Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[curator]
[curator]
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
3.[gedaagde 3] B.V.,
[gedaagde 4] B.V.,
[gedaagde 5] C.V.,
[gedaagde 6],
1.De procedures in beide zaken
2.De feiten in beide zaken
Er waren vaak boekingen van de ene onderneming naar de andere. Als de ene onderneming te weinig geld had voor de financiering van een boot, dan kwam er geld vanuit de andere onderneming. Er was een soort rekening courant tussen de twee ondernemingen. In de loop van 2020 kwam hier een derde onderneming bij, CV. Voor 2020 gebeurde er bijna niets in de CV.”
[eiser 2]aan [gedaagde 5] CV met € 39.500,00 is afgenomen. [gedaagde 5] CV heeft op 24 maart 2021 de RDW gevraagd de Boston Whaler op haar naam te registreren.
[naam 4] SVP ALLE SCHULD WEG BOEKEN
[eiser 1] heeft de curator aan preferente vorderingen € 786.738,00 voorlopig erkend en € 101.002,79 aan concurrente vorderingen. Per 3 maart 2026 is volgens opgave van de curator het boedeltekort € 886.548,01 + p.m. De rechtbank heeft op 28 september 2021 het faillissement van [eiser 2] uitgesproken. Per 7 oktober 2024 heeft de curator € 456.949,84 aan preferente vorderingen voorlopig erkend en € 1.648.915,76 aan concurrente vorderingen. Het boedeltekort per 3 maart 2026 is volgens opgave van de curator € 2.208.533,29 + p.m.
3.De geschillen in beide zaken
[kenteken] door [gedaagde 3] aan [naam 7] te vernietigen,
4.De beoordeling in beide zaken
[gedaagde 2] had geen idee van hoeveel een boot moest kosten. Ik heb dit in kaart gebracht. De winstmarge was ten opzichte van de omzet bijzonder laag. [gedaagde 2] kocht bijvoorbeeld een boot in Frankrijk of Zuid Spanje voor 2 ton, deze moest opgeknapt worden. Hij had geen goed idee hoeveel alles kostte om het op te knappen, dat kon dan bijvoorbeeld ook weer 2 ton kosten. Daarbij moest er dan bijvoorbeeld ook een motor in van 60.000 euro. Hij maakte geen calculatie. Zo’n boot werd daarna dan voor bijvoorbeeld 3 ton verkocht en dan dacht hij dat hij een mooie verkoop had gedaan. Ik heb gezegd dat hij moest bijhouden hoeveel geld hij in een boot stopte. Ze wisten eigenlijk niet waar ze mee bezig waren.”
Het verlies over 2019 wordt veroorzaakt doordat onjuiste verkoopprijzen voor de boten zijn vastgesteld. De brutowinst bedraagt slechts 1,5 % van de netto-omzet, hetgeen onvoldoende is om alle bedrijfskosten van [eiser 2] BV te dekken. Door de verliezen van [eiser 2] is de continuïteit niet meer gegarandeerd en is een faillissement niet ondenkbaar. Doordat geen marktconforme/kostendekkende verkoopprijs wordt gehanteerd (met name voor leveringen aan [eiser 1][ [eiser 1] , rb]
) wordt [eiser 2] benadeeld en [eiser 1] bevoordeeld. Aangezien beide ondernemingen hetzelfde bestuur hebben is sprake van onzakelijk handelen/besmette transacties. In geval van faillissement kan de curator de directie van [eiser 2] privé aansprakelijk stellen i.v.m. onbehoorlijk bestuur en bestuurdersaansprakelijkheid inroepen.”
Vanwege de hypotheekaanvraag is het van belang dat het resultaat in [eiser 2] BV positief is". Bovendien hebben de aanpassingen ervoor gezorgd dat de administratie niet betrouwbaar is en niet overeenkomt met de werkelijkheid. Ook dit maakt dat daaruit niet de rechten en verplichtingen van de [eiser 2] en [eiser 1] kunnen worden gekend.
lage” verkoopprijs “
temeer daar de vakantiewoning enige weken hiervoor is verkocht voor € 460.000”. Ook de stelling van [gedaagde 2] dat de curator moet aantonen welke waarde reëel was en welke zakelijke redenen er destijds speelden is onvoldoende onderbouwd. Daarmee miskent [gedaagde 2] dat het aan hem is om het standpunt van de curator over het onzakelijke karakter van de transactie van de vakantiewoning gemotiveerd te betwisten.
De curator vraagt welke werkzaamheden in [gedaagde 3] werden verricht, Volgens mij niet veel. Op een gegeven moment werden facturen vanuit [gedaagde 3] verstuurd. Toen [eiser 2] op klappen stond, is [gedaagde 3] opgericht en kort daarna begon dit factureren. [gedaagde 2] heeft op een moment verteld dat hij een nieuwe B.V, namelijk [gedaagde 3] had opgericht zodat wij buiten de ellende zouden blijven staan. Dus ja, [gedaagde 3] is opgericht omdat er binnen [eiser 2] problemen waren. [gedaagde 2] wilde niet dat wij ons zorgen maakten. Er lag natuurlijk ook beslag op de rekening. Hij kwam op een gegeven moment naar mij toe, ergens in februari/maart 2021, dat [eiser 2] het niet zou gaan redden, op dat moment kregen wij zoveel brieven binnen dat het duidelijk was dat het niet goed ging met de onderneming. Daarom heeft hij [gedaagde 3] opgericht, dan had hij een B.V. erbij van waaruit hij kon factureren. Dit was volgens mij enkele maanden na oktober 2020 toen [gedaagde 1] wegging bij de onderneming, dus inderdaad rond februari/maart 2021.”
De curator vraagt of de opbrengst van dit bemiddelingswerk, ten tijde van voor faillissement en na inbetalinggeving, bij mij privé, bij CV of bij [gedaagde 3] terecht is gekomen. Dat is in CV of [gedaagde 3] gekomen. Ik wilde na het gedoe met [gedaagde 1] de B.V. 's even met rust laten.”