geen reden ziet om langer in de kliniek te verblijven. Hij wil het liefst zo snel mogelijk weg om terug te keren naar zijn familie in Polen. Betrokkene vertelt dat hij eerder is opgenomen in een kliniek in [plaats 2] . Toen het volgens de behandelaren beter met hem ging, mocht hij met ontslag en heeft zijn moeder hem opgehaald om terug te gaan naar Polen. Waarom hij nu weer is opgenomen snapt hij niet, het nadeel dat is beschreven in de stukken kan hij zich niet in herkennen.
3.3.
De arts heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat betrokkene na een opname in kliniek [locatie] in [plaats 2] , gerepatrieerd was naar Polen. Binnen twee weken na de opname in [plaats 2] en repatriëring is betrokkene in [plaats 1] in verwarde toestand aangetroffen waar hij schreeuwde naar omstanders op straat. De arts heeft toegelicht dat op de afdeling een vriendelijke jongen wordt gezien, die goed meewerkt. Volgens haar is er wel sprake van verward gedrag, die passend zijn bij de schizofrene stoornis. Volgens de arts is het belangrijk dat betrokkene in zorg blijft, ook als hij weer terugkeert naar Polen. Zij is verder van mening dat betrokkene eerst door middel van medicamenteuze behandeling voldoende stabiliseert, waarna er gekeken kan worden naar de vervolgstappen
3.4.
De advocaat heeft na het ontvangen van nadere stukken het volgende schriftelijk aangevoerd.
- Ik stel vast dat de beslissing tot beëindiging van de verplichte zorg niet ondertekend is (door de geneesheer-directeur), ook niet digitaal, anders dan het eveneens verstrekte ontslagbesluit, waarin over het ontbreken van een handtekening een nadere passage is opgenomen. Bij deze stand van zaken is niet vast te stellen dat de geneesheer-directeur persoonlijk de beslissing tot beëindiging van de verplichte zorg heeft genomen en of de beslissing tot beëindiging van de verplichte zorg dus rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en of deze daadwerkelijk beëindigd is. Uit de wet maak ik niet op dat de geneesheer-directeur de beslissing om verplichte zorg te beëindigen mag mandateren. Uit de wet (art. 8:18 Wvggz Pro) maak ik verder op dat voordat de geneesheer-directeur tot beëindiging beslist hij advies moet inwinnen bij de officier van justitie. Hierover lees ik niets terug in het besluit. Het standpunt namens betrokkene luidt dat niet rechtsgeldig de verplichte zorg is beëindigd. Gelet hierop is het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van de crisismaatregel van 12 april jl. niet ontvankelijk.
- Voor zover u meent dat de verplichte zorg wel rechtsgeldig is beëindigd door de geneesheer-directeur merk ik op dat het besluit om de verplichte zorg te beëindigen gedateerd is 13 april 2026. Op 12 april jl. heeft de burgemeester van [gemeente] een crisismaatregel afgegeven. Op 13 april 2026 heeft de officier van justitie een verzoek om voortzetting van de crisismaatregel ingediend. Het standpunt namens betrokkene luidt dat de crisismaatregel van 12 april jl. onrechtmatig is, aangezien op dat moment reeds een Voortzetting crisismaatregel van kracht was en de crisismaatregel van 12 april jl. niet aanvullend is op de reeds van kracht zijnde Voortzetting tot een crisismaatregel. De wet staat niet toe dat twee titels voor verplichte zorg tegelijkertijd van kracht zijn. Een onrechtmatige crisismaatregel kan naar mening van verweerder niet rechtsgeldig voortgezet worden.
3.5.
Namens het openbaar ministerie heeft mr. L.M. Dirksen de rechtbank vervolgens als volgt bericht:
Betrokkene had een VCM in parket Noord-Holland welke zou expireren op 17-04-2026. Aangezien betrokkene was gerepatrieerd naar Polen, heeft de zorgaanbieder hier een melding van gemaakt en is de VCM beëindigd op 13-04-2026.
Echter, betrokkene is teruggekeerd naar Nederland en daarom is door parket Amsterdam een nieuwe CM gestart. Hiervoor hebben wij een verzoekschrift VCM ingediend op 13-04-2026.
Wij staan nog steeds achter dit verzoekschrift.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Niet ontvankelijkheid officier van justitie
De advocaat stelt dat de crisismaatregel onrechtmatig is, aangezien op het moment van de crisismaatregel reeds een andere voortzetting van een crisismaatregel liep. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat hij is ontslagen uit de kliniek in [plaats 2] en toen is teruggekeerd naar Polen.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de administratieve gang van zaken beneden peil bevonden wordt, wel voldoende duidelijk dat de op 27 maart 2026 in [plaats 2] voortgezette crisismaategel, rekening houdende met het doel van de wetgeving om een eventuele verplichte zorg zo kort mogelijk te houden, kennelijk op 31 maart is beëindigd.
Uit de ontslagbrief van GGZinGeest van 31 maart 2026 volgt namelijk dat betrokkene samen met zijn moeder zou terugkeren naar Polen, waarna kennelijk besloten is om betrokkene met het meegeven van medicijnen en een brief voor zijn Poolse behandelaar met ontslag te laten gaan. Bijzonder is dan wel vervolgens dat er door GGZinGeest vervolgens wel een – inderdaad niet door de geneesheer-directeur getekende- ontslagbeslissing wordt overgelegd waarbij die beslissing gedateerd is op 13 april 2027. Desondanks gaat de rechtbank uit van wat er feitelijk is gebeurd; ontslag en definitief einde van die maatregel per 31 maart vanwege het vertrek naar Polen. Dat maakt dat het verzoek om niet-ontvankelijkverklaring afgewezen moet worden, omdat er dus rond 12 april nieuwe omstandigheden ontstonden op grond waarvan de Burgemeester van [gemeente] bevoegd was om te beslissen en op het vervolg verzoek inhoudelijk dient te worden beslist.
Verzoek voor nieuwe mondelinge behandeling
Uit de wet volgt dat de rechtbank uiterlijk 3 dagen na binnenkomst van een verzoek om voortzetting van de crisismaatregel moet beslissen op dat verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene en diens advocaat op de mondelinge behandeling op 13 april voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun mening over de inhoud van het verzoek te geven voor het geval dat er tot een beoordeling van de inhoud van het verzoek zou worden overgegaan. De rechtbank is dan ook voldoende ingelicht om een beslissing te kunnen nemen over het verzoek van de voortzetting. Ook de arts heeft voldoende toegelicht waarom zij voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk achten.
4.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische decompensatie met katatone kenmerken bij onderliggend bekende schizofrenie. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat van de zorg die is genoemd in de crisismaatregel, de volgende vormen van zorg noodzakelijk zijn om het nadeel af te wenden:
  • toedienen van medicatie;
  • het verrichten van medische controles;
  • het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten;
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene;
  • onderzoek aan kleding of lichaam;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
  • opnemen in een accommodatie
De rechtbank zal de verplichte zorg in de vorm van
‘toedienen van vocht en voeding’niet toewijzen, omdat ter zitting is gebleken dat er voor deze vorm van verplichte zorg geen noodzaak is.
4.4.
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief
.Betrokkene verzet zich tegen deze zorg. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
4.5.
Hetgeen namens en door betrokkene als verweer is aangevoerd doet aan het voorgaande niet af.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na heden.

5.Beslissing

De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1998 te Polen voor zover het de in rechtsoverweging 2.2 genoemde vormen van verplichte zorg betreft;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 5 mei 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 16 april 2026 om 15.30 uur mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. H.P.E. Has, rechter, bijgestaan door mr. L.F. Datema als griffier en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 17 april 2027.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open
.