Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3743

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11844988 / CV 25-11297
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:611a BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 50 CAO Openbaar Vervoer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering opleidingskosten na beëindiging arbeidsovereenkomst buschauffeur

Connexxion heeft een voormalige werknemer, die een opleiding tot buschauffeur volgde, veroordeeld tot terugbetaling van opleidingskosten na beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens het niet meer beschikken over een geldig rijbewijs. De werknemer had tijdens de opleiding geen werkzaamheden verricht die behoren tot de functie van buschauffeur, waardoor de opleidingsovereenkomst niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst.

De rechtbank stelt vast dat de werknemer pas op 29 oktober 2023 in dienst trad en dat de periode van de opleiding een startkwalificatie betreft waarbij geen arbeid werd verricht. Het studiekostenbeding in de opleidingsovereenkomst is daarom niet nietig en geldt. Connexxion heeft de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig beëindigd op grond van een ontbindende voorwaarde.

De werknemer voerde verweer op basis van het BW en de CAO, maar deze zijn niet van toepassing omdat er geen arbeidsovereenkomst bestond tijdens de opleiding. Ook een vermeende toezegging om de kosten niet terug te vorderen werd niet bewezen. De rechtbank wijst de vordering toe, verminderd met een baatperiode, en veroordeelt de werknemer tot betaling van de opleidingskosten, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Uitkomst: De werknemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van opleidingskosten minus baatperiode, met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11844988 \ CV EXPL 25-11297
Vonnis van 27 maart 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,
gevestigd te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: Connexxion,
gemachtigde: mr. E.J.M. van Hal,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Kluft.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 14 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord met producties van 24 oktober 2025,
- een usb-stick met geluidsfragment, behorende bij productie 3 van de conclusie van antwoord,
- het instructievonnis van 14 november 2025,
- de dagbepaling mondelinge behandeling,
- een productie van de zijde van Connexxion.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Voor Connexxion zijn verschenen [naam 1] , medewerker van Connexxion, vergezeld door de gemachtigde, alsmede mr. C. Azouagh en mr. A. Bach Kolling namens de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigden van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde zittingsaantekeningen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 10 augustus 2023 is tussen Connexxion, h.o.d.n. Transdev Nederland Openbaar Vervoer, en [gedaagde] een ‘opleidingsovereenkomst Transdev’ tot stand gekomen voor een basisopleiding buschauffeur (hierna: de opleidingsovereenkomst). In de opleidingsovereenkomst wordt door Connexxion de intentie uitgesproken om met [gedaagde] , als hij de opleiding met goed gevolg heeft afgerond en zijn inzet en gedrag tijdens de opleidingsperiode als goed is beoordeeld, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan. Het Reglement Opleidingen Transdev Openbaar Vervoer 2022 (verder te noemen: het Reglement) maakt onderdeel uit van de overeenkomst.
2.2.
In de overeenkomst zijn de volgende  voor zover in deze procedure van belang  bepalingen opgenomen:
“3.1 Transdev betaalt de kosten van de basisopleiding van Cursist.
3.2
Vanwege het feit dat Cursist gedurende 3 maanden 40 uur per week beschikbaar moet zijn om de Basisopleiding te kunnen volgen, zal Cursist gedurende 3 maanden maandelijks een beschikbaarheidsvergoeding van € 1.869,62 bruto ontvangen.
3.3
De beschikbaarheidsvergoeding is uitsluitend bedoeld als onkostenvergoeding voor het feit dat Cursist beschikbaar is om de Basisopleiding te volgen en in die tijd geen inkomsten kan genereren. De beschikbaarheidsvergoeding is geen loon, Cursist verricht gedurende de Basisopleiding geen productieve arbeid.
4.1
Cursist is gehouden om de Opleidingskosten volledig aan Transdev terug te betalen in de gevallen zoals genoemd in artikel 6 van Pro het Reglement Opleidingen. (…)
4.2
De terug te betalen Opleidingskosten worden te allen tijde gebaseerd op de door Transdev gemaakte kosten, bestaande uit:
a. De kosten voor de Basisopleiding zoals beschreven in artikel 1.1 zijnde € 4.400,--
b. Kosten voortkomend uit overige extra lessen (in combinatie met een volgend herexamen praktijk) en andere herexamens, voor zover zij niet in de Basisopleiding zijn inbegrepen.
(…)
4.4
Na het aangaan van de arbeidsovereenkomst met Transdev wordt het saldo van de Opleidingskosten per maand met 1/36e afgebouwd. Als er sprake is van een verplichting tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de Opleidingskosten worden deze verrekend met het laatst te betalen salaris. Is dit ontoereikend dan verplicht Cursist zich binnen één maand na beëindiging van het dienstverband de resterende Opleidingskosten terug te betalen aan Transdev.”
2.3.
Artikel 6 sub a sub Pro 6 van het Reglement luidt:
“Verrekening Opleidingskosten
a. Cursist dient de volledige Opleidingskosten aan Transdev direct terug te betalen:
6) bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst binnen 3 jaar na datum indiensttreding op initiatief van Cursist danwel op initiatief van Transdev waarbij de reden van beëindiging anders is dan concessie overgang, reorganisatie of arbeidsongeschiktheid; ”
(hierna: het studiekostenbeding)
2.4.
Na afronding van de opleiding heeft [gedaagde] op 6 november 2023 met ingang van 29 oktober 2023 een arbeidsovereenkomst getekend voor bepaalde tijd (tot 28 oktober 2024) als chauffeur binnen de afdeling OV stalling Schiphol Noord, voor 32 uur in de week. Het aanvangssalaris bedroeg € 2.072,36 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
2.5.
In artikel 1 van Pro de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werknemer voor het berekenen van het aantal dienstjaren en de vaststelling van het dienstjubileum geacht wordt in dienst te zijn getreden op 14 augustus 2023. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen uit de CAO Openbaar Vervoer van toepassing (hierna: de CAO).
2.6.
In artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst is de volgende ontbindende voorwaarde opgenomen:
“Bijzondere bepalingen
16.1
Ontbindende voorwaarde
Deze arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder gerechtelijke tussenkomst dan wel opzegging indien:
- De werknemer niet (meer) in het bezit is van een geldig rijbewijs of de rijbevoegdheid ontzegd is, ongeacht de duur van de invordering of ontzegging; (…)”
2.7.
Op 9 februari 2024 heeft [gedaagde] een gesprek gehad met zijn teammanager en een HR-adviseur over het feit dat [gedaagde] vanaf 12 februari 2024 niet meer in het bezit zou zijn van een geldig autorijbewijs. Het CBR had [gedaagde] zijn rijbewijs in 2023 voor de duur van een jaar teruggegeven en deze zou verlengd worden als [gedaagde] voor 12 februari 2024 een aantal onderzoeken positief had doorlopen. Deze onderzoeken heeft [gedaagde] niet tijdig laten uitvoeren.
2.8.
Bij brief van 9 februari 2024 heeft Connexxion daarom de arbeidsovereenkomst van rechtswege beëindigd met ingang van 12 februari 2024. Daarbij is hem aangezegd dat hij de opleidingskosten van € 4.565,00 dient terug te betalen.
2.9.
Bij factuur van 11 december 2024 heeft Connexxion € 4.310,90 aan opleidingskosten bij [gedaagde] in rekening gebracht (hierna: de factuur).
2.10.
Bij e-mail van 3 maart 2025 heeft Connexxion [gedaagde] verzocht uiterlijk op
19 maart 2025 de factuur te betalen, waarbij de buitengerechtelijke kosten van € 556,04 zijn aangezegd.

3.Het geschil

3.1.
Connexxion vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 4.310,90 aan hoofdsom,
b. € 556,09 aan buitengerechtelijke incassokosten,
c. € 152,95 aan wettelijke rente, berekend tot 12 augustus 2025,
d. de wettelijke rente over € 4.310,90 vanaf 12 augustus 2025,
e. de proceskosten.
3.2.
Connexxion legt  kort samengevat  aan de vordering ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst door het intreden van de ontbindende voorwaarde van rechtswege is geëindigd. Op grond van het studiekostenbeding moet [gedaagde] daarom de opleidingskosten terugbetalen. [gedaagde] heeft ondanks aanmaning en sommatie de factuur niet betaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en voert – kort samengevat  aan dat de opleidingsovereenkomst een verkapte arbeidsovereenkomst is. Op grond van artikel 7:611a lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 50 van Pro de CAO moet Connexxion opleidingen kosteloos verstrekken aan haar werknemers en is het studiekostenbeding op grond van artikel 7:611a lid 4 BW nietig.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 7:610 lid 1 BW Pro is een arbeidsovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er moet  kort gezegd  sprake zijn van een gezagsverhouding, loon en arbeid.
4.2.
Op vragen van de kantonrechter heeft [gedaagde] geantwoord dat hij gedurende de opleidingsovereenkomst geen personen heeft vervoerd, maar alleen in het kader van de opleiding op de bus heeft gereden. [gedaagde] heeft derhalve geen werkzaamheden uitgevoerd die behoren bij de functie van buschauffeur en waarop Conexxion haar organisatie heeft gebaseerd, te weten het vervoeren van personen. [gedaagde] heeft derhalve geen werkzaamheden verricht ten behoeve van Connexxion, ook niet later in de opleiding, onder supervisie van de opleider. De opleiding betrof dan ook een periode waarin hij enkel zijn startkwalificatie als buschauffeur heeft behaald. Zonder die kwalificatie was hij niet bevoegd om op de bus te rijden. Nu [gedaagde] geen arbeid heeft verricht is geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Het beroep op artikel 7:610a BW gaat daarom niet op.
4.3.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat deze is ingegaan op 14 augustus 2023. Hij gaat er hierbij echter aan voorbij dat deze is ingegaan op 29 oktober 2023 en dat de datum van 14 augustus 2023 enkel in de arbeidsovereenkomst is vermeld voor het berekenen van het aantal dienstjaren ten behoeve van de vaststelling van zijn dienstjubileum.
4.4.
De door [gedaagde] aangehaalde vergelijking van de rijopleiding voor buschauffeur met de beroepsopleiding van een advocaat in opleiding gaat dan ook niet op. De Beroepsopleiding Advocatuur wordt door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 september 2025 naar aanleiding van prejudiciële vragen van het gerechtshof Den Haag beschouwd als een opleiding
tijdenshet werk (‘training on the job’). Een advocaat-stagiair dient bij de start van de Beroepsopleiding reeds te beschikken over een afgeronde WO-opleiding rechten (de startkwalificatie). Zonder deze opleiding kan iemand niet in dienst treden als advocaat-stagiair. De opleiding tot buschauffeur is net zoals de WO-opleiding rechten een opleiding
voorhet werk (startkwalificatie), waarbij geldt dat tijdens de opleiding, zoals hiervoor overwogen, geen arbeid wordt verricht.
4.5.
De conclusie is dan ook dat de opleidingsovereenkomst van 10 augustus 2023 niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 7:611a lid 2 en lid 4 BW en het bepaalde in artikel 50 en Pro de daarbij behorende bijlage 24 van de CAO gaan dan ook niet op. Deze voorschriften gelden immers alleen wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst, die ten tijde van de opleiding niet bestond. Het studiekostenbeding waarnaar in de opleidingsovereenkomst wordt verwezen, is dan ook niet nietig. Dat Connexxion later werkgever is geworden van [gedaagde] , maakt het voorgaande niet anders.
4.6.
Het studiekostenbeding komt verder niet onredelijk bezwarend voor. Het is schriftelijk overeengekomen, het bedrag aan studiekosten is daarin benoemd en [gedaagde] heeft niet betwist dat, zoals in de dagvaarding is vermeld, de verplichting tot terugbetaling uitvoerig is besproken bij het intakegesprek voor de rijopleiding. Verder is in het beding bepaald dat het saldo van de opleidingskosten per maand met 1/36e zal worden afgebouwd, zodat rekening is gehouden met een zogenaamde “baatperiode”.
4.7.
Connexxion heeft op 12 februari 2024 de ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst tegen [gedaagde] ingeroepen omdat gebleken was dat [gedaagde] met ingang van 12 februari 2024 niet meer beschikte over een geldig rijbewijs. [gedaagde] is hiertegen niet opgekomen, zodat het einde van de arbeidsovereenkomst definitief is.
4.8.
Connexxion heeft onder die omstandigheden een rechtsgeldig beroep kunnen doen op het studiekostenbeding.
4.9.
Aanvullend heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij, gelet op het gesprek dat hij op
9 februari 2024 heeft gevoerd met zijn leidinggevende en een HR-adviseur, erop mocht vertrouwen dat hij weer voor Connexxion kon gaan werken op het moment dat hij weer beschikte over een geldig rijbewijs en dat Connexxion in dat geval de opleidingskosten niet zou terugvorderen. Op 20 februari 2024 beschikte hij weer over een geldig rijbewijs, aldus [gedaagde] .
4.10.
De kantonrechter is van oordeel dat, ook al zou er door Connexxion een toezegging tijdens het gesprek van 9 februari 2024 zijn gedaan om de opleidingskosten niet terug te vorderen, deze toezegging wordt doorbroken door de brief van dezelfde datum, waarin wordt aangegeven dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd en [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van de opleidingskosten. Daar komt bij dat [gedaagde] – ook ter zitting  geen bewijs heeft overgelegd dat hij op 20 februari 2024 weer beschikte over een geldig rijbewijs en dat hij in dat kader aan Connexxion heeft aangeboden weer aan het werk te gaan. Dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Connexxion onvoorwaardelijk daartoe bereid was en de studiekosten in dat geval zou kwijtschelden, heeft [gedaagde] dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.11.
Connexxion heeft € 254,10 aan loon verrekend met het in de opleidingsovereenkomst genoemde bedrag van € 4.565,00 aan opleidingskosten. Gebleken is dat Connexxion bij haar berekening van de hoofdsom heeft verzuimd rekening te houden met ‘de baatperiode’ van artikel 4.4 van de opleidingsovereenkomst. Dit betekent dat de hoofdsom als volgt dient te worden berekend: € 4.565,00 - € 254,10 = € 4.310,90 - (3 x 1/36 van € 4.565,00 =) € 380,40 = € 3.930,50. Dit bedrag zal worden toegewezen.
4.12.
Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat hij bij terugbetaling van de opleiding tijdens zijn arbeidsovereenkomst minder zou hebben verdiend dan de Wet Minimumloon en Vakantiebijslag als minimum stelt. Deze stelling kan de kantonrechter niet volgen. Connexxion heeft de studiekosten immers, behoudens een bedrag van € 254,10, niet verrekend met het loon van [gedaagde] . Zij heeft aangeboden dat een betalingsregeling kan worden afgesproken. [gedaagde] dient zich daarvoor te wenden tot de gemachtigde van Connexxion.
4.13.
Connexxion vordert verder vanaf de in de factuur gegeven betalingstermijn tot
10 januari 2025 wettelijke rente over de hoofdsom, waartegen [gedaagde] verweer heeft gevoerd. Een betaaltermijn op een factuur is op zichzelf geen fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW Pro. Daarvoor is namelijk nodig dat die betaaltermijn vooraf is overeengekomen tussen partijen. Dat is hier niet gebeurd. Om verzuim te doen intreden is dan ook een ingebrekestelling vereist. Nu Connexxion [gedaagde] bij brief van 3 februari 2025 in gebreke heeft gesteld en [gedaagde] in de gelegenheid heeft gesteld om vóór 17 februari 2025 € 4.310,90 te betalen, zal de wettelijke rente vanaf 17 februari 2025 worden toegewezen.
4.14.
De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten is – zij het gematigd – toewijsbaar. Voldoende aannemelijk is dat Connexxion deze kosten heeft gemaakt. De brief van 3 maart 2025 van Connexxion voldoet aan de daartoe gestelde eisen. Gelet op de toegewezen hoofdsom zal € 518,05 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Connexxion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.311,78
4.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Connexxion dat vordert en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Connexxion te betalen een bedrag van € 3.930,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Connexxion te betalen een bedrag van € 518,05 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.311,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026, in aanwezigheid van mr. B.A. Terwee, griffier.
452