Uitspraak
[opgeëiste persoon],
Procedure
Beoordeling
“regelingen uit het Wetboek van Strafvordering ook in de context van deze wet van toepassing te laten zijn.” [1] .
na opheffingvan de schorsing van de overleveringsdetentie onttrekt aan de tenuitvoerlegging van die overleveringsdetentie, de borgsom vervallen wordt verklaard aan de staat. In dit geval heeft de rechtbank de schorsing van de overleveringsdetentie op geen moment opgeheven. Naar het oordeel van de rechtbank kan de tekst van artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv niet zo worden geïnterpreteerd dat deze bepaling, gelezen in de context van de OLW, ook ziet op de situatie dat de schorsing van de overleveringsdetentie niet is opgeheven maar van rechtswege is geëindigd. Een dergelijke
contra legemuitleg van de wet zou alleen al in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de door de officier van justitie aangehaalde passage uit de wetgeschiedenis kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv ook van toepassing te laten zijn op de situatie dat de schorsing van de overleveringsdetentie van rechtswege is geëindigd. De totstandkoming van de OLW wijst er juist op dat de wetgever hier niet specifiek aan gedacht heeft. Artikel 64 OLW Pro is ontleend aan artikel 56 van Pro de Uitleveringswet (UW). Sinds de inwerkingtreding van de UW in 1967 bevat artikel 56, tweede lid, UW een bepaling die gelijkluidend is aan artikel 64, tweede lid, OLW. Destijds voorzag de UW nog niet in de figuur dat de schorsing van rechtswege eindigt. De van overeenkomstige toepassing verklaarde bepalingen uit Sv en de UW sloten dus op elkaar aan. Pas in 2000 is de regel dat de schorsing van rechtswege eindigt ingevoerd in de UW. Daarbij is geen aandacht besteed aan de mogelijke gevolgen daarvan voor de vervallenverklaring van de borgsom, waaronder de omstandigheid dat Sv de figuur van eindiging van de schorsing van rechtswege niet kent. [2] Ook bij de invoering van de OLW heeft de wetgever hier geen kenbare aandacht aan besteed. De conclusie is dan ook dat artikel 83, vierde lid, eerste volzin, Sv jo. artikel 64, tweede lid, OLW in dit geval geen grondslag kan bieden voor vervallenverklaring van de borgsom aan de staat.