Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3791

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13/086489-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden opgeëiste persoon

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Bulgarije voor de overlevering van een opgeëiste persoon geboren in 1997. De procedure omvatte meerdere zittingen en tussenuitspraak waarbij de rechtbank de behandeling heropende en schorste om aanvullende informatie te verkrijgen over de gelijkstelling met een Nederlander en de detentieomstandigheden in Bulgarije.

De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 6 OLW Pro, namelijk een duurzaam verblijfsrecht in Nederland van ten minste vijf jaar. Echter, de tweede voorwaarde, dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen als gevolg van een opgelegde straf, is niet voldaan. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gaf een voorlopig negatief advies, waarbij onzekerheid blijft over het risico op verlies van verblijfsrecht. Hierdoor kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander en kan de overlevering niet afhankelijk worden gemaakt van een terugkeergarantie.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de detentieomstandigheden in het Bulgaarse detentiecentrum Haskovo ontoereikend zijn, met onder meer gebrek aan sanitaire voorzieningen in de cellen, geen natuurlijke ventilatie en beperkte mogelijkheden tot verblijf in de buitenlucht. Dit vormt een individueel gevaar voor schending van grondrechten van de opgeëiste persoon, waardoor de rechtbank de beslissing over overlevering aanhoudt op grond van artikel 11 OLW Pro. De rechtbank verlengt de beslistermijn en de geschorste overleveringsdetentie met 60 dagen en plant een nieuwe zitting in de periode van 22 tot 31 mei 2026 om te beoordelen of de omstandigheden zijn gewijzigd.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over overlevering aan vanwege onvoldoende gelijkstelling en onmenselijke detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/086489-25
Datum uitspraak: 15 april 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 (en de correctievordering van 2 december 2025) van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 december 2024 door het Landelijk parket Haskovo, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Bulgarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 24 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, advocaat in ’s-Gravenhage, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 14 januari 2026 [3]
Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan artikel 11 OLW Pro voor te leggen.
Zitting van 10 februari 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 24 februari 2026 [4]
Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de door de rechtbank geformuleerde vragen ten behoeve van de toetsing aan de artikelen 6 en 11 OLW voor te leggen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW opnieuw met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 1 april 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Ivanov-Petkova, en door een tolk in de Bulgaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 14 januari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3) en de strafbaarheid van het feit (onder 4).
Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 6 OLW Pro: gelijkstelling

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 en onder punt 4 van de tussenuitspraak van 24 februari 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van aanvullende vragen van het openbaar ministerie van 2 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 maart 2026 de volgende informatie verstrekt:
"Wat betreft het uitzitten van de straf die in de Republiek Bulgarije eventueel zou zijn opgelegd, in Nederland, valt dit onder de bevoegdheid van de Bulgaarse rechtbank en van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende buitenlandse staat. Het Openbaar Ministerie van de Republiek Bulgarije en in het bijzonder het Landelijk parket van Haskovo, territoriale afdeling van Dimitrovgrad, beschikt niet over dergelijke bevoegdheden. De 'Wet betreffende de erkenning, de uitvoering en de toezending van rechterlijke uitspraken waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd', die in de Republiek Bulgarije van kracht is, maakt het mogelijk dat een door een Bulgaarse rechtbank uitgesproken vonnis ter erkenning en uitvoering wordt toegezonden aan een andere lidstaat van de Europese Unie, op wiens grondgebied de veroordeelde persoon zich bevindt."
4.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Zoals in de rechtbank al in de tussenuitspraken heeft geoordeeld, is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander voldaan. Ten aanzien van de tweede voorwaarde voor gelijkstelling blijkt uit het aanvullend schrijven van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) van 3 maart 2026 dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen naar aanleiding van een eventueel nog op te leggen straf. De IND heeft aangegeven dat er meerdere factoren een rol spelen waar de IND geen zicht op heeft, waardoor de IND niet aan een definitieve beoordeling toekomt. De rechtbank dient dan ook dit antwoord te wegen en hier zelf een oordeel aan te verbinden. Uit de gegevens waarmee de rechtbank bekend is, blijkt dat de opgeëiste persoon zich niet aan de vervolging heeft onttrokken. Van de actualiteit van de bedreiging is geen sprake en de rechtbank moet dan ook aannemen dat de kans op verlies van het verblijfsrecht niet evident is. Hiermee is voldaan aan alle vereisten van artikel 6 OLW Pro, waardoor de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht om aanvullende vragen te stellen aan de IND en daarbij toegang te verschaffen tot alle relevante informatie uit het dossier.
De raadsvrouw heeft meer subsidiair verzocht om de overlevering te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 10 maart 2026 volgt dat de Bulgaarse wetgeving aan het Bulgaarse openbaar ministerie als uitvaardigende justitiële autoriteit niet de mogelijkheid biedt om een terugkeergarantie af te geven, omdat deze bevoegdheid uitsluitend bij de rechtbank ligt. De terugkeergarantie zou pas mogen worden afgegeven bij de einduitspraak in de strafzaak in Bulgarije. De raadsvrouw heeft in dit kader verzocht om zwaar gewicht toe te kennen aan het ontbreken van een terugkeergarantie, omdat de opgeëiste persoon zijn binding met Nederland heeft aangetoond en nadrukkelijk wenst een eventuele straf in Nederland te ondergaan, mede met het oog op zijn specialistische medische behoeften. Bovendien dient de keuze in Bulgaarse wetgeving voor rekening en risico van Bulgarije te komen, en niet voor die van de opgeëiste persoon.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden, omdat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 6 OLW Pro. Uit het IND-advies van 19 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht kan verliezen in verband met de Bulgaarse strafzaak. Uit het aanvullend schrijven van de IND van 3 maart 2026 blijkt dat de IND het eerdere standpunt niet heeft verlaten, maar dat heeft uitgebreid en onderschreven. De IND vermeldt dat mogelijk sprake kan zijn van de actualiteit van de bedreiging. Het is de standaardpraktijk dat de IND geen definitieve beoordeling maakt, maar een voorlopig advies geeft, hetgeen altijd afhankelijk is van onzekerheden en gebaseerd is op bepaalde verwachtingen. Omdat de gelijkstelling niet kan slagen, kan de overlevering niet afhankelijk worden gemaakt van een terugkeergarantie. Er bestaat geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de IND.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de overwegingen op dit punt, zoals die zijn gegeven in de tussenuitspraak van 14 januari 2026 en is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij inmiddels ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op
verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de
rechtbank aan de hand van informatie van IND.
In de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een nadere motivering bij de IND op te vragen, waarbij de rechtbank heeft verzocht met name aandacht te besteden aan de actualiteit van de bedreiging.
Naar aanleiding van het voorgaande heeft de IND op 3 maart 2026 de volgende toelichting verstrekt:
"(...) Geldt het EU-criterium, dan moet echter steeds aan de hand van alle feiten en omstandigheden een individuele afweging worden gemaakt. Daarzonder kan niet worden bepaald of men een gevaar is en dus ook niet of het verblijfsrecht kan eindigen. Voor de IND is veelal wel een al gepleegd misdrijf de aanleiding om een procedure te starten maar of het daadwerkelijk tot verblijfsbeëindiging komt, blijkt pas als alle feiten en omstandigheden aangaande misdrijf en persoon in beeld zijn. Niet het gepleegde misdrijf is bepalend maar de vraag of uit alle bekende feiten en omstandigheden een risico voor de toekomst naar voren komt. Ten aanzien van EU-burgers over wie u een advies vraagt, kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) daarom veelal slechts een voorlopige beoordeling maken. Over de ernst van het misdrijf en de eventuele blijvende bedreiging is zonder het vonnis geen definitieve uitspraak mogelijk. Aangaande de actualiteit van de bedreiging kan die evenmin worden gedaan. (...)
In mijn e-mailbericht van 19 januari 2026 neem ik niet het standpunt in dat betrokkene zich aan vervolging heeft onttrokken. Ik stel slechts vast dat de [opgeëiste persoon], die volgens uw verzoek kort (‘in 2019’) na de feiten (‘op 19 augustus 2018’) naar Nederland is gekomen en die zich pas in 2022 heeft ingeschreven, zich aan vervolging kan hebben onttrokken. Zaken als onttrekking aan vervolging en het, al dan niet opzettelijk, onder de radar blijven zijn relevant in de beoordeling van de actualiteit van de bedreiging. Verantwoordelijkheid nemen en de gevolgen van je daden onder ogen zien en ondergaan kan immers het begin zijn van een ontwikkeling ten goede. Neemt men geen verantwoordelijkheid, dan ligt ook niet in de rede dat men zich inzet om zijn leven te beteren, of daarvan zelfs maar de noodzaak inziet. Zou het in Bulgarije tot een bewezenverklaring komen, dient een kwestie als deze in een IND-procedure te worden beoordeeld.
Indien openbaar ministerie en rechtbank aanleiding zien om aan te nemen dat de [opgeëiste persoon] zich niet aan vervolging heeft onttrokken, ga ik daarop vanzelfsprekend graag af. De gekozen formuleringen, volgens welke geen aanleiding wordt gezien om aan te nemen dat hij dat wel heeft gedaan en dat er (thans nog?) geen concrete aanwijzingen zijn, zijn in mijn visie echter logischerwijze nog niet concludent.
Voor de goede orde: deze kwestie is slechts één van de aspecten op basis waarvan wordt geconcludeerd of er al dan niet een actuele bedreiging is. In uw brief vermeldde u dat betrokkene vanaf februari 2021 heeft gewerkt, maar dat dit stopte toen hij een bedrijfsongeval kreeg. Nog afgezien van de mogelijkheid dat men regulier werk combineert met het plegen van misdrijven, en dat de [opgeëiste persoon] dit in augustus 2018 wellicht deed, stel ik vast dat ik onvoldoende zicht heb op verblijfsplaats en doen en laten tussen 2019 en februari 2021 en sinds het bedrijfsongeval. Bij de beschikbare gegevens kan van de [opgeëiste persoon] nog alleszins een actuele bedreiging uitgaan, maar aan een definitieve beoordeling kom ik zoals toegelicht nu niet toe."
Uit deze informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de strekking van het IND-advies van 19 januari 2026 niet is veranderd. Uit het IND-advies van 19 januari 2026 volgt dat het de verwachting is dat de opgeëiste persoon naar aanleiding van de Bulgaarse strafzaak zijn verblijfsrecht zal verliezen. De brief van de IND van 3 maart 2026 vermeldt dat van de opgeëiste persoon met de voor de IND beschikbare gegevens “nog alleszins” een actuele bedreiging kan uitgaan. Daarbij vermeldt de brief dat de vraag of de opgeëiste persoon zich aan de vervolging heeft onttrokken slechts één van de aspecten is op basis waarvan deze conclusie wordt getrokken.
Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de IND geen afstand heeft genomen van het eerdere negatieve advies. De rechtbank overweegt in dit kader dat de IND geen definitieve, maar een voorlopige beoordeling maakt ten aanzien van een nog onzekere toekomstige situatie, waarin de opgeëiste persoon in de Bulgaarse strafzaak veroordeeld zou worden. Dit heeft de IND nogmaals benadrukt in de brief van 3 maart 2026. Deze voorlopige beoordeling maakt de IND naar aanleiding van een bevraging door het openbaar ministerie en de daarbij verstrekte gegevens.
Naar het oordeel van de rechtbank is in verband met het voorgaande niet voldaan aan het tweede vereiste voor gelijkstelling met een Nederlander. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank kan daarom de overlevering van de opgeëiste persoon niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 5 punt Pro 3 Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
De rechtbank ziet in wat de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om opnieuw aanvullende vragen te stellen aan de IND. De rechtbank komt in verband met het voorgaande niet toe aan behandeling van het verzoek van de raadsvrouw ten aanzien van het ontbreken van een terugkeergarantie.

5.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden

5.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 en onder punt 5 van de tussenuitspraak van 24 februari 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de vragen in de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 maart 2026 aanvullende informatie verstrekt, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Ik verwijs naar uw aanvraag met betrekking tot de plaats en de voorwaarden van de eventuele aanhouding van de betrokkene [opgeëiste persoon]. Naar aanleiding hiervan wil ik u het volgende meedelen:
De slaapruimtes in het detentiecentrum van Haskovo beschikken niet over sanitaire voorzieningen en stromend water. De sanitaire voorziening heeft een totale oppervlakte van 17,5 vierkante meter en bestaat uit een badruimte, een wastafel en twee toiletten. Overeenkomstig punt 24 van Bevel nr. JI-1321/10.03.2020 betreffende de interne orde in de detentiecentra van het Directoraat-Generaal Strafuitvoering krijgen de gedetineerden de mogelijkheid om minstens twee keer per week zich te douchen en hun was te doen. Niet iedereen maakt gebruik van deze mogelijkheid. De gedetineerden hebben toegang tot de gemeenschappelijke sanitaire voorziening gebeurt als volgt[sic]
:
- Volgens een vastgesteld schema in het detentiecentrum. Van 06:00 tot 08:00 - persoonlijke hygiëne, schoonmaken en opruimen van de cellen en ontbijt. Van 17:30 tot 22:00 - avondeten, persoonlijke hygiëne, hygiëne en schoonmaak van de ruimten.
- Overeenkomstig punt 20.1 van Bevel nr. JI-1321/10.03.2020 betreffende de interne orde in de detentiecentra van het Directoraat-Generaal Strafuitvoering worden de gedetineerden indien gewenst ook buiten het schema op elk moment van de dag naar
het toilet gebracht.
De slaapruimtes in het detentiecentrum van Haskovo zijn voorzien van een niet-openslaand raam aan de buitenmuur voor daglicht en een openslaand raam aan de deur naar de gang voor frisse lucht. Overdag wordt extra verlichting verzorgd door twee TL-lampen en 's nachts door een gele lamp. De ventilatie wordt tevens verzorgd door een continu werkend afzuigsysteem met luchtkanalen en ventilatoren.
De buitenverblijf van de gedetineerden in het detentiecentrum van Haskovo gebeurt op een daarvoor uitgeruste ruimte met een oppervlak van 14,5 vierkante meter met twee ramen die de ruimte van frisse lucht en daglicht voorzien.
De gedetineerden in het detentiecentrum van Haskovo mogen tijdens de werkuren hoogstens één uur in de buitenverblijf doorbrengen. Het schema wordt vastgelegd door de persoon van wacht."
5.2
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB op grond van artikel 11 OLW Pro, omdat overlevering een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) oplevert. Uit de aanvullende informatie van 10 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na de overlevering naar Bulgarije zal worden gedetineerd onder ontoereikende materiële omstandigheden en dat voor de opgeëiste persoon aldaar een reëel en concreet gevaar bestaat voor een onmenselijke en vernederende behandeling. De opgeëiste persoon zal in de detentie-instelling in Haskovo namelijk niet 24 uur per dag beschikken over sanitaire voorzieningen, er is geen natuurlijke ventilatie in de cellen en er is geen mogelijkheid tot verblijf in de buitenlucht.
5.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de overwegingen ten aanzien van artikel 11 OLW Pro uit de tussenuitspraken van 14 januari 2026 en 24 februari 2026. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen voor zover het gaat om de medische zorg die hij in detentie in Bulgarije kan krijgen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat dit niet het geval is voor zover het algemeen gevaar ziet op de materiële detentieomstandigheden. Uit de door de raadsvrouw overgelegde uitspraken van de rechtbank van Haskovo in Bulgarije heeft de rechtbank namelijk vastgesteld dat in deze uitspraken een schending van artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is aangenomen vanwege de volgende omstandigheden in de detentie-instelling in Haskovo:
(1) gedetineerden hebben niet 24 uur per dag beschikking over sanitaire voorzieningen door een gebrek aan stromend water of toiletten in de cellen;
(2) er is geen sprake van natuurlijke ventilatie in de cellen, en;
(3) er bestaat geen mogelijkheid tot verblijf in de buitenlucht, nu het verblijf in de buitenlucht binnen plaatsvindt in een kamer met ramen die open kunnen.
In verband met het voorgaande heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 24 februari 2026 aanvullende vragen geformuleerd, naar aanleiding waarvan de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 maart 2026 de eerder vermelde aanvullende informatie heeft verstrekt.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt met die aanvullende informatie door de uitvaardigende justitiële autoriteit uitdrukkelijk bevestigd dat de opgeëiste persoon na de overlevering onder dezelfde omstandigheden zal worden gedetineerd in de detentie-instelling in Haskovo waarvoor de rechtbank van Haskovo in Bulgarije een schending van 3 EVRM heeft aangenomen.
De rechtbank stelt dan ook vast dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon als het gaat om de materiele detentieomstandigheden niet is weggenomen en dat voor de opgeëiste persoon op dat vlak een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank geeft daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn, om vervolgens na te gaan bij de volgende zitting of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 22 mei 2026 tot en met 31 mei 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 22 april 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn aansluitend verlengen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en
BEPAALTdat de zaak op een zitting wordt gepland in de periode van 22 mei 2026 tot en met 31 mei 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de beslistermijn met 60 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELTde oproeping tegen nader te bepalen datum en tijdstip van de opgeëiste persoon, met
tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Bulgaarse taal tegen een nader te bepalen datum en
tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rechtbank Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:120.
4.Rechtbank Amsterdam 24 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2336.