Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3790

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
13/032446-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens poging tot moord en woningoverval

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 april 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Spaanse rechter voor de overlevering van een persoon geboren in 1996 in Marokko, die momenteel in Nederland gedetineerd is. De opgeëiste persoon werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot moord en een woningoverval waarbij bewoners met vuurwapens werden beschoten.

De raadsman van de opgeëiste persoon voerde aan dat het EAB niet genoegzaam was, met name omdat poging tot moord niet als lijstfeit was aangeduid en de mate van betrokkenheid onvoldoende was omschreven. Ook werd betwist of het specialiteitsbeginsel werd gewaarborgd, mede vanwege onduidelijkheid over vermeende betrokkenheid bij drugshandel.

De officier van justitie stelde dat het EAB wel voldoende duidelijkheid bood over de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon, en dat het specialiteitsbeginsel was gewaarborgd. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van Pro de Overleveringswet, dat de feitomschrijving voldoende duidelijk is en dat de overlevering in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt, waardoor nadere specificatie niet vereist is.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan moet worden. De uitspraak werd gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, en mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, op 15 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Spanje toe wegens poging tot moord en woningoverval.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/032446-26
Datum uitspraak: 15 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 11 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 januari 2026 door
the Trial Court of Santa Coloma de Farners, Judicial Seat No. 4 (Girona - Kingdom of Spain),Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Marokko),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, en door een tolk in de Arabische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
court order dated January 23, 2026, issued by Judge Angela Chaparro Briones of Judicial Seat no. 4 of the Trial Court of Sta. Coloma de Farners.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Spaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is en dat de overlevering moet worden geweigerd. Ten aanzien van de poging tot moord heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geen lijstfeit aangekruist en dit strafbare feitstaat is zelfs niet in de opsomming van lijstfeiten vermeld. Het EAB voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 2, sub d, OLW. Verder is de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon onvoldoende omschreven. Daarnaast wordt in de feitomschrijving gesuggereerd dat de opgeëiste persoon mogelijk betrokken zou zijn bij handel in verdovende middelen, terwijl onduidelijk is of het EAB ook hierop ziet. Daarmee wordt niet voldaan aan het vereiste zoals genoemd in artikel 2, sub e, OLW en is het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de behandeling moet worden aangehouden om hierover aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Nu het gaat om een vervolgings-EAB en het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, hoeft de verdenking (naar vaste jurisprudentie) nog niet volledig uitgekristalliseerd te zijn. De lijstfeiten zijn in redelijkheid aangekruist, waardoor de toets van dubbele strafbaarheid kan uitblijven.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht en wat zijn betrokkenheid zou zijn. Blijkens onderdeel e) van het EAB gaat het namelijk om vier feiten die verband houden met een woningoverval. Deze zou door meerdere personen zijn gepleegd op 20 december 2024 in Can Fornaca in Spanje. Daarbij zijn de bewoners beschoten met vuurwapens, waardoor bij één bewoner sprake was van levensbedreigende verwondingen. In het A-formulier is de opgeëiste persoon aangemerkt als dader. Ten aanzien van de omschrijving van de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon in het EAB neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek, waardoor een nadere specificatie thans niet nodig is. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Spanje wordt verdacht, zal later in Spanje moeten blijken.
Uit onderdeel e) van het EAB blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de overlevering van de opgeëiste persoon ook gevraagd wordt vanwege de handel in verdovende middelen. Dit deel van de feitomschrijving ziet namelijk op telecommunicatieonderzoek waaruit onder meer naar voren is gekomen dat de opgeëiste persoon niet in Spanje, maar in Zwitserland zou verblijven.
Artikel 2 OLW Pro staat niet aan de overlevering in de weg. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het tweede, derde en vierde strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van voornoemde feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het eerste strafbare feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
poging tot moord.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45 en 289 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Trial Court of Santa Coloma de Farners, Judicial Seat No. 4 (Girona - Kingdom of Spain),Spanje, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.