Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3809

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13.101499.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 OLWArt. 56 UWArt. 59-69 OLWArt. 64 OLWArt. 80 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot vervallenverklaring borgsom in overleveringsprocedure

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering van de officier van justitie tot vervallenverklaring van een borgsom van €5.000,- die was gesteld in het kader van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon uit Roemenië. De borgsom was gesteld als voorwaarde bij de schorsing van de gevangenhouding.

De opgeëiste persoon verscheen niet op de uitspraakzitting over het overleveringsverzoek, ondanks dat hij hiervan op de hoogte was en dit als voorwaarde was gesteld. De officier van justitie stelde dat hierdoor de borgsom aan de staat moest vervallen, omdat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot gevangenhouding had onttrokken.

De rechtbank oordeelde echter dat artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv), gelezen in samenhang met artikel 64, tweede lid, Overleveringswet (OLW), geen grondslag biedt voor vervallenverklaring van de borgsom omdat de schorsing van de overleveringsdetentie niet is opgeheven maar van rechtswege is geëindigd. Ook de tweede volzin van artikel 83, vierde lid, Sv, die van overeenkomstige toepassing is verklaard, biedt geen grondslag. De rechtbank wees erop dat de huidige wettelijke regeling niet goed aansluit op de praktijk van de overleveringsprocedure en dat het aan de wetgever is om dit te verbeteren.

De vordering tot vervallenverklaring van de borgsom werd daarom afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vervallenverklaring van de borgsom af omdat de schorsing van de overleveringsdetentie van rechtswege is geëindigd en niet is opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.101499.25
BESLISSING
Beslissing op de vordering tot vervallenverklaring van de borgstelling aan de staat ex artikel 83, vierde lid, Sv jo. artikel 64, tweede lid, OLW
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken met betrekking tot het verzoek van de Roemeense autoriteiten tot overlevering van de hierna te noemen opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] (Roemenië),
feitelijk verblijfsadres:
[feitelijk verblijfsadres],
raadsvrouw: mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam.

Procedure

1. Bij bevel gevangenhouding van 3 juli 2025 heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen op grond van artikel 27, tweede lid, OLW, onder gelijktijdige schorsing daarvan tot het moment van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank onder meer betaling van een borgsom van € 5.000,- als voorwaarde opgenomen (welke borgsom reeds bij de eerdere schorsing van de overleveringsdetentie op 28 mei 2025 was voldaan), alsmede de volgende voorwaarden:
1. de opgeëiste persoon zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de
gevangenhouding onttrekken, als het bevel tot schorsing wordt opgeheven;
2. de opgeëiste persoon zal zonder nadere oproeping verschijnen op de uitspraak van
deze rechtbank op het overleveringsverzoek;
2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 december 2025 de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Roemeense uitvaardigende justitiële autoriteit toegestaan. De opgeëiste persoon is niet op de uitspraakzitting verschenen, ondanks een bericht van de uitsprakenrechter aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon waarin de rechter desgevraagd bevestigde dat de opgeëiste persoon bij de uitspraak in persoon aanwezig moest zijn.
3. De officier van justitie heeft bij vordering van 23 maart 2026 gevorderd dat de rechtbank zal beslissen dat de borgstelling van € 5.000,- op grond van artikel 64 OLW Pro en artikel 83, vierde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) komt te vervallen aan de Staat.
4. De rechtbank heeft de officier van justitie en de raadsvrouw op 27 maart 2026 in raadkamer gehoord. De rechtbank heeft de officier van justitie en de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk nader toe te lichten en heeft bepaald dat op 3 april 2026 schriftelijk een beslissing zal worden genomen. De officier van justitie en de raadsvrouw hebben hun standpunten respectievelijk op 30 maart 2026 en 1 april 2026 nader toegelicht.

Beoordeling

Standpunt officier van justitie
5. De officier van justitie heeft in raadkamer toegelicht dat de vordering dient te worden toegewezen, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden van de schorsing heeft gehouden. Hij is in strijd met de voorwaarden niet verschenen op de uitspraakzitting op 3 december 2025. Om die reden dient de borgsom aan de staat te vervallen. In haar schriftelijke toelichting van 30 maart 2026 heeft de officier van justitie haar standpunt gewijzigd, zo begrijpt de rechtbank, in die zin dat de borgsom primair op grond van artikel 83, vierde lid, eerste volzin vervallen moet worden verklaard omdat de opgeëiste persoon zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel gevangenhouding heeft onttrokken door niet op de uitspraak te verschijnen. Weliswaar wordt hierin bepaald dat de borgstelling aan de staat vervallen wordt verklaard als de verdachte zich na opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot voorlopige hechtenis onttrekt, terwijl in dit geval de schorsing niet is opgeheven maar van rechtswege is geëindigd, maar deze bepaling moet in de context van de OLW worden gelezen. Artikel 64, eerste lid, OLW bepaalt dat schorsing slechts is toegestaan tot het moment van de uitspraak. De wetgever moet dus bedoeld hebben dat, in het geval van overleveringsdetentie, de eerste volzin van artikel 83, vierde lid, Sv ook van toepassing is in het geval de schorsing daarvan op het moment van de uitspraak van rechtswege is geëindigd. In dat verband heeft de officier van justitie verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de OLW, waarin staat dat de bepalingen 59 tot en met 69 OLW ertoe strekken deze
“regelingen uit het Wetboek van Strafvordering ook in de context van deze wet van toepassing te laten zijn.” [1] .
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de tweede volzin van artikel 83, vierde lid, Sv een grondslag biedt voor vervallenverklaring van de borgsom aan de staat zonder dat de schorsing van de overleveringsdetentie is opgeheven. In dit geval is immers sprake van de situatie als bedoeld in artikel 80, tweede lid, n°. 2 Sv, dat kort gezegd ziet op de situatie dat de verdachte zich aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf onttrekt die is opgelegd wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Tegen de uitspraak waarbij de overlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan staat immers geen rechtsmiddel open, waardoor deze uitspraak kracht van gewijsde heeft. Daaraan staat niet in de weg dat artikel 80, tweede lid, Sv niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 64, tweede lid, OLW. Artikel 80, tweede lid, Sv ziet immers slechts op de verplichting om bepaalde voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis te verbinden. Artikel 83, vierde lid, Sv is wel van overeenkomstige toepassing verklaard, inclusief de tweede volzin.
Standpunt raadsvrouw
6. De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat het niet aan de rechter is om de wet anders toe te passen dan conform de letterlijke tekst van die wet. De enkele omstandigheid dat toepassing van de wettelijke bepalingen leidt tot praktische problemen, is geen reden om als rechter op de stoel van de wetgever te zitten. De situatie dat de opgeëiste persoon zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechtbank is niet aan de orde. Aan de uitspraak van de rechtbank kan geen uitvoering meer worden gegeven, nu de vrijheidsstraf waar het Roemeense EAB op ziet op grond van Kaderbesluit 2008/909/JBZ is overgedragen aan Duitsland, waar de opgeëiste persoon die vrijheidsstraf nu ook daadwerkelijk ondergaat.
Oordeel rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de uitspraak in de overleveringsprocedure op 3 december 2025. De opgeëiste persoon was er van op de hoogte dat hij op de uitspraakzitting diende te verschijnen. Dit was niet alleen als voorwaarde opgenomen in de schorsingsvoorwaarden, maar hij is hier via zijn raadsvrouw nog expliciet op gewezen door de uitsprakenrechter op de dag van de uitspraak zelf. Door vervolgens niet op de uitspraak te verschijnen, terwijl hij er rekening mee moest houden dat de schorsing van de overleveringsdetentie van rechtswege zou aflopen indien de overlevering werd toegestaan, heeft de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de rechtbank onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het bevel gevangenhouding van 3 juli 2025.
8. De vraag is of de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het bevel gevangenhouding er op grond van artikel 83, vierde lid, Sv toe moet leiden dat de borgsom aan de staat vervallen wordt verklaard. De eerste volzin van dit artikellid bepaalt, gelezen in de context van de OLW, dat indien de opgeëiste persoon zich
na opheffingvan de schorsing van de overleveringsdetentie onttrekt aan de tenuitvoerlegging van die overleveringsdetentie, de borgsom vervallen wordt verklaard aan de staat. In dit geval heeft de rechtbank de schorsing van de overleveringsdetentie op geen moment opgeheven. Naar het oordeel van de rechtbank kan de tekst van artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv niet zo worden geïnterpreteerd dat deze bepaling, gelezen in de context van de OLW, ook ziet op de situatie dat de schorsing van de overleveringsdetentie niet is opgeheven maar van rechtswege is geëindigd. Een dergelijke
contra legemuitleg van de wet zou alleen al in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de door de officier van justitie aangehaalde passage uit de wetgeschiedenis kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv ook van toepassing te laten zijn op de situatie dat de schorsing van de overleveringsdetentie van rechtswege is geëindigd. De totstandkoming van de OLW wijst er juist op dat de wetgever hier niet specifiek aan gedacht heeft. Artikel 64 OLW Pro is ontleend aan artikel 56 van Pro de Uitleveringswet (UW). Sinds de inwerkingtreding van de UW in 1967 bevat artikel 56, tweede lid, UW een bepaling die gelijkluidend is aan artikel 64, tweede lid, OLW. Destijds voorzag de UW nog niet in de figuur dat de schorsing van rechtswege eindigt. De van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen uit Sv en de UW sloten dus op elkaar aan. Pas in 2000 is de regel dat de schorsing van rechtswege eindigt ingevoerd in de UW. Daarbij is geen aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen daarvan voor de vervallenverklaring van de borgsom, waaronder de omstandigheid dat Sv de figuur van eindiging van de schorsing van rechtswege niet kent. [2] Ook bij de invoering van de OLW heeft de wetgever hier geen kenbare aandacht aan besteed. De conclusie is dan ook dat artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv jo. artikel 64, tweede lid, OLW in dit geval geen grondslag kan bieden voor vervallenverklaring van de borgsom aan de staat.
9. Die grondslag kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin gevonden worden in artikel 83, vierde lid, tweede volzin Sv, welke bepaling ook van overeenkomstige toepassing is verklaard in de OLW. Daarin wordt bepaald dat de borgsom eveneens vervallen wordt verklaard aan de staat, ook zonder dat opheffing van de schorsing is bevolen, indien de verdachte de voorwaarde van artikel 80, tweede lid, n°. 2 Sv niet nakomt. Deze voorwaarde houdt in dat de verdachte zich niet mag onttrekken aan een vrijheidsstraf die is opgelegd wegens een feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. De rechtbank stelt voorop dat deze bepaling, begrijpelijkerwijs, niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in de OLW omdat in de overleveringsprocedure geen vrijheidsstraf wordt opgelegd aan een opgeëiste persoon. De analoge interpretatie van artikel 83, vierde lid, tweede volzin Sv die de officier van justitie voorstaat is naar het oordeel van de rechtbank, alleen al vanwege de strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, niet mogelijk.
10. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent overigens niet in zijn algemeenheid dat er geen mogelijkheid bestaat om de borgstelling aan de staat te laten vervallen indien de opgeëiste persoon, in strijd met de voorwaarden, niet op de uitspraak verschijnt of indien hij zich (al dan niet na toestaan van de overlevering) aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot overleveringsdetentie onttrekt. De rechter kan op grond van het overeenkomstig van toepassing verklaarde artikel 82, eerste lid, Sv immers te allen tijde, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, de schorsing van de overleveringsdetentie opheffen. Die mogelijkheid bestaat dus ook direct voorafgaande aan de uitspraak. Anders dan de officier van justitie in haar schriftelijke toelichting lijkt te veronderstellen, is hiervoor niet nodig dat het onderzoek ter zitting wordt heropend. Wel hecht de rechtbank eraan op te merken dat de huidige regeling van de vervallenverklaring van de borgsom, voor zover van toepassing verklaard in de OLW, niet goed aansluit op de praktijk van de overleveringsprocedure. De figuur van de borgstelling zou effectiever kunnen worden toegepast indien de bepalingen voor de vervallenverklaring daarvan ook zouden voorzien in de situatie dat de schorsing, zoals gebruikelijk in de overleveringsprocedure, van rechtswege eindigt op het moment dat de rechtbank beslist dat de overlevering toelaatbaar is. Het is echter niet aan de rechtbank, maar aan de wetgever om in een dergelijke regeling te voorzien.
De conclusie is dat de vordering moet worden afgewezen.

BESLISSING:

WIJST AFde vordering om de borgsom ter hoogte van € 5.000,- aan de Staat te laten vervallen.
Deze beslissing is genomen op 3 april 2026 door:
mr. O.P.M. Fruytier, rechter,
in tegenwoordigheid van J.R. Korte, griffier.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 29 042, nr. 3, memorie van toelichting, p. 34.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 697, nr. 3, memorie van toelichting, p. 23.