Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3787

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
759431
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:10 BWArt. 2:9 BWArt. 6:212 BWArt. 6:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en onzakelijke transacties in faillissementen

Deze civiele bodemzaak betreft bestuurdersaansprakelijkheid in twee faillissementen van ondernemingen actief in de handel en opknap van luxe motorboten. De curator stelt dat de bestuurders kennelijk onbehoorlijk hebben gehandeld door onder meer het schenden van de boekhoudplicht, aanzienlijke privé-onttrekkingen, onzakelijke transacties en paulianeus handelen, wat heeft geleid tot een boedeltekort van ruim 3 miljoen euro.

De rechtbank analyseert uitgebreid de gebrekkige administratie, waaronder het ontbreken van een projectadministratie per schip, vermenging van privé- en zakelijke kosten, en onrechtmatige aanpassingen van de cijfers om een positiever beeld te schetsen. Ook zijn transacties zoals de verkoop van een boot en een vakantiewoning onzakelijk en benadelen zij de failliete boedels. De bestuurders konden niet aantonen dat andere oorzaken dan hun onbehoorlijk bestuur het faillissement hebben veroorzaakt.

Verder oordeelt de rechtbank dat de curator rechtsgeldig de vernietiging van een oneigenlijke doorstart heeft ingeroepen, waarbij vermogensbestanddelen zonder vergoeding zijn overgedragen aan een derde vennootschap. Diverse vorderingen tot betaling en teruggave van activa worden toegewezen, waaronder hoofdelijk aansprakelijkheid van de bestuurders voor het boedeltekort en betaling van voorschotten. Andere vorderingen worden afgewezen wegens gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank wijst ook vorderingen toe tegen andere betrokken partijen voor rekening-courantvorderingen, onrechtmatige verrijking en terugbetaling van leningen. Beroepen op matiging van aansprakelijkheid en schadevergoeding slagen niet. De proceskosten worden aan de in het ongelijk gestelde partijen opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort en diverse vorderingen van de curator worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummers (gevoegd): C/13/746164 / HA ZA 24-124 en
C/13/759431 / HA ZA 24-1246
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak met nummer C/13/746164 / HA ZA 24-124 van
[curator]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[eiser 1] B.V.,
kantoorhoudende in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. F.A.E. Diderich,
tegen
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. E. Hoekstra,
in de zaak met nummer C/13/759431 / HA ZA 24-1246 van

1.[curator]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van
[eiser 1] B.V.,
2.
[curator]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser 2] B.V.,
kantoorhoudende in [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de curator,
advocaat: mr. F.A.E. Diderich,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

3.[gedaagde 3] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
4.
[gedaagde 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
5.
[gedaagde 5] C.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 5] CV,
6.
[gedaagde 6],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 6] ,
gedaagde partijen,
advocaat gedaagde 1: mr. K.R. Stephan,
advocaat gedaagden 2 t/m 6: mr. E. Hoekstra.
[eiser 2] B.V. en [eiser 1] B.V. worden hierna ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [eiser 1] ’ genoemd.
Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat vooral over bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn door de curator aangesproken voor het boedeltekort in de faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1] van in totaal ruim 3 miljoen. Volgens de curator is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat de boekhoudplicht is geschonden, maar ook door aanzienlijke privé-onttrekkingen, onzakelijke transacties en paulianeus handelen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ruzie gekregen en wijzen voor de onregelmatigheden vooral naar elkaar.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beide aansprakelijk zijn voor het boedeltekort.

1.De procedures in beide zaken

1.1.
Het verloop van de procedure in de zaak C/13/746164 / HA ZA 24-124 blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 november 2023 met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Het verloop van de procedure in de zaak C/13/759431 / HA ZA 24-1246 blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2024 met een voegingsverzoek, en producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties,
- het vonnis van 8 januari 2025 waarin de zaak is gevoegd,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] c.s.,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald in beide zaken.

2.De feiten in beide zaken

2.1.
Betrokken partijen
[eiser 2] , [eiser 1] (en haar bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] )
2.1.1.
[eiser 2] is in 1988 opgericht door [gedaagde 2] . Sinds 2014 was [gedaagde 1] samen met [gedaagde 2] bestuurder van [eiser 2] . Eind 2014 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser 1] opgericht. Zij waren vanaf de oprichting van die vennootschap beide bestuurder. [eiser 2] en [eiser 1] hielden zich bezig met de handel in gebruikte motorboten in het luxe segment.
2.1.2.
De expertise van [eiser 2] en [eiser 1] lag vooral bij het opkopen van schepen in het middellandse zeegebied die beschadigd waren of waarvan het liggeld niet was betaald. Deze schepen werden door [eiser 2] en [eiser 1] gekocht, naar Nederland getransporteerd, opgeknapt en daarna weer te koop aangeboden.
2.1.3.
Voor de exploitatie maakten [eiser 2] en [eiser 1] vooral gebruik van particuliere financiering, waarbij zij soms leningen aangingen met een rente van 15% of 20% per jaar. Tussen februari 2015 en december 2019 hebben [eiser 2] en [eiser 1] in totaal € 3.155.000,00 van negen particuliere financiers ontvangen.
[gedaagde 5] CV, [gedaagde 6] , [gedaagde 4] en [gedaagde 3]
2.1.4.
In 1987 is [gedaagde 5] CV opgericht. [gedaagde 6] , de echtgenote van [gedaagde 2] , is ingeschreven als beherend vennoot van [gedaagde 5] CV en [gedaagde 2] zelf is commanditair vennoot. Eind 2015 hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] met een derde [gedaagde 4] opgericht. [gedaagde 4] hield zich bezig met het foliewerk voor de schepen die door [eiser 1] en [eiser 2] werden opgeknapt en verkocht. [gedaagde 3] is door [gedaagde 2] opgericht op 22 december 2020 en houdt zich bezig met de verkoop en bemiddeling van schepen.
2.2.
[naam boot 1] en Moody
Verkoop helft [naam boot 1] door [gedaagde 1]
2.2.1.
Op 6 oktober 2017 heeft ‘ [gedaagde 5] ’ een koopovereenkomst gesloten met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) voor een schip, type Pershing 65 met de naam [naam boot 1] (hierna: [naam boot 1] ). [eiser 2] heeft op 19 oktober 2017 de in de overeenkomst genoemde koopsom van € 135.000,00 betaald.
2.2.2.
Op 7 november 2017 heeft [gedaagde 1] aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ) voorgesteld de onverdeelde helft van de [naam boot 1] aan hem te verkopen en de operationele kosten ieder voor de helft te dragen, waarbij partijen zijn uitgegaan van een koopsom van € 300.000,00. [naam 2] heeft [gedaagde 1] gevraagd om de koopovereenkomst met [naam 1] .
2.2.3.
Op 11 december 2017 heeft [gedaagde 1] via zijn eigen e-mailadres een koopovereenkomst van 6 oktober 2017 tussen ‘ [gedaagde 5] ’ en [naam 1] voor de [naam boot 1] gestuurd naar het e-mailadres van [eiser 2] en [eiser 1] . Daarin is in plaats van € 135.000,00 een koopsom van € 275.000,00 opgenomen en de ondertekening van [naam 1] wijkt af van die in de in 2.2.1 genoemde koopovereenkomst. [gedaagde 1] heeft op 11 december 2017 de afwijkende versie vanaf het e-mailadres van [eiser 2] en [eiser 1] naar [naam 2] doorgestuurd en die dag de onverdeelde helft van de [naam boot 1] voor € 150.000,00 aan [naam 2] verkocht. De [naam boot 1] is op 7 december 2017 bij het RDW op naam van [gedaagde 1] geregistreerd.
Rentebetalingen [eiser 1] voor Moody van [gedaagde 2]
2.2.4.
Op 23 januari 2018 heeft [gedaagde 2] een Moody 54 met de naam [naam boot 2] (hierna: Moody) bij het Kadaster als zijn privé-eigendom teboekgesteld. Op 13 april 2018 heeft [gedaagde 2] ten gunste van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) een hypotheekrecht op de Moody gevestigd. Tussen 18 juni 2018 en 14 april 2021 heeft [eiser 1] door betalingen van steeds € 1.500,00 in totaal € 48.000,00 aan [naam 3] betaald onder vermelding van ‘rente’.
2.3.
Vakantiewoning [adres 1]
2.3.1.
Op 24 juli 2018 heeft [eiser 2] een vakantiewoning aan de [adres 1] (hierna: de vakantiewoning) gekocht en betaald met twee schepen. De vakantiewoning is in juli 2017 getaxeerd op een marktwaarde van € 460.000,00.
2.3.2.
Op 3 september 2018 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) opgericht. [eiser 2] heeft op 28 september 2018 de vakantiewoning voor € 300.000,00 aan [bedrijf 2] verkocht, waarna [bedrijf 2] de vakantiewoning op 14 december 2018 voor € 397.500,00 heeft verkocht aan een derde.
2.4.
Administratievoering [eiser 2] en [eiser 1]
2.4.1.
In de loop van 2018 is [naam 4] (hierna: [naam 4] ) als extern boekhouder bij [eiser 2] en [eiser 1] betrokken. Hij heeft op 17 oktober 2022 bij de rechter-commissaris verklaard:

Er waren vaak boekingen van de ene onderneming naar de andere. Als de ene onderneming te weinig geld had voor de financiering van een boot, dan kwam er geld vanuit de andere onderneming. Er was een soort rekening courant tussen de twee ondernemingen. In de loop van 2020 kwam hier een derde onderneming bij, CV. Voor 2020 gebeurde er bijna niets in de CV.
2.4.2.
In de periode vanaf 2018 tot en met april 2021 zijn van en naar [eiser 2] en [eiser 1] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 4] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 3] vele betalingen gedaan met de omschrijving ‘lening’. De curator heeft voor deze betalingen in de administratie van [eiser 2] en [eiser 1] geen leningsovereenkomsten gevonden.
Aanpassingen administratie
2.4.3.
Eind 2019 heeft [naam 4] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op de hoogte gebracht van het verlies van [eiser 2] van € 298.000,00 over 2018. In reactie daarop heeft [gedaagde 1] [naam 4] verzocht de administratie zo aan te passen dat [eiser 2] over 2018 een winst van € 30.000,00 heeft behaald. Uiteindelijk is het resultaat over 2018, na discussie tussen [gedaagde 1] en [naam 4] over mogelijke onzakelijke transacties, aangepast naar een winst van € 21.397,00.
2.4.4.
Op 24 juni 2020 heeft [naam 4] de voorlopige cijfers van 2019 van [eiser 2] en [eiser 1] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gepresenteerd. Voor [eiser 2] was dit een verlies van € 839.510,00 en voor [eiser 1] een winst van € 127.638,00. Na overleg met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is dit in de voorlopige cijfers van 2019 aangepast naar een winst voor [eiser 2] van € 50.487,00 en een winst voor [eiser 1] van € 139.887,00.
2.4.5.
Op 25 september 2020 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overleg gehad met [naam 4] over het verlies over 2019 van [eiser 2] (zie ook hierna in 2.4.6). Na het overleg is in de voorlopige jaarrekening opgenomen dat [eiser 2] een winst van € 13.142,00 heeft behaald en [eiser 1] een verlies van € 522.000,00.
Meldingen boekhouder over slechte financiële situatie
2.4.6.
Op 13 januari 2020 heeft [naam 4] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten weten dat de continuïteit van [eiser 2] en [eiser 1] mogelijk gevaar loopt. [naam 4] heeft op 30 april 2020 de Belastingdienst verzocht het negatieve jaarsaldo van [eiser 1] voor 2019 vast te stellen op € 895.153,00. Volgens opgave van 8 juli 2020 van [naam 4] was de openstaande belastingschuld van [eiser 1] € 22.922,00 en van [eiser 2] € 111.46,001. Voorafgaand aan de geplande bespreking van 25 september 2020 met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft [naam 4] hen laten weten dat de continuïteit van [eiser 2] niet meer gegarandeerd is en dat een faillissement van [eiser 2] niet ondenkbaar is.
2.5.
Ruzie [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
2.5.1.
Op 15 oktober 2020 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , na de relatiebreuk tussen [gedaagde 1] en de dochter van [gedaagde 2] , een gesprek gehad op het kantoor van [eiser 1] en [eiser 2] . Dit gesprek is geëindigd in ruzie, waarna [gedaagde 2] voor [gedaagde 1] de toegang heeft geblokkeerd tot e-mailaccounts, bankrekeningen, de software en het bedrijfspand. Na de breuk heeft [gedaagde 2] aanzienlijke bedragen overgemaakt van [eiser 2] en [eiser 1] naar zichzelf en naar [gedaagde 1] . [gedaagde 2] heeft later ook weer bedragen teruggestort. Er zijn na 15 oktober 2020 meerdere procedures gestart tussen [gedaagde 1] aan de ene kant en [gedaagde 2] en [eiser 2] aan de andere kant waarbij over en weer beslagen zijn gelegd. Op 7 december 2020 is [gedaagde 1] ontslagen als statutair bestuurder van [eiser 2] en op 1 maart 2021 als statutair bestuurder van [eiser 1] .
2.6.
Diverse gebeurtenissen na de ruzie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
[gedaagde 5] CV
2.6.1.
Vanaf januari 2021 heeft [gedaagde 5] CV bedragen ontvangen voor de verkoop van schepen van [eiser 1] :
- op 12 januari 2021 heeft [gedaagde 5] CV bij de verkoop van de Targa 2000 van [eiser 1] de koopsom van € 164.000,00 ontvangen,
- op 4 maart 2021 heeft [gedaagde 5] CV € 12.665,40 ontvangen van Bates Wharf voor annulering van de aankoop door [eiser 1] van de Azimut 46 in oktober 2020. Daarna is op 16 maart 2021 de rekeningcourantschuld van [eiser 1] aan [gedaagde 5] CV met € 12.215,00 naar beneden bijgesteld,
- op 16 maart 2021 heeft [gedaagde 5] CV bij de verkoop van de Astondoa 45 € 130.000,00 van een derde ontvangen,
- op 9 april 2021 heeft [gedaagde 5] CV de Princess 65 van [eiser 1] verkocht aan een derde en daarvoor de aanbetaling van € 15.000,00 ontvangen,
- op 30 april heeft [gedaagde 5] CV de Sea Ray van [eiser 1] verkocht aan een derde en daarvoor € 18.000,00 en een Fairline Corsa ter waarde van € 69.500,00 ontvangen,
- op 20 mei 2021 heeft [eiser 1] haar rekening-courant schuld aan [gedaagde 5] CV verrekend met de verkoop van twee Zodiacs van € 3.500,00 en € 2.250,00 door [gedaagde 5] CV aan een derde voor € 5.750,00.
2.6.2.
In de administratie heeft de curator een factuur gevonden van 17 januari 2021 voor de aankoop door [gedaagde 5] CV van de Boston Whaler van [eiser 1] voor € 60.000,00. In de administratie van [eiser 2] is op 1 maart 2021 verwerkt dat per 25 januari 2021 door de verkoop van de Boston Whaler de rekeningcourantschuld van
[eiser 2]aan [gedaagde 5] CV met € 39.500,00 is afgenomen. [gedaagde 5] CV heeft op 24 maart 2021 de RDW gevraagd de Boston Whaler op haar naam te registreren.
2.6.3.
Op 12 maart 2021 heeft [gedaagde 2] gevraagd de verzekering voor de handelsvoorraad van [eiser 1] over te schrijven naar [gedaagde 5] CV. De verzekeraar heeft daarop een creditnota van € 8.470,00 aan [eiser 1] gestuurd. Daarna is € 8.470,00 verrekend met de verzekeringspremie die [gedaagde 5] CV voor de voorraad heeft betaald.
[gedaagde 3]
2.6.4.
Op 21 januari 2021 heeft [eiser 2] via SIDN al haar domeinnamen, waaronder [domeinnaam 1] en [domeinnaam 2] , aan [gedaagde 3] overgedragen. Daarna hebben [eiser 1] en [eiser 2] op 10 februari 2021 de rechten uit de huurovereenkomsten per 1 januari 2021 overgedragen aan [gedaagde 3] .
2.6.5.
Op 22 juni 2021 heeft [naam 4] aan de salarisadministrateur van [eiser 2] en [eiser 1] laten weten dat het personeel van [eiser 2] per 1 juli 2021 overgaat naar [gedaagde 3] . In augustus 2021 heeft [gedaagde 3] € 13.249,95 aan salarissen van het personeel betaald en dit bedrag via de rekening-courant ten laste van [eiser 2] gebracht.
Beslaglegging particuliere financiers
2.6.6.
Op 8 februari 2021 hebben enkele particuliere financiers beslag gelegd onder [eiser 2] , [eiser 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft op 10 februari 2021 een factuur aangemaakt met datum 2 januari 2021 van [gedaagde 4] aan [eiser 1] ten bedrage van € 20.500,00 aan werkzaamheden. Deze werd in rekeningcourant geboekt, waardoor er geen vordering van [eiser 1] op [gedaagde 4] resteerde.
2.6.7.
Op 16 maart 2021 heeft [eiser 1] per 8 februari 2021 volgens opgave van [naam 4] van derdebeslagenen te vorderen:
- vordering [eiser 1] op [gedaagde 2] : € 26.681,00
- vordering [eiser 1] op [gedaagde 5] CV: € 250.200,00
- vordering [eiser 1] op [eiser 2] : € 648.934,00
2.6.8.
Op 17 maart 2021 heeft [gedaagde 2] aan [naam 4] gevraagd:

[naam 4] SVP ALLE SCHULD WEG BOEKEN
SVP [naam 5] OOK BOEK OP PRIVE IS TOCH NIET MEER TE CONTROLEREN
Daarna zijn de rekening-courantvorderingen op derdebeslagenen per 8 februari 2021 als volgt aangepast:
- schuld [eiser 1] aan [gedaagde 2] : € 20.819,00
- schuld [eiser 1] aan [gedaagde 5] CV: € 46.285,00
- vordering [eiser 1] op [eiser 2] : € 816.434,38
2.7.
Faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1]
2.7.1.
Op 13 juli 2021 heeft de rechtbank, op aanvraag van [gedaagde 1] en de particuliere financiers vermeld in 2.6.6, het faillissement van [eiser 1] uitgesproken. In het faillissement van
[eiser 1] heeft de curator aan preferente vorderingen € 786.738,00 voorlopig erkend en € 101.002,79 aan concurrente vorderingen. Per 3 maart 2026 is volgens opgave van de curator het boedeltekort € 886.548,01 + p.m. De rechtbank heeft op 28 september 2021 het faillissement van [eiser 2] uitgesproken. Per 7 oktober 2024 heeft de curator € 456.949,84 aan preferente vorderingen voorlopig erkend en € 1.648.915,76 aan concurrente vorderingen. Het boedeltekort per 3 maart 2026 is volgens opgave van de curator € 2.208.533,29 + p.m.

3.De geschillen in beide zaken

3.1.
De curator van [eiser 1] vordert in de zaak met nummer C/13/746164 / HA ZA 24-124 dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator € 48.000,00 te betalen, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente,
II. [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator € 35.000,00 (rekening-courantvordering) te betalen, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente,
III. [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator € 3.318,86 te betalen aan beslagkosten,
of een door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente,
IV. [gedaagde 2] veroordeelt in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
3.2.
In de zaak met nummer C/13/759431 / HA ZA 24-1246, vordert de curator dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 4] (rekening-courantvorderingen)
1. [gedaagde 4] veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 20.500,00 te betalen,
2. [gedaagde 4] veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 12.486,48 te betalen,
II. [gedaagde 3] (oneigenlijke doorstart en terugbetaling lening)
3. primair voor recht verklaart dat de curator van [eiser 1] en [eiser 2] rechtsgeldig de buitengerechtelijke vernietiging van het samenstel van handelingen dat samen de oneigenlijke doorstart vormt heeft ingeroepen (of gerechtelijke vernietiging), en subsidiair voor recht verklaart dat [gedaagde 3] door het samenstel van rechtshandelingen dat heeft geleid tot de oneigenlijke doorstart ten koste van [eiser 1] en [eiser 2] ongerechtvaardigd is verrijkt,
4. [gedaagde 3] veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 32.284,34 te betalen, vermeerderd met de waarde van de softe activa van [eiser 1] , te bepalen op € 200.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, of nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet onder betaling van een voorschot van € 100.000,00,
5. [gedaagde 3] veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 317.285,70 te betalen, vermeerderd met de waarde van de softe activa van [eiser 2] , te bepalen op € 200.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag, of nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet onder betaling van een voorschot van € 100.000,00,
III. [gedaagde 5] CV, [gedaagde 6] en [gedaagde 2] (handelsvoorraad [eiser 1] en terugbetaling lening)
6. [gedaagde 5] CV, [gedaagde 6] en [gedaagde 2] hoofdelijk of elk apart veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 448.985,00 te betalen,
7. primair [gedaagde 5] CV, [gedaagde 6] en [gedaagde 2] hoofdelijk of elk apart veroordeelt tot afgifte van de Boston Whaler aan de curator van [eiser 1] of betaling van een waardevergoeding van € 60.000,00, en subsidiair tot afgifte van de Boston Whaler aan de curator van [eiser 2] of betaling van een waardevergoeding van € 60.000,00,
IV. [gedaagde 2] (privé-onttrekkingen en paulianeus handelen)
8. [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 290.000,00 te betalen,
9. primair [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 231.690,00 te betalen en subsidiair de betaling van € 20.000,00 van [eiser 2] aan [gedaagde 2] te vernietigen, en [gedaagde 2] veroordeelt om € 166.990,00 aan de curator van [eiser 2] te betalen,
V. [gedaagde 1] (privé-onttrekkingen en paulianeus handelen)
10. [gedaagde 1] veroordeelt om € 117.584,61 aan de curator van [eiser 1] te betalen,
11. [gedaagde 1] veroordeelt om aan € 415.185,00 aan de curator van [eiser 2] te betalen,
VI. Bestuurdersaansprakelijkheid [gedaagde 2] en [gedaagde 1]
Primair, aansprakelijk voor het boedeltekort (artikel 2:248 BW Pro)
12. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk of elk apart aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiser 1] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk of elk apart aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [eiser 2] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
14. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk of elk apart veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] te betalen een voorschot op het boedeltekort van [eiser 1] van € 800.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag,
15. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk of elk apart veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] te betalen een voorschot op het boedeltekort van [eiser 2] van € 2.000.000,00, of een door de rechtbank te bepalen bedrag,
Subsidiair, aansprakelijk voor individuele schadeposten (artikel 2:9 BW Pro)
16. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 2.424.075,00 te betalen, of [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 1] € 2.424.075,00 te betalen en [gedaagde 1] € 1.468.997,00,
17. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 2.558.118,96 te betalen, of [gedaagde 2] veroordeelt om aan de curator van [eiser 2] € 2.558.118,96 te betalen en [gedaagde 1] € 1.278.239,54,
VII. Vernietiging onverplichte vermindering verhaalsmogelijkheden (artikel 2:248 lid 9 BW Pro)
18. de vestiging van het hypotheekrecht op 9 maart 2021 door [gedaagde 2] en [gedaagde 6] ten gunste van [naam 6] te vernietigen,
19. [gedaagde 2] en [gedaagde 6] veroordeelt om binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis de inschrijving van [naam 6] op de onroerende zaak, staande en gelegen aan het adres
[adres 2] (kadastraal bekend [kadastrale aanduidingen] ) zorg te dragen voor opheffing dan wel doorhaling van de hypothecaire
inschrijving, op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 ineens en € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde 2] en [gedaagde 6] in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 200.000,00,
20. te bepalen dat, als [gedaagde 2] en [gedaagde 6] in gebreke blijven met voldoening, het
vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] , en dat dus de handtekeningen van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] onder alle documenten die getekend moeten worden om te komen tot doorhaling van het recht van hypotheek dat ten name van [gedaagde 2] en [gedaagde 6] is gevestigd en ingeschreven op de data en tijdstippen als vermeld in
het kadaster volgens het als productie 120 in de dagvaarding bedoelde kadastraal
hypothecaire uittreksel, met machtiging aan de curator een afschrift van dit vonnis te doen
inschrijven in de openbare registers,
21. de overdracht, althans overschrijving bij het RDW van de BMW met kenteken [kenteken] door [gedaagde 2] aan [gedaagde 3] te vernietigen,
22. de overdracht, althans overschrijving bij het RDW van de BMW met kenteken
[kenteken] door [gedaagde 3] aan [naam 7] te vernietigen,
vorderingen I tot en met VI vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en de
wettelijke rente, met hoofdelijke of afzonderlijke veroordeling in de proceskosten.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] c.s. voeren verweer en willen dat de vorderingen van de curator worden afgewezen, met veroordeling van de curator in de proceskosten, voor [gedaagde 2] uitvoerbaar bij voorraad.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling in beide zaken

4.1.
Aansprakelijkheid [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:248 BW Pro
4.1.1.
De rechtbank beoordeelt als eerste of sprake is van (kennelijk) onbehoorlijk bestuur van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 2:248 BW Pro. Dat bepaalt dat in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder tegenover de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het faillissementstekort als het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel kan alleen worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. [1] Artikel 2:248 lid 2 BW Pro bepaalt dat als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW Pro (de administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit wettelijk vermoeden kan worden ontzenuwd door de bestuurder door aannemelijk te maken dat (ook) andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.
De administratie voldoet niet aan de vereisten
4.1.2.
De curator stelt allereerst dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur omdat niet is voldaan aan de administratieplicht. De administratie van [eiser 2] en [eiser 1] voldoet volgens de curator niet aan de vereisten van artikel 2:10 lid 1 BW Pro, onder andere omdat:
- in de administratie nauwelijks onderscheid is gemaakt tussen [eiser 2] en [eiser 1] ,
- een projectadministratie per schip ontbreekt, zodat niet inzichtelijk is wat de kosten en de werkelijke verkoopopbrengst van een schip zijn,
- door de curator geen debiteuren- en crediteurenlijsten zijn aangetroffen,
- privékosten als zakelijke kosten werden geboekt en niet van zakelijke kosten te onderscheiden zijn,
- er geen leningsovereenkomsten met bestuurders of gelieerde entiteiten zijn aangetroffen, terwijl er wel vaak leningen werden verstrekt,
- facturen en overeenkomsten geantedateerd werden,
- jaarrekeningen komen niet overeen met de gevoerde administratie en sluiten niet aan op eerdere boekjaren.
4.1.3.
Volgens artikel 2:10 lid 1 BW Pro is het bestuur verplicht om van de vermogenstoestand en van alles over de werkzaamheden van een vennootschap, naar de eisen die uit deze werkzaamheden voortvloeien, zo’n administratie te voeren en te bewaren, dat daarin altijd de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend.
Projectadministratie ontbreekt
4.1.4.
De rechtbank oordeelt dat de administratie van zowel [eiser 2] als [eiser 1] niet voldoet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW Pro. Uit de door de curator aangetroffen administratie kunnen namelijk niet de rechten en verplichtingen van [eiser 2] en [eiser 1] worden gekend. Ten eerste niet omdat een projectadministratie per schip ontbreekt. Daardoor was het niet mogelijk om een realistische en winstgevende verkoopprijs voor een schip te bepalen waarmee de kosten die voor een schip waren gemaakt (bijvoorbeeld voor een reparatie) terugverdiend konden worden. Weliswaar was, zoals door [gedaagde 1] naar voren gebracht, een projectadministratie door de globalisatieregeling niet vereist, maar het voeren van zo’n administratie per schip was wel nodig met het oog op de activiteiten van [eiser 2] en [eiser 1] : het opkopen en daarna repareren en verkopen van schepen. Daarbij komt dat door het ontbreken van een projectadministratie [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook geen inzicht hadden in de waarde van de activa van [eiser 2] en [eiser 1] . Dat er volgens [gedaagde 1] vóór de breuk in oktober 2020 wel een projectadministratie was, is uit de door hem overgelegde foto’s niet af te leiden en is verder ook niet gebleken.
4.1.5.
Dat er geen inzicht was in de kosten van een schip wordt ook bevestigd door [naam 4] in zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 17 oktober 2022:

[gedaagde 2] had geen idee van hoeveel een boot moest kosten. Ik heb dit in kaart gebracht. De winstmarge was ten opzichte van de omzet bijzonder laag. [gedaagde 2] kocht bijvoorbeeld een boot in Frankrijk of Zuid Spanje voor 2 ton, deze moest opgeknapt worden. Hij had geen goed idee hoeveel alles kostte om het op te knappen, dat kon dan bijvoorbeeld ook weer 2 ton kosten. Daarbij moest er dan bijvoorbeeld ook een motor in van 60.000 euro. Hij maakte geen calculatie. Zo’n boot werd daarna dan voor bijvoorbeeld 3 ton verkocht en dan dacht hij dat hij een mooie verkoop had gedaan. Ik heb gezegd dat hij moest bijhouden hoeveel geld hij in een boot stopte. Ze wisten eigenlijk niet waar ze mee bezig waren.”
4.1.6.
Het verlies van [eiser 2] is, zo volgt uit de verklaring van [naam 4] in de concept jaarrekening 2019, het gevolg van de vaststelling van onjuiste verkoopprijzen:

Het verlies over 2019 wordt veroorzaakt doordat onjuiste verkoopprijzen voor de boten zijn vastgesteld. De brutowinst bedraagt slechts 1,5 % van de netto-omzet, hetgeen onvoldoende is om alle bedrijfskosten van [eiser 2] BV te dekken. Door de verliezen van [eiser 2] is de continuïteit niet meer gegarandeerd en is een faillissement niet ondenkbaar. Doordat geen marktconforme/kostendekkende verkoopprijs wordt gehanteerd (met name voor leveringen aan [eiser 1][ [eiser 1] , rb]
) wordt [eiser 2] benadeeld en [eiser 1] bevoordeeld. Aangezien beide ondernemingen hetzelfde bestuur hebben is sprake van onzakelijk handelen/besmette transacties. In geval van faillissement kan de curator de directie van [eiser 2] privé aansprakelijk stellen i.v.m. onbehoorlijk bestuur en bestuurdersaansprakelijkheid inroepen.
Geen onderscheid [eiser 2] en [eiser 1] en aanpassingen zonder rechtvaardiging
4.1.7.
Ten tweede kunnen uit de administratie de rechten en verplichtingen van [eiser 2] en [eiser 1] niet worden gekend door het vele betalingsverkeer tussen de vennootschappen en het onderling verstrekken van leningen, zonder dat daarvoor een verantwoording is gevonden (zie 2.4.1 en 2.4.2). Feitelijk werd alles op één hoop gegooid. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit ook niet weersproken. Zij hebben aangegeven dat [eiser 2] en [eiser 1] ‘communicerende vaten’ waren, maar dat rechtvaardigt deze werkwijze van administratie voeren niet. Daarnaast hebben ook de vele aanpassingen in de administratie (zie 2.4.4 en 2.4.5) ervoor gezorgd dat deze niet voldoet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW Pro. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ook niet betwist dat die aanpassingen na overleg met hen hebben plaatsgevonden. [gedaagde 1] wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat deze zijn gedaan uit boekhoudkundige en fiscale overwegingen. Zonder verdere toelichting is dit namelijk geen rechtvaardiging voor de aanpassingen. Daarbij komt dat aannemelijk is dat de administratie is aangepast om een positief beeld van [eiser 2] en [eiser 1] te geven, bijvoorbeeld om financiering te krijgen. Zo meldt [naam 4] op 28 september 2020 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , na aanpassing van de cijfers: "
Vanwege de hypotheekaanvraag is het van belang dat het resultaat in [eiser 2] BV positief is". Bovendien hebben de aanpassingen ervoor gezorgd dat de administratie niet betrouwbaar is en niet overeenkomt met de werkelijkheid. Ook dit maakt dat daaruit niet de rechten en verplichtingen van de [eiser 2] en [eiser 1] kunnen worden gekend.
Privé-onttrekkingen, vermenging van zakelijk en privé en onzakelijke transacties
4.1.8.
Ook privé-onttrekkingen, vermenging van zakelijk en privé en onzakelijke transacties hebben ervoor gezorgd dat uit de administratie niet de rechten en verplichtingen van [eiser 2] en [eiser 1] kunnen worden gekend. Illustratief daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank de werkwijze van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met betrekking de [naam boot 1] , Moody en de vakantiewoning (zie 2.2 en 2.3). Daarvoor geldt het volgende.
4.1.9.
De rechtbank volgt de curator in zijn standpunt dat [eiser 2] door de overdracht van de [naam boot 1] een direct verlies van € 135.000,00 heeft geleden en een winst van € 150.000,00 is misgelopen. [gedaagde 1] heeft hiertegen ingebracht dat [eiser 2] niet is benadeeld omdat [eiser 2] de [naam boot 1] heeft ingekocht voor € 135.000,00 en voor € 150.000,00 heeft verkocht aan [gedaagde 1] , met als resultaat een winst van € 15.000,00 voor [eiser 2] . Anders dan [gedaagde 1] naar voren heeft gebracht, is echter niet gebleken dat hij [eiser 2] € 150.000,00 voor de [naam boot 1] heeft betaald. Dit volgt niet uit het door [gedaagde 1] overgelegde bankafschrift. De curator heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] zich de door [eiser 2] voor € 135.000,00 gekochte [naam boot 1] heeft toegeëigend en daarna de helft van de [naam boot 1] voor € 150.000,00 aan een derde heeft verkocht. Het gaat hier dus om een vermenging van zakelijk en privé, waarbij [gedaagde 1] (in privé) de [naam boot 1] aan het vermogen van [eiser 2] heeft onttrokken.
4.1.10.
Ook voor de rentebetalingen van € 48.000,00 door [eiser 1] aan [naam 3] voor de Moody, die eigendom is van [gedaagde 2] in privé, geldt dat sprake is van vermenging van zakelijk en privé en onttrekking van vermogen aan [eiser 1] . De Moody is volgens het Kadaster een schip van [gedaagde 2] , waarop een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van [naam 3] . Dat de Moody volgens [gedaagde 2] eigendom is van [eiser 2] en dat geen zekerheidsrecht door hem is gevestigd vindt geen steun in de feiten.
4.1.11.
Daarnaast is met de transactie van de vakantiewoning, waarbij [eiser 2] een verlies van € 169.200,00 heeft geleden en [bedrijf 2] een winst van € 97.500,00 heeft genoten, sprake geweest van een onzakelijke transactie. De curator wordt ook hier gevolgd in zijn standpunt. [gedaagde 1] betwist dat [eiser 2] een boekverlies heeft geleden. Volgens hem waren de twee boten die voor de aankoop van de vakantiewoning zijn ingeruild maar € 210.000,00 waard en is de zakelijke waarde van de vakantiewoning vastgesteld op € 300.000,00, zodat [eiser 2] een winst van € 90.000,00 heeft behaald. Zonder verdere onderbouwing oordeelt de rechtbank dat [gedaagde 1] hiermee het standpunt van de curator onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Hiervoor is ook van belang de e-mail van 17 september 2018 van [naam 4] waarin hij [gedaagde 2] en [gedaagde 1] erop heeft gewezen dat de doorverkoop van de vakantiewoning door [eiser 2] aan [bedrijf 2] voor een bedrag van € 300.000 als een niet zakelijke transactie gezien kan worden vanwege de “
lage” verkoopprijs “
temeer daar de vakantiewoning enige weken hiervoor is verkocht voor € 460.000”. Ook de stelling van [gedaagde 2] dat de curator moet aantonen welke waarde reëel was en welke zakelijke redenen er destijds speelden is onvoldoende onderbouwd. Daarmee miskent [gedaagde 2] dat het aan hem is om het standpunt van de curator over het onzakelijke karakter van de transactie van de vakantiewoning gemotiveerd te betwisten.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur door schending administratieplicht
4.1.12.
De conclusie is dat de administratieplicht van artikel 2:10 BW Pro is geschonden. Daarmee staat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Door schending van de administratieplicht is dus formeel sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:248 BW Pro. De hiervoor genoemde aanpassingen van de administratie, privé-onttrekkingen en onzakelijke transacties kwalificeren op zichzelf en in samenhang bezien ook materieel als kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW Pro. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben daarmee voorzienbaar ten nadele van de schuldeisers van [eiser 2] en [eiser 1] gehandeld en vrijwel uitsluitend henzelf bevoordeeld. De rechtbank volgt de curator in zijn standpunt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] met deze handelwijze zodanig roekeloos zijn omgegaan met de belangen van [eiser 2] en [eiser 1] en hun schuldeisers dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben. Anders dan [gedaagde 2] tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, zijn deze handelingen voldoende voor dit oordeel.
Schending administratieplicht is belangrijke oorzaak van het faillissement
4.1.13.
Op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro wordt de schending van de administratieplicht reeds vermoed een belangrijke oorzaak van de faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1] te zijn. De curator heeft ter nadere onderbouwing gesteld dat het hiervoor genoemde handelen van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] afzonderlijk en in samenhang bezien een belangrijke oorzaak van de faillissementen is geweest, omdat als:
- de administratie van [eiser 2] en [eiser 1] daadwerkelijk inzage had gegeven in hun rechten
en verplichtingen, zij geen nieuwe leningen hadden kunnen aangaan en de schuldenlast niet zo hoog had kunnen oplopen,
- het bestuur geen dusdanig hoge privéonttrekkingen had gedaan of als deze
privéonttrekkingen tijdig waren terugbetaald, [eiser 2] en [eiser 1] (bijna) al hun
schuldeisers hadden kunnen voldoen,
- het bestuur geen onzakelijke transacties had verricht waarbij de kosten ten laste van
[eiser 2] en [eiser 1] waren gekomen en de opbrengsten ten gunste van het bestuur of gelieerde vennootschappen, de opbrengsten aan [eiser 2] en [eiser 1] waren toegekomen en [eiser 2] en [eiser 1] over voldoende liquide middelen hadden beschikt en hun schuldeisers kunnen voldoen.
Bewijsvermoeden is niet ontzenuwd
4.1.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter weerlegging van het bewijsvermoeden aangevoerd dat niet de schending van de administratieplicht, maar de breuk tussen hen, medio oktober 2020, de oorzaak is geweest van de faillissementen. De rechtbank volgt hen hierin niet. Aan [gedaagde 1] kan worden toegegeven dat na de breuk met [gedaagde 2] veel onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, maar daar staat tegenover dat [gedaagde 1] vóór medio oktober 2020 ook in aanzienlijke mate zelf bij onregelmatigheden betrokken was. Voor zover de breuk tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wel als een oorzaak van het faillissement aangemerkt zou kunnen worden, geldt dat dit niet een externe van buitenaf komende oorzaak is en dat de breuk en verdere escalatie door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf zijn veroorzaakt en de gevolgen daarvan voor hun rekening komen. Niet gebleken is bovendien dat, zoals [gedaagde 1] naar voren heeft gebracht, de zaken goed liepen vóór de breuk medio oktober 2020. [naam 4] had in januari 2020 al gewaarschuwd dat de continuïteit van [eiser 2] en [eiser 1] mogelijk gevaar liep (zie 2.4.6). In juni 2020 rapporteerde hij voor [eiser 2] een verlies van € 839.510,00 en voor [eiser 1] een winst van € 127.638,00. Ook daarna heeft [naam 4] in september 2020 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gewezen op de schulden, onder meer die aan de Belastingdienst, en dat een faillissement van [eiser 2] niet ondenkbaar was.
4.1.15.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde 2] voor de oorzaak van de faillissementen nog genoemd dat het bij [eiser 2] en [eiser 1] ging om ondernemingen met lage marges, hoge inkoopbedragen, hoge opknapkosten, financieringsdruk waarbij gelden noodgedwongen werden geleend tegen excessieve rentevergoedingen, afhankelijkheid van consignatie en de coronapandemie. De genoemde omstandigheden zijn zeer algemeen van aard en betreffen het bedrijfsmodel van [eiser 2] en [eiser 1] zoals dat al jaren bestond. Daarmee heeft [gedaagde 2] dus niet aannemelijk gemaakt dat andere omstandigheden dan de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Dat zou mogelijk anders kunnen zijn voor de coronapandemie, maar op dat punt ontbreekt een voldoende concrete toelichting.
4.1.16.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur op grond van artikel 2:248 BW Pro (in beginsel) aansprakelijk zijn voor het boedeltekort in de faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1] .
Beroep van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op disculpatie slaagt niet
4.1.17.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich beide beroepen op disculpatie op grond van artikel 2:248 lid 3 BW Pro. Dat artikel bepaalt dat een bestuurder niet aansprakelijk is als hij bewijst dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur niet aan hem is te wijten en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wentelen. Het bestuur is in beginsel collectief verantwoordelijk voor een behoorlijke taakvervulling. Een geslaagd beroep op disculpatie is - zo blijkt uit de rechtspraak - slechts bij hoge uitzondering mogelijk.
4.1.18.
Volgens [gedaagde 1] hebben de onregelmatigheden plaatsgevonden na de ruzie medio oktober 2020. [gedaagde 1] kon hier niets tegen doen omdat hij geen toegang meer had tot de administratie. [gedaagde 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen [gedaagde 1] zich bezighield met de administratie. Ook is het [gedaagde 1] geweest die privé-onttrekkingen heeft gedaan, zodat dit [gedaagde 2] niet kan worden verweten. Bovendien heeft [gedaagde 1] nog een laptop met daarop de administratie van [eiser 2] en [eiser 1] die hij kon aanpassen.
4.1.19.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich niet kunnen disculperen. De schending van de administratieplicht valt binnen de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur. Niet is gebleken dat alleen [gedaagde 1] zich bezighield met de administratie of dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] intern een taakverdeling hadden afgesproken. Het personeel van [eiser 2] en [eiser 1] heeft bij de rechter-commissaris op 17 oktober 2022 ook verklaard dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hen opdrachten gaven voor facturatie en dat zij hierover beide beslissingen namen. Daarbij komt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beide steeds toegang hadden tot de administratie. [gedaagde 2] , anders dan hij zelf naar voren heeft gebracht zonder meer, en [gedaagde 1] in ieder geval vóór de breuk medio oktober 2020. De hierboven besproken tekortkomingen in de administratie waren toen al aanwezig. Zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] konden dus beide maatregelen treffen om de gevolgen van de schending van de administratieplicht af te wenden. Niet gebleken is dat zij dit hebben gedaan. Het beroep op disculpatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] slaagt daarom niet.
Geen aanleiding voor matiging van bedrag aansprakelijkheid [gedaagde 2]
4.1.20.
heeft daarnaast een beroep gedaan op matiging van het bedrag van de aansprakelijkheid voor het boedeltekort. Op grond van artikel 2:248 lid 4 BW Pro kan de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen als hem dit bovenmatig voorkomt, i) gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling, ii) de andere oorzaken van het faillissement, iii) de wijze waarop dit is afgewikkeld en iv) gezien de tijd die de bestuurder in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaatsvond. De in artikel 2:248 lid 4 BW Pro genoemde matigingsgronden zijn limitatief.
4.1.21.
[gedaagde 2] heeft in de conclusie van antwoord uiteengezet waarom het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is moet worden gematigd tot nihil. Zonder verdere toelichting valt niet in te zien waarom de door hem aangevoerde redenen, afzonderlijk of in samenhang, zouden moeten leiden tot matiging, laat staat tot matiging (al dan niet tot nihil) op de gronden zoals limitatief genoemd in artikel 2:248 lid 4 BW Pro. Zo zijn leeftijd, geringe verdiencapaciteit of afwezigheid van privaat voordeel geen gronden voor matiging. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om ambtshalve tot matiging over te gaan.
Gevorderde verklaringen voor recht en betalingen voorschotten toewijsbaar
4.1.22.
Dit betekent dat de door de curator gevorderde verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het tekort in de faillissementen van [eiser 1] en [eiser 2] , nader op te maken in de schadestaatprocedure, worden toegewezen. Ook de vorderingen van de curator tot betaling van voorschotten van € 800.000,00 in het faillissement van [eiser 1] en € 2.000.000,00 in het faillissement van [eiser 2] zijn toewijsbaar, omdat gezien de stand van de boedels zoals vermeld onder 2.7.1 de boedeltekorten in de beide faillissementen tenminste die bedragen zullen belopen. De gevorderde wettelijke rente over de boedeltekorten en te betalen voorschotten wordt niet toegewezen. Artikel 2:248 BW Pro biedt hiervoor geen grondslag. Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk zijn voor het boedeltekort, zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, inclusief de van [gedaagde 2] gevorderde beslagkosten, niet toewijsbaar. Deze kosten worden (in het salaris en de verschotten van de curator) al meegeteld bij de berekening van het boedeltekort.
4.1.23.
Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een beroep doen op verrekening van hun eventuele vorderingen op [eiser 2] en [eiser 1] met de vordering van de curator tot betaling van het boedeltekort gaat dit niet op. Verrekening is niet mogelijk op grond van artikel 2:248 lid 6 BW Pro.
4.1.24.
Met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van het boedeltekort in de faillissementen wordt niet toegekomen aan beoordeling van de andere afzonderlijke individuele vorderingen van de curator op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zoals die uit hoofde van rekening-courant verhoudingen, paulianeus handelen of onbehoorlijke taakvervulling op grond van artikel 2:9 BW Pro. Dit zijn de vorderingen genoemd in 3.1 en de vorderingen in 3.2 met nummers 8, 9, 10, 11, 16 en 17. Deze worden dan ook afgewezen bij gebrek aan belang.
4.2.
[gedaagde 4]
[gedaagde 4] moet € 12.486,48 aan [eiser 2] betalen, met rente en kosten
4.2.1.
Volgens de curator volgt uit de administratie van [eiser 2] een rekening-courantvordering van [eiser 2] op [gedaagde 4] van € 12.486,48 op datum faillissement. Dit komt nagenoeg overeen met de kolommenbalansen van zowel [gedaagde 4] als [eiser 2] van 26 mei 2021 waaruit volgt dat [eiser 2] uit hoofde van rekening-courant € 12.586,48 van [gedaagde 4] te vorderen had. De curator verwijst hiervoor naar de gegevens in de door hem veiliggestelde administratie. De rechtbank oordeelt dat, bij gebrek aan gemotiveerde betwisting van [gedaagde 4] , voldoende is komen vast te staan dat [eiser 2] € 12.486,48 van [gedaagde 4] te vorderen heeft. Deze vordering van de curator is daarom toewijsbaar. Voldoende is gebleken dat de curator hiervoor buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. De curator heeft [gedaagde 4] op 3 augustus 2023 verzocht om betaling binnen zeven dagen. Daarmee zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar, en wel tot € 899,86. De door de curator gevorderde wettelijke rente vanaf 11 augustus 2023 wordt eveneens toegewezen.
[gedaagde 4] moet € 20.500,00 aan [eiser 1] betalen, met rente en kosten
4.2.2.
De curator vordert van [gedaagde 4] € 20.500,00 uit hoofde van de rekening-courantverhouding met [eiser 1] . Volgens de administratie van [eiser 1] had zij eind december 2020 een rekening-courantvordering van € 20.500,00 op [gedaagde 4] . Na de beslaglegging door de particuliere financiers is deze vordering met het opmaken van een (geantedateerde) factuur van [gedaagde 4] aan [eiser 1] teruggebracht naar nihil (zie 2.6.6). De curator stelt dat niet is gebleken dat de werkzaamheden op die factuur daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. [gedaagde 4] heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser 1] een rekening-courantvordering van € 20.500,00 op [gedaagde 4] heeft. Deze vordering van de curator wordt dan ook toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente vanaf 11 augustus 2023 (zie 4.2.1). Bij toewijzing van de hoofdsom van € 20.500,00 zijn de buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar tot € 980,00.
4.3.
[gedaagde 3]
Oneigenlijke doorstart
4.3.1.
De curator stelt dat een oneigenlijke doorstart van de onderneming van [eiser 2] en [eiser 1] heeft plaatsgevonden door [gedaagde 3] zonder dat [gedaagde 3] voor de verkrijging van vermogensbestanddelen van [eiser 2] en [eiser 1] een tegenprestatie heeft verricht. Bij brief van 28 maart 2024 heeft de curator het samenstel van rechtshandelingen die hebben geleid tot de oneigenlijke doorstart (buitengerechtelijk) vernietigd met een beroep op de actio Pauliana op grond van artikel 42 Fw Pro. De curator vordert een verklaring voor recht dat hij rechtsgeldig tot vernietiging is overgegaan en betaling van een waardevergoeding, althans verwijzing naar de schadestaat onder voldoening van een voorschot.
4.3.2.
De rechtbank oordeelt dat de curator bij brief van 28 maart 2024 de rechtshandelingen waarbij om niet vermogensbestanddelen van [eiser 2] en [eiser 1] aan [gedaagde 3] zijn overgedragen en die hebben geleid tot de oneigenlijke doorstart van de activiteiten van [eiser 2] en [eiser 1] via [gedaagde 3] rechtsgeldig heeft vernietigd. Daarvoor geldt het volgende. Op grond van artikel 42 lid 1 Fw Pro kan de curator ten behoeve van de boedel elke onverplichte rechtshandeling die de schuldenaar vóór de faillietverklaring heeft verricht en waarvan hij wist of behoorde te weten dat daarmee schuldeisers zouden worden benadeeld, buitengerechtelijk vernietigen. Hierbij geldt volgens artikel 42 lid 2 Fw Pro dat rechtshandelingen, anders dan om niet, die meerzijdig zijn of eenzijdig gericht op bepaalde personen, alleen vernietigd kunnen worden als ook de wederpartij wetenschap had of behoorde te hebben van de benadeling. Een rechtshandeling is onverplicht als daarvoor geen wettelijke of contractuele verplichting bestaat. Benadeling van schuldeisers betekent dat hun verhaal beperkt wordt en moet aanwezig zijn op het moment dat de curator zijn rechten uitoefent. Dit wordt beoordeeld door de hypothetische situatie zonder de rechtshandeling te vergelijken met de feitelijke situatie met de rechtshandeling. Van wetenschap van benadeling is sprake als bij de rechtshandeling het faillissement en een tekort met redelijke zekerheid voorzienbaar waren voor zowel schuldenaar als wederpartij. Artikel 43 Fw Pro bevat rechtsvermoedens van deze wetenschap, die gelden behalve als tegenbewijs wordt geleverd.
4.3.3.
Volgens de curator ziet de oneigenlijke doorstart op de volgende rechtshandelingen:
- ter beschikking stellen van personeel aan [gedaagde 3] ,
- overdragen van rechten uit de huurovereenkomst,
- overdragen van de materiële vaste activa,
- overdragen van rechten uit andere (duur)overeenkomsten,
- ten laste van [eiser 2] en [eiser 1] en ten gunste van [gedaagde 3] laten komen van betalingen die betrekking hadden op [gedaagde 3] ,
- het overdragen van de domeinnamen, handelsnamen, websites, logo's, klantenbestanden en onderhanden werk (goodwill),
- het overdragen van de exploitatie van [website] .
4.3.4.
Niet weersproken is dat [gedaagde 3] dezelfde activiteiten als [eiser 2] en [eiser 1] exploiteert, gebruikmaakt van hetzelfde personeel, bedrijfspand, logo's, briefpapier, klantenbestand en website. Ook staat vast dat op 30 september 2021 het woord ‘ [gedaagde 3] ’ aan de website is toegevoegd en dat deze nu ongewijzigd door [gedaagde 3] wordt geëxploiteerd. Voldoende is gebleken dat [gedaagde 3] na haar oprichting de handelsactiviteiten van [eiser 2] en [eiser 1] heeft voortgezet. Een medewerker van [eiser 2] / [eiser 1] heeft hierover op 17 oktober 2022 bij de rechter-commissaris verklaard:

De curator vraagt welke werkzaamheden in [gedaagde 3] werden verricht, Volgens mij niet veel. Op een gegeven moment werden facturen vanuit [gedaagde 3] verstuurd. Toen [eiser 2] op klappen stond, is [gedaagde 3] opgericht en kort daarna begon dit factureren. [gedaagde 2] heeft op een moment verteld dat hij een nieuwe B.V, namelijk [gedaagde 3] had opgericht zodat wij buiten de ellende zouden blijven staan. Dus ja, [gedaagde 3] is opgericht omdat er binnen [eiser 2] problemen waren. [gedaagde 2] wilde niet dat wij ons zorgen maakten. Er lag natuurlijk ook beslag op de rekening. Hij kwam op een gegeven moment naar mij toe, ergens in februari/maart 2021, dat [eiser 2] het niet zou gaan redden, op dat moment kregen wij zoveel brieven binnen dat het duidelijk was dat het niet goed ging met de onderneming. Daarom heeft hij [gedaagde 3] opgericht, dan had hij een B.V. erbij van waaruit hij kon factureren. Dit was volgens mij enkele maanden na oktober 2020 toen [gedaagde 1] wegging bij de onderneming, dus inderdaad rond februari/maart 2021.
En [gedaagde 2] zelf:

De curator vraagt of de opbrengst van dit bemiddelingswerk, ten tijde van voor faillissement en na inbetalinggeving, bij mij privé, bij CV of bij [gedaagde 3] terecht is gekomen. Dat is in CV of [gedaagde 3] gekomen. Ik wilde na het gedoe met [gedaagde 1] de B.V. 's even met rust laten.
4.3.5.
[gedaagde 3] heeft niet gemotiveerd betwist dat zij feitelijk de activiteiten en daarmee vermogensbestanddelen van [eiser 2] en [eiser 1] , waaronder (onder meer) domeinnamen, huurcontracten en goodwill, heeft overgenomen zonder dat zij daar een vergoeding voor heeft betaald.
4.3.6.
Hierdoor zijn de schuldeisers in de faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1] benadeeld. Als gevolg van de voortzetting van de activiteiten via [gedaagde 3] zijn de (nog resterende) activa van [eiser 2] en [eiser 1] naar [gedaagde 3] overgeheveld (zie 2.6.4) en zijn de opbrengsten van [eiser 2] en [eiser 1] via facturering aan [gedaagde 3] toegekomen (zie ook hiervoor in 4.3.4). Ook is zo een doorstart uit de faillissementen van [eiser 2] en [eiser 1] onmogelijk gemaakt. Het vermoeden dat zowel [eiser 2] en [eiser 1] aan de ene kant en [gedaagde 3] aan de andere kant, welke vennootschappen allemaal (feitelijk) bestuurd werden door [gedaagde 2] , op grond van artikel 45 en Pro artikel 43 lid 1 aanhef Pro en onder sub 1 en sub 5 onder b Fw wetenschap hadden van die benadeling, is niet weerlegd. [gedaagde 3] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat bij de oprichting nog geen sprake was van een faillissement. [naam 4] had in 2020 al gewaarschuwd voor een mogelijk gevaar voor de continuïteit van [eiser 2] en een mogelijk faillissement, en herhaalde dit bij de concept-jaarrekening van 2019 (zie ook 4.1.6).
4.3.7.
De conclusie is dat de curator bij brief van 28 maart 2024 de rechtshandelingen, waarbij vermogensbestanddelen van [eiser 2] en [eiser 1] om niet zijn overgedragen aan [gedaagde 3] die hebben geleid tot de oneigenlijke doorstart van de activiteiten van [eiser 2] en [eiser 1] via [gedaagde 3] , rechtsgeldig heeft vernietigd. De door de curator gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen.
Rechtsgevolg van de vernietiging: waardevergoeding
4.3.8.
Volgens de curator kunnen de reeds ingetreden gevolgen van de rechtshandelingen bezwaarlijk ongedaan worden gemaakt. Hij heeft daarom betaling van een waardevergoeding, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd onder voldoening van een voorschot. [gedaagde 3] heeft de waarde van de door de curator opgevoerde vermogensbestanddelen betwist. Omdat de curator de waarde van de overgehevelde activa heeft gespecificeerd, zal de rechtbank waar mogelijk de waarde zelf begroten en voor zover dit niet kan, de procedure verwijzen naar de schadestaatprocedure.
4.3.9.
De curator van [eiser 1] vordert van [gedaagde 3] op grond van de vernietiging ex artikel 42 Fw Pro € 232.284,34, bestaande uit:
a. salarisbetalingen voor personeel: € 5.937,34,
b. betalingen handelscrediteuren: € 26.347,00,
c. softe activa: € 200.000,00.
4.3.10.
De curator van [eiser 2] vordert in totaal € 510.585,70, bestaande uit:
d. salarisbetalingen voor personeel: € 98.191,62,
e. loonvordering UWV: € 36.662,44,
f. kosten verbouwing bedrijfspand inclusief afschrijving: € 79.468,44,
g. materiële vaste activa: € 12.798,72,
h. betalingen handelscrediteuren [gedaagde 3] : € 38.692,14,
i. betalingen inkoopkosten boten [gedaagde 3] : € 20.396,42,
j. botengids jan-sept 2021: € 2.390,00,
k. botengids oktober 2021 tot september 2024: € 21.985,92,
l. botengids vanaf oktober 2024: p.m.
m. softe activa: € 200.000,00.
Verwijzing naar schadestaat voor softe activa, kosten verbouwing en botengids
4.3.11.
Volgens [gedaagde 3] is ten onrechte tweemaal softe activa (c en m) door de curator opgevoerd en is het bedrag van € 200.000,00 ‘uit de lucht gegrepen’. Het gaat hier om de goodwill, bestaande uit domeinnamen, de website, huisstijl, logo en handelsnamen, maar onduidelijk is nog waarom hieraan een waarde van tweemaal € 200.000,00 moet worden toegekend. Dit zal in de schadestaatprocedure moeten worden bepaald. Met betrekking tot de verbouwingskosten van het bedrijfspand (f) eind 2019, die volgens de curator € 99.335,55 hebben bedragen, is nog onduidelijk waarom [gedaagde 3] daarvan met de overname van de huurovereenkomst een bedrag van € 79.468,44 moet vergoeden, ook gelet op de overname door [gedaagde 3] van de openstaande huurschulden van [eiser 2] en [eiser 1] . Tot slot zal de waarde van de website ‘botengids’ (j, k en l), waarvan niet weersproken is dat die na oktober 2021 door [gedaagde 3] wordt geëxploiteerd, ook in de schadestaatprocedure definitief moeten worden vastgesteld.
Posten betaling handelscrediteuren, inkoopkosten boten en loonbetaling niet toewijsbaar
4.3.12.
Voor de door de curator gespecificeerde posten loonbetalingen personeel, betaling handelscrediteuren en inkoopkosten boten (a, b, d, e, h en i) is niet duidelijk waarom deze voor vergoeding in aanmerking komen, althans heeft de curator dit onvoldoende onderbouwd gelet op de grondslag van zijn vordering, te weten: vernietiging ex artikel 42 Fw Pro van de rechtshandelingen die tot de oneigenlijke doorstart hebben geleid. Deze gevorderde posten worden dan ook afgewezen.
[gedaagde 3] moet € 12.798,72 aan [eiser 2] betalen
4.3.13.
De rechtbank oordeelt dat de post materiële vaste activa (g) voldoende is komen vast te staan. Op de balans van [eiser 2] van 2020 staat na afschrijvingen een bedrag van € 4.020,72 aan kantoorinventaris, een bedrag van € 7.978,00 aan vervoer- en transportmiddelen en een bedrag van € 800,00 aan computers en printers geactiveerd. Dit maakt een totaal van € 12.798,72 aan vaste activa. [gedaagde 3] heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit, naar haar eigen zeggen, nihil zou moeten zijn.
[gedaagde 3] moet lening van € 6.700,00 aan [eiser 2] terugbetalen
4.3.14.
Daarnaast vordert de curator nog terugbetaling van de door [eiser 2] aan [gedaagde 3] verstrekte lening voor een bedrag van € 6.700,00. De curator heeft dit onderbouwd met bankafschriften. Daaruit volgt dat [eiser 2] en Shipcaryachts over en weer tussen 5 februari 2021 en 2 augustus 2021 diverse leningen hebben verstrekt. [gedaagde 3] heeft daarbij in totaal € 17.700,00 met omschrijving ‘lening’ op de bankrekening van [eiser 2] voldaan, terwijl [eiser 2] € 24.400,00 met omschrijving ‘lening’ op de bankrekening van [gedaagde 3] heeft betaald. [gedaagde 3] heeft hier niets concreets tegen ingebracht. De rechtbank oordeelt daarom dat de curator voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 3] € 6.700,00 aan [eiser 2] moet terugbetalen en wijst deze vordering toe.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.3.15.
De wettelijke rente over het totaal van de toegewezen hoofdsom van € 19.498,72 (€ 12.798,72 + € 6.700,00) wordt toegewezen vanaf 12 april 2024, de datum waarop de in de brief van de curator van 28 maart 2024 gestelde betaaltermijn is verstreken. De buitengerechtelijke incassokosten zijn, met het oog op de toegewezen hoofdsom, toewijsbaar tot € 969,99.
4.4.
[gedaagde 5] CV, [gedaagde 2] en [gedaagde 6]
Verschuiving handelsvoorraad van [eiser 1] naar [gedaagde 5] CV
4.4.1.
De curator van [eiser 1] vordert van [gedaagde 5] CV, [gedaagde 2] en [gedaagde 6] (als beherend vennoot, die daarmee hoofdelijk aansprakelijk is ex artikel 18 WvK Pro voor de schulden van de CV) een bedrag van € 448.985,00 in verband met de verschuiving in de handelsvoorraad (zie 2.6.1) van [eiser 1] naar [gedaagde 5] CV. Naast betaling van dit bedrag vordert de curator ook teruggave van de Boston Whaler, primair aan [eiser 1] en subsidiair aan [eiser 2] . De curator stelt dat [gedaagde 5] CV de opbrengsten met betrekking tot schepen die eigendom waren van [eiser 1] zonder rechtsgrond heeft ontvangen. [gedaagde 5] CV is daarmee ongerechtvaardigd verrijkt. Voor zover de opbrengst is verrekend in rekening-courant, was [gedaagde 5] CV niet bevoegd tot verrekening op grond van artikel 54 Fw Pro, aldus de curator.
4.4.2.
Volgens [gedaagde 2] was het de gewoonte om geldstromen tussen de diverse [gedaagde 5] -entiteiten te salderen via rekening-courantverhoudingen en zijn de schepen zo verkocht en afgerekend met [gedaagde 5] CV. Ook ontving [gedaagde 5] CV commissie van [eiser 1] en heeft de koper van de Astondoa 45 € 25.000,00 aan de curator betaald, aldus [gedaagde 2] .
4.4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de curator voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 5] CV de opbrengsten zoals genoemd in 2.6.1 voor schepen van [eiser 1] zonder rechtsgrond heeft ontvangen. [eiser 1] , die gerechtigd was tot de ontvangsten, is hierdoor verarmd en [gedaagde 5] CV is hiermee (ongerechtvaardigd) verrijkt op grond van artikel 6:212 BW Pro. Daarom moet [gedaagde 5] CV € 414.915,00 aan de curator van [eiser 1] betalen.
[gedaagde 5] CV/ [gedaagde 2] / [gedaagde 6] moet Boston Whaler teruggeven aan [eiser 1]
4.4.4.
De curator vordert revindicatie van de Boston Whaler of een waardevergoeding van € 60.000,00 daarvoor, primair aan [eiser 1] en subsidiair aan [eiser 2] . Aannemelijk is dat de Boston Whaler aan [eiser 1] toebehoorde, omdat [eiser 1] ook de andere schepen genoemd in 2.6.1 in eigendom had en omdat vóór aanpassing van de rekening-courantverhouding met [eiser 2] de Boston Whaler (volgens de factuur van 17 januari 2021) van [eiser 1] was (zie 2.6.2). [gedaagde 5] CV heeft niet weersproken dat zij de Boston Whaler niet rechtsgeldig in eigendom heeft gekregen en nog houdt, zodat de vordering van de curator tot teruggave (revindicatie) op grond van artikel 5:2 BW Pro toewijsbaar is. Dit betekent dat [gedaagde 5] CV wordt veroordeeld tot teruggave van de Boston Whaler aan de curator van [eiser 1] .
[gedaagde 5] CV moet € 8.470,00 aan restitutie van verzekeringspremies aan [eiser 1] betalen
4.4.5.
Ook vordert de curator teruggave van € 8.470,00 aan een door [gedaagde 5] CV ontvangen restitutie van verzekeringspremies (zie 2.6.3). De curator heeft voldoende onderbouwd dat [eiser 1] (en niet [gedaagde 5] CV) gerechtigd was tot ontvangst van dit bedrag en [gedaagde 5] CV heeft dit niet weersproken. [eiser 1] is dus als gerechtigde tot de restitutie verarmd en [gedaagde 5] CV is met de verrekening van € 8.470,00 ongerechtvaardigd verrijkt (artikel 6:212 BW Pro). De vordering tot teruggave van dit bedrag aan de curator van [eiser 1] is dus toewijsbaar.
[gedaagde 5] CV moet de lening van € 30.600,00 aan [eiser 1] terugbetalen
4.4.6.
Daarnaast heeft de curator terugbetaling gevorderd van de door [eiser 1] aan [gedaagde 5] CV verstrekte lening voor € 30.600,00. Hij heeft dit onderbouwd met bankafschriften. Daaruit volgt dat [eiser 2] en Shipcaryachts over en weer tussen 5 april 2019 en 27 mei 2021 diverse leningen hebben verstrekt. [gedaagde 5] CV heeft daarbij in totaal € 41.900,00 met omschrijving ‘lening’ op de bankrekening van [eiser 1] voldaan. [eiser 1] heeft € 72.500,00 met omschrijving ‘lening’ op de bankrekening van [gedaagde 5] CV betaald. De rechtbank is van oordeel dat de curator, zonder (gemotiveerde) betwisting van [gedaagde 5] CV, voldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 5] CV het verschil van € 30.600,00 van [eiser 1] heeft geleend en aan [eiser 1] moet terugbetalen. Deze vordering van de curator is dus toewijsbaar.
Vordering van de curator van [eiser 1] op [gedaagde 5] CV wordt toegewezen tot € 448.985,00
4.4.7.
In totaal zou [gedaagde 5] CV dus aan de curator van [eiser 1] moeten betalen: € 414.915,00 + 8.470,00 + 30.600,00 = € 453.985,00. Echter, in het petitum is niet meer gevorderd dan € 448.985,00, zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen.
4.4.8.
De wettelijke rente over het totaal van de toegewezen hoofdsom € 448.985,00 wordt, zoals gevorderd, toegewezen vanaf 13 juni 2024, de datum waarop de in de sommatiebrief van 29 mei 2024 door de curator gestelde betaaltermijn is verstreken. Met die brief is voldoende gebleken dat de curator buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. De buitengerechtelijke incassokosten zijn, met het oog op het totaal van de toegewezen hoofdsom van € 448.985,00 toewijsbaar tot € 4.019,93. Omdat [gedaagde 6] als beherend vennoot ex artikel 18 WvK Pro hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de CV, wordt zij ook (hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van € 448.985,00 met rente en kosten.
4.4.9.
Ook [gedaagde 2] kan hoofdelijk aansprakelijk gehouden worden voor deze schuld met rente en kosten. Hij is weliswaar commanditaire vennoot, maar niet weersproken is dat hij feitelijk voor [gedaagde 5] CV heeft opgetreden bij de verkopen van de genoemde schepen, zodat hij op grond van artikel 21 WvK Pro evenzeer aansprakelijk is voor alle schulden en verbintenissen van [gedaagde 5] CV.
4.5.
Beroep op matiging [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6]
4.5.1.
Voor zover in de conclusie van antwoord een beroep op matiging is gedaan door [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] geldt dat dit niet slaagt. Matiging van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is geregeld in artikel 6:109 BW Pro. Deze bepaling is niet van toepassing voor zover het gaat om nakoming van contractuele verplichtingen, zoals terugbetaling van leningen (zie 4.4.6). Wel is deze bepaling van toepassing op schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking (zie 4.4.3 en 4.4.5). Op grond van artikel 6:109 BW Pro is alleen dan voor matiging van schadevergoeding plaats, wanneer volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De in die bepaling neergelegde maatstaf maakt dat de rechter met terughoudendheid gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. [2] De omstandigheden die [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] (zonder verdere toelichting) naar voren hebben gebracht, zijn onvoldoende voor matiging.
4.6.
Vorderingen vernietiging van hypotheekrecht en overdracht BMW niet toewijsbaar
4.6.1.
De curator heeft gerechtelijke vernietiging van rechtshandelingen gevorderd waarbij [naam 6] (de zus van [gedaagde 2] ), [gedaagde 3] en [naam 7] (de dochter van [gedaagde 2] ) betrokken zijn. Artikel 3:51 BW Pro bepaalt dat de rechtsvordering tot vernietiging wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn (lid 2). De curator heeft [naam 6] en [naam 7] niet gedagvaard, zodat de vorderingen tot vernietiging (met nevenvorderingen) van rechtshandelingen waar zij bij zijn betrokken, al om die reden niet toewijsbaar zijn. Voor [gedaagde 3] is dit anders, maar omdat de vordering tot vernietiging richting [gedaagde 3] uiteindelijk strekt tot teruggave van de BMW van [naam 7] , ontbreekt het belang bij toewijzing daarvan.
4.7.
[gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] moeten wel proceskosten betalen, met rente
4.7.1.
De vorderingen van de curator op [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] worden grotendeels toegewezen. [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] worden als de in het ongelijk gestelde partijen daarom hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van de curator (inclusief nakosten). Deze worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,26
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.077,00
4.8.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als hierna vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
[gedaagde 4]
5.1.
veroordeelt [gedaagde 4] om aan de curator van [eiser 2] € 12.486,48 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 11 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 4] om aan de curator van [eiser 2] € 899,86 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 4] om aan de curator van [eiser 1] € 20.500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 11 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 4] om aan de curator van [eiser 1] € 980,00 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen,
[gedaagde 3]
5.5.
verklaart voor recht dat de curator bij brief van 28 maart 2024 rechtsgeldig (buitengerechtelijk) de vernietiging van de rechtshandelingen, waarbij de in 4.3.11 en 4.3.13 genoemde vermogensbestanddelen van [eiser 2] en [eiser 1] om niet zijn overgedragen aan [gedaagde 3] en die hebben geleid tot de oneigenlijke doorstart van de activiteiten van [eiser 2] en [eiser 1] door [gedaagde 3] , heeft ingeroepen,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling van € 19.498,72 aan de curator van [eiser 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 12 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 5] [gedaagde 3] om aan de curator van [eiser 2] € 969,99 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen,
5.8.
veroordeelt [gedaagde 3] tot betaling van een vergoeding aan de curator van [eiser 1] en [eiser 2] als gevolg van de in 5.5 genoemde vernietiging voor zover die nog niet is vastgesteld in dit vonnis, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
[gedaagde 5] CV en [gedaagde 6]
5.9.
veroordeelt [gedaagde 5] CV, [gedaagde 2] en [gedaagde 6] hoofdelijk om aan de curator van [eiser 1] € 448.985,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 12 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.10.
veroordeelt [gedaagde 5] CV, [gedaagde 2] en [gedaagde 6] hoofdelijk om aan de curator van [eiser 1] € 4.019,93 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen,
5.11.
veroordeelt [gedaagde 5] CV, [gedaagde 2] en [gedaagde 6] hoofdelijk tot teruggave van de Boston Whaler aan de curator van [eiser 1] ,
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van [eiser 2] en [eiser 1]
5.12.
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [eiser 1] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (het boedeltekort), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.13.
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van [eiser 2] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (het boedeltekort), nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.14.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om aan de curator van [eiser 1] € 800.000,00 te betalen als voorschot op het boedeltekort,
5.15.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om aan de curator van [eiser 2]
€ 2.000.000,00 te betalen als voorschot op het boedeltekort,
[gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6]
5.16.
veroordeelt [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] hoofdelijk tot betaling van € 12.077,00 aan proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en/of [gedaagde 6] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.17.
veroordeelt [gedaagde 4] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] CV en [gedaagde 6] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.18.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.19.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mrs. R.H.C. Jongeneel, P. Vrugt en G.C. de Heer, rechters, bijgestaan door mr. N. Noordmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Voetnoten

1.Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2021 (Panmo).
2.Hoge Raad 28 mei 1999, NJ 1999/510, ECLI:NL:HR:1999:ZC2913.