In deze zaak staat centraal of eiser de huurovereenkomst van een woning mag voortzetten na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, zijn oudtante. Eiser woont sinds 2022 op het adres en heeft een verzoek tot medehuurderschap ingediend. De woning vereist een huisvestingsvergunning, die ontbreekt. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet mag worden voortgezet zonder deze vergunning.
De kantonrechter stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met de overleden huurder, mede door tegenstrijdige omstandigheden zoals zijn studie en relatie. Ook voldoet hij niet aan de passendheidscriteria voor de huisvestingsvergunning. De kantonrechter is bovendien niet bevoegd om Stadgenoot te veroordelen tot afgifte van de vergunning; dit is een bestuursrechtelijke kwestie.
De vordering van eiser wordt afgewezen en de tegenvordering van Stadgenoot toegewezen. Eiser wordt veroordeeld de woning binnen 30 dagen te ontruimen en een gebruiksvergoeding te betalen vanaf 1 mei 2025 tot ontruiming, vermeerderd met wettelijke rente. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt afgewezen omdat geen sprake is van misbruik van recht. Eiser draagt de proceskosten.