Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3812

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13-196613-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank weigert uitvoering Europees aanhoudingsbevel wegens ontbreken nationaal aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Spaans gerechtshof. De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsman.

Het EAB was gebaseerd op een Spaans strafbaar feit, maar de rechtbank stelde vast dat er geen separaat nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd door de Spaanse autoriteiten. Dit is een vereiste volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ondanks verzoeken om aanvullende informatie bevestigde de uitvaardigende autoriteit dat een dergelijk nationaal bevel niet bestaat.

De rechtbank besloot daarom geen gevolg te geven aan het EAB en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering. Tevens werd de geschorste gevangenhouding opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert het Europees aanhoudingsbevel wegens het ontbreken van een nationaal aanhoudingsbevel en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-196613-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2025 door Afdeling Nr. 1 van het Provinciaal Gerechtshof van Biskaje, Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
feitelijk verblijfadres:
[feitelijk verblijfsadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt als beslissing waarop het EAB is gebaseerd:
“BESCHIKKING VAN 21/05/2025
Soort: EUROPEES AANHOUDINGS- EN OVERLEVERINGSBEVEL VOOR HET HOUDEN VAN DE MONDELINGE BEHANDELING”
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
De raadsman heeft zich over de vraag of de Spaanse autoriteiten een nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 maart 2026. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat in het arrest
Bob-Dogivan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) [4] is uitgemaakt dat voor vervolgingsoverlevering vereist is dat een (van het EAB onderscheiden) separaat nationaal aanhoudingsbevel bestaat, dat is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit; het EAB kan niet ook als nationaal aanhoudingsbevel fungeren. Daarnaast volgt uit het arrest
Bob-Dogi, samengevat, dat aan een EAB geen gevolg dient te worden gegeven als daarin geen melding wordt gemaakt van een nationaal aanhoudingsbevel en nadere verzoeken tot informatieverschaffing hierover er niet toe hebben geleid dat de uitvoerende justitiële autoriteit kan vaststellen dat er daadwerkelijk een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dat zich onderscheidt van het EAB.
Het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft op 3 maart 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om opheldering te krijgen over de vraag of een nationaal aanhoudingsbevel ten grondslag ligt aan het EAB.
Op 16 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende antwoord gegeven:

Having considered the request submitted by the Amsterdam Public Prosecutor’s Office, and following the verification carried out by this Court, the Amsterdam Prosecuting Authority is hereby informed of the following:
a) That no national arrest warrant has been issued against the defendant, Mr [opgeëiste persoon] , since this Court was aware that his residence was not in Spain but in the town of [adres]
Gelet op het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit, is het voor de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de Spaanse autoriteiten geen nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd ten aanzien van de opgeëiste persoon. In het arrest
Bob-Dogiis onder 64 en 65 vermeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te beslissen geen uitvoering te geven aan het EAB, aan de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat moet verzoeken om alle aanvullende gegevens te verstrekken die zij nodig heeft om te kunnen onderzoeken of het ontbreken van een nationaal aanhoudingsbevel in het EAB wordt verklaard door het feit dat een dergelijk nationaal aanhoudingsbevel inderdaad niet bestaat of dat een dergelijk bevel bestaat maar niet is vermeld. De rechtbank ziet hiertoe echter geen aanleiding, nu deze vraag al door het IRC is gesteld en hierop door de uitvaardigende justitiële autoriteit ondubbelzinnig is geantwoord dat een separaat nationaal aanhoudingsbevel niet bestaat. De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

4.Slotsom

De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB wegens het ontbreken van een nationaal aanhoudingsbevel.

5.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 2 OLW Pro.

6.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde geschorste gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. L. Sanders en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 1 juni 2016, C-241/15 (ECLI:EU:C:2016:385),