Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3798

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/2124
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen weigering beslissing vergoeding werkelijke schade kinderopvangtoeslagen afgewezen

Verzoekster, een erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire, heeft compensatie ontvangen en een schikking getroffen over aanvullende schadevergoeding. Zij verzocht vervolgens om vergoeding van schade door een schuld bij de Interbank, waarop verweerder niet heeft beslist. Verzoekster stelde beroep in tegen deze weigering en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om voorlopige voorziening en oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van materiële connexiteit. Dit betekent dat het verzoek niet betrekking heeft op de inhoud van een genomen besluit, maar slechts op het niet tijdig beslissen, wat alleen kan leiden tot dwangsommen en niet tot inhoudelijke beslissingen.

De voorzieningenrechter verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is definitief en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/2124

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. Verzoekster is een erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij heeft compensatie ontvangen van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) en tevens via een vaststellingsovereenkomst met de Staat een schikking getroffen over de aanvullende compensatie voor haar werkelijke schade. Verzoekster heeft vervolgens een verzoek gedaan om vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van een schuld aan de Interbank. Op dit verzoek is door verweerder niet beslist. Verzoekster heeft daarom beroep ingesteld tegen de weigering om een besluit te nemen op haar verzoek om schadevergoeding en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet daarom uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en welke gevolgen dit heeft.
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening vereist dat tegen een besluit bezwaar of beroep bij de bestuursrechter is ingesteld (formele connexiteit), maar ook moet het verzoek betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
5. In dit geval is verzoekster in beroep gegaan tegen de weigering een beslissing te nemen op het verzoek tot vergoeding van werkelijke schade als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Verzoekster heeft uiteen gezet dat de Commissie Werkelijke Schade (CWS), dan wel de Belastingdienst/UHT, weigert te beslissen op haar verzoek om vergoeding van schade die is ontstaan doordat zij een schuld is aangegaan bij de Interbank.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vereiste materiële connexiteit ontbreekt. Het beroep niet tijdig beslissen gaat niet over een inhoudelijk door verweerder genomen besluit. Verzoekster kan met het beroep niet tijdig beslissen uitsluitend bereiken dat zij dwangsommen ontvangt, die verweerder moeten bewegen een besluit te nemen. Met deze procedure kan verzoekster niet bereiken dat de voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder de schuld op Interbank van verzoekster moet overnemen of dat verweerder Interbank moet verzoeken alle incasso- en executiemaatregelen op te schorten, zoals verzoekster de voorzieningenrechter heeft verzocht.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.