Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3741

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/13/771818
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 lid 1 BWArt. 6:106 sub b BWArt. 6:119 BWArt. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens niet verlengen duurzame opdrachtrelatie en onzorgvuldige uitlatingen tennisleraar

Een tennisleraar, werkzaam sinds 2016 bij een tennisvereniging op basis van opeenvolgende overeenkomsten van opdracht, vordert schadevergoeding omdat de vereniging de samenwerking niet verlengde en onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de beëindiging.

De vereniging en haar bestuurders stelden dat zij een geldige reden hadden voor het niet verlengen, namelijk negatieve feedback van collega-trainers, en dat zij zorgvuldig hadden gehandeld. De rechtbank oordeelde dat de opdrachtrelatie, hoewel duurzaam, een overeenkomst van opdracht betreft die automatisch eindigt, en dat de vereniging de beslissing tijdig en met een geldige reden had gemotiveerd.

Ook waren de uitlatingen van de vereniging aan haar leden niet onzorgvuldig of onrechtmatig, aangezien zij feitelijk waren en geen beschuldigingen inhielden. Pogingen tot mediation waren niet verplicht. De vorderingen tegen de bestuurders werden eveneens afgewezen omdat de vereniging niet aansprakelijk was.

De tennisleraar werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de vereniging als de bestuurders.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt de tennisleraar in de proceskosten van de vereniging en bestuurders.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/771818 / HA ZA 25-1249
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.F.V. Millenaar,
tegen
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
[gedaagde 1],
te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. J.C. Kuipéri-Botter,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 3] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats 4] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
5.
[gedaagde 5],
te [woonplaats 5] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
6.
[gedaagde 6],
te [woonplaats 6] ,
advocaat: mr. V.R. Pool,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] (gedaagde 1) en de bestuurders (gedaagden 2 tot en met 6).

1.De kern van de zaak en de beslissing

1.1.
Tennisleraar [eiser] eist in deze zaak schadevergoeding van zowel [gedaagde 1] als haar bestuurders omdat [gedaagde 1] de samenwerking met hem niet heeft verlengd. [eiser] gaf sinds 2016 les op [gedaagde 1] . Volgens [eiser] mocht [gedaagde 1] de duurzame samenwerking niet beëindigen zonder een passende afbouw- of compensatieregeling. Ook hebben [gedaagde 1] en de bestuurders volgens [eiser] bij de beëindiging (structureel) onzorgvuldig gehandeld.
1.2.
[gedaagde 1] en de bestuurders spreken de eis tegen. Volgens hen had [gedaagde 1] geen reden nodig om de samenwerking niet te verlengen maar was die er desondanks wel degelijk, namelijk feedback van collega’s van [eiser] die hadden aangegeven niet meer hem te willen samenwerken. Ook spreken [gedaagde 1] en haar bestuurders tegen onzorgvuldig te hebben gehandeld.
1.3.
De rechtbank is het eens met [gedaagde 1] en de bestuurders en wijst de vordering daarom af. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2025;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, en de daarin genoemde stukken.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde 1] is een tennisvereniging in [vestigingsplaats] met 1.200 leden. De bestuurders vormen het bestuur van [gedaagde 1] .
3.2.
[eiser] is vanaf 1 april 2016 onafgebroken (hoofd)trainer geweest bij [gedaagde 1] op basis van opeenvolgende overeenkomsten van opdracht voor de duur van één jaar. Daarnaast heeft [eiser] steeds tenniskampen op het terrein van [gedaagde 1] georganiseerd. In de laatst gesloten opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] staat:
“d) De Trainer verklaart dat hij een onderneming drijft die, behalve voor Opdrachtgever, werkzaamheden verricht voor meerdere opdrachtgevers en Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat zij geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro wensen aan te gaan;
(…)
Artikel 1. Werkzaamheden
1.1
De Overeenkomst vangt aan op 1 april 2024 en eindigt van rechtswege op 31 maart 2025 zonder dat daarvoor voorafgaande opzegging is vereist. Partijen streven ernaar om tijdig duidelijkheid te verschaffen jegens elkaar omtrent werkzaamheden in de toekomst.”
3.3.
Op 21 september 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en twee bestuursleden van [gedaagde 1] , te weten de voorzitter ( [gedaagde 2] ) en penningmeester
( [gedaagde 3] ). In dit gesprek is feedback van collega’s van [eiser] besproken, en is in overleg besloten dat [eiser] zal stoppen als hoofdtrainer en een coachingstraject zal gaan volgen.
3.4.
Op 1 oktober 2024 zijn [eiser] en [gedaagde 1] een addendum bij de overeenkomst van opdracht overeengekomen. Dit addendum zag op een wijziging in taakuren van [eiser] voor het winterseizoen 2024/2025 (1 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025).
3.5.
Tijdens een bijeenkomst op 19 oktober 2024 heeft [gedaagde 2] namens het bestuur aan [eiser] meegedeeld dat zijn samenwerking met [gedaagde 1] na 31 maart 2025 definitief zou eindigen. Als motief voor deze beslissing van het bestuur werd verwezen naar een brief van collega-trainers, die niet met [eiser] werd gedeeld.
3.6.
Direct na dit gesprek heeft [eiser] op 19 oktober 2024 contact gelegd met [naam] , vertrouwenspersoon van de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond.
3.7.
Op 14 november 2024 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden op het clubhuis van [gedaagde 1] tussen [eiser] en de voorzitter en penningmeester van [gedaagde 1] .
3.8.
Op 17 november 2024 heeft [eiser] een WhatsApp-bericht gestuurd aan zijn eigen
klanten, te weten een vaste lesgroep van ongeveer 30 volwassenen, onder wie leden van [gedaagde 1] , met wie hij buiten [gedaagde 1] om een zelfstandige lesafspraak had in de wintermaanden. Dit bericht hield onder meer in:
“Ondanks mijn jarenlange inzet en de mooie resultaten die we samen hebben behaald is er besloten om mijn werkzaamheden per 31 maart te beëindigen. Deze beslissing is genomen zonder dat er door het nieuwe bestuur voldoende onderzoek is gedaan of naar oplossingen is gezocht.
(…) 3. Als je overweegt je lidmaatschap op te zeggen, houd er dan rekening mee dat dit vóór 1 december moet gebeuren.”
3.9.
Op 25 november 2024 heeft het bestuur van [gedaagde 1] , zonder voorafgaand overleg met [eiser] , een e-mail verzonden aan haar ledenbestand waarin werd aangekondigd dat de samenwerking met [eiser] niet zou worden voortgezet. In dit bericht staat onder meer:
“Het bestuur heeft de afgelopen tijd meerdere signalen ontvangen van zowel leden als trainers. We hebben deze feedback zorgvuldig afgewogen en het heeft een belangrijke rol gespeeld bij het nemen van ons besluit om het contract van een van de trainers, (…) [eiser] , niet te verlengen na eind maart 2025.
We willen benadrukken dat we deze beslissingen niet lichtzinnig hebben genomen en dat we altijd streven naar het beste voor onze vereniging en haar leden.
(…) Wij wensen [ [eiser] ] veel succes in zijn verdere Loopbaan.”
3.10.
Op 27 november 2024 heeft een Algemene Ledenvergadering van [gedaagde 1] plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst is het beëindigen van de samenwerking met [eiser] besproken, en ook de e-mail van 25 november 2024 die het bestuur aan de leden had verstuurd. Tijdens de bijeenkomst is bepaald dat het bestuur een extra mededeling zou versturen.
3.11.
Op 10 december 2024 heeft het bestuur de volgende e-mail aan haar ledenbestand verstuurd:
“Naar aanleiding van de eerdere e-mail over het vertrek van (…) [eiser] , en de gesprekken tijdens de Algemene Ledenvergadering, willen wij als bestuur graag een belangrijk punt verduidelijken.
We willen benadrukken dat er géén sprake is geweest van incidenten of situaties met lesnemers die aanleiding zouden kunnen geven tot zorgen op de baan.
[ [eiser] ] heeft toegezegd de lessen tot 1 april 2025 te blijven verzorgen voor al zijn lesnemers. Op een nog nader te bepalen moment zal op gepaste wijze bij zijn afscheid stil gestaan worden.
Wij begrijpen dat de eerdere communicatie vragen en reacties heeft opgeroepen, en hopen met deze verduidelijking mogelijke speculaties en/ of onduidelijkheden weg te nemen.”

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en daarom tegenover [eiser] schadeplichtig is op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Pro Wetboek (BW);
een verklaring voor recht dat de bestuurders van [gedaagde 1] , voor zover geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is, ieder voor zich en/of gezamenlijk, tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld doordat hun een persoonlijk ernstig verwijt dient te worden gemaakt en zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden en nog zal lijden;
[gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie, welke schade op dit moment als volgt wordt begroot:
a. Gederfde inkomsten uit jeugdlessen en selectietrainingen. Dit betreft zuivere inkomensschade als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 BW Pro van € 84.900 , te vermeerderen met btw.
b. Gederfde inkomsten uit tenniskampen. Dit betreft zuivere inkomensschade en bedraagt € 110.628,- te vermeerderen met btw.
c. Gederfde inkomsten uit reguliere lessen voor volwassenen. Dit betreft zuivere inkomensschade en bedraagt € 65.790,- te vermeerderen met btw.
d. Reputatieschade op grond van artikel 6:106 sub B BW Pro en deze schade wordt gelet op de meest actuele uitgave van het ANWB Smartengeldboek in redelijkheid begroot op € 5.000,- voor zover vereist te vermeerderen met btw.
e. Misgelopen vervolgopdracht bij derde. Dit betreft zuivere inkomensschade. Dit bedraagt € 11.560,- te vermeerderen met btw.
f. Buitengerechtelijke kosten: € 6.668,90, voor zover vereist, te vermeerderen met btw.
Voor het geval [gedaagde 1] niet binnen veertien dagen overgaat tot betaling van de schadevergoeding de bestuurders hoofdelijk daartoe te veroordelen;
[gedaagde 1] , en voor zover zij in gebreke blijft, de bestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro;
[gedaagde 1] te veroordelen tot het verzenden van een schriftelijke rectificatie aan al haar leden en het publiceren daarvan op de homepage van haar website voor de duur van drie maanden, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
[gedaagde 1] , en voor zover zij in gebreke blijft, de bestuurders hoofdelijk, te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde 1] de samenwerking niet kon beëindigen zonder een passende afbouw- of compensatieregeling. De samenwerking kwalificeert als een duurovereenkomst. Het niet voortzetten van de samenwerking per 31 maart 2025 zonder hoor en wederhoor of compensatieregeling, is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarnaast heeft [gedaagde 1] in de samenwerking de zorgvuldigheid op de volgende punten geschonden:
  • Op 19 oktober 2024 werd [eiser] geheel onverwacht, nadat eerst de verwachting was gewekt dat de samenwerking zou worden voortgezet, geconfronteerd met het besluit dat zijn werkzaamheden zouden eindigen op 31 maart 2025 op grond van ongemotiveerde signalen. Structureel werd hem nadien de mogelijkheid onthouden zijn kant van het verhaal te geven.
  • Op 25 november en 10 december 2024 heeft [gedaagde 1] in e-mails aan haar ledenbestand schadelijke mededelingen gedaan over het vertrek van [eiser] , waarin werd verwezen naar ‘meerdere signalen van leden en trainers’, zonder feitelijke onderbouwing of context.
  • Herhaalde pogingen en verzoeken van [eiser] , onder meer via de heer [naam] , om in overleg te treden, zijn door [gedaagde 1] afgehouden, terwijl van een professionele en zorgvuldige contractspartij mocht worden verwacht dat zij open stond voor het advies van een onafhankelijk en deskundig adviseur.
4.3.
[eiser] stelt daarnaast dat de bestuurders, in gezamenlijkheid of ieder voor zich,
beslissingen hebben genomen en uitgevoerd die onmiskenbaar onrechtmatig en schadelijk zijn voor [eiser] .
4.4.
[gedaagde 1] en de bestuurders zijn het niet met de vordering eens. Zij vinden dat de vordering moet worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
Het gaat hier om een werkrelatie op basis van een opdracht voor de duur van een jaar. Uit de schriftelijke opdracht volgt dat partijen bewust hebben gekozen voor een opdrachtrelatie, en niet voor een arbeidsovereenkomst, en dat zij daarnaast hebben afgesproken dat de opdracht na afloop automatisch eindigt. Tegelijkertijd geldt dat deze opdrachtrelatie al ruim 8 jaar onafgebroken voortduurt, en daardoor een zeker duurzaam karakter heeft gekregen.
Toetsingskader
5.2.
Bij een dergelijke duurzame opdrachtrelatie mag een opdrachtgever niet (meer) zomaar beslissen om de samenwerking niet voort te zetten, maar dient de opdrachtgever die beslissing voldoende te motiveren en de opdrachtnemer een redelijke termijn te bieden om zich op het einde van de samenwerking te kunnen voorbereiden. Dit omdat contractspartners redelijk met elkaar om moeten gaan en dus met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening moeten houden. Verder mag een opdrachtgever bij communicatie over het einde van de werkrelatie geen onzorgvuldige (onrechtmatige) uitlatingen doen die de opdrachtnemer schade kunnen berokkenen. Bij deze beoordeling kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
Beoordeling
Het niet verlengen van de opdrachtrelatie
5.3.
Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot het volgende oordeel. [gedaagde 1] mocht beslissen om de opdrachtrelatie met [eiser] niet te verlengen. [gedaagde 1] heeft voor haar beslissing namelijk een reden gegeven, te weten de feedback van collega-trainers die hadden aangegeven niet meer met [eiser] te willen samenwerken. Tijdens deze procedure heeft [gedaagde 1] concreet uitgelegd waar deze feedback uit bestond. Omdat [gedaagde 1] haar beslissing heeft gemotiveerd, kan dus niet worden gezegd dat [gedaagde 1] zomaar, zonder enige reden, heeft besloten om de duurzame opdrachtrelatie met [eiser] niet te verlengen.
5.4.
Ook heeft [gedaagde 1] haar beslissing ruimschoots op tijd aangekondigd en [eiser] daarmee voldoende voorbereidingstijd gegeven. [gedaagde 1] heeft haar beslissing om de opdrachtrelatie niet te verlengen namelijk ruim vijf maanden voor het einde van hun overeenkomst genomen en aan [eiser] meegedeeld. Een dergelijke periode, die [eiser] kon benutten om zich voor te bereiden op het einde van de opdrachtrelatie, is bij een opdrachtrelatie die 8 jaar heeft geduurd redelijk.
Uitlatingen
5.5.
Daarnaast heeft [gedaagde 1] geen onzorgvuldige uitlatingen gedaan in haar e-mail van 25 november 2024 aan haar 1.200 leden. In deze e-mail heeft [gedaagde 1] bericht over haar besluit om het contract met [eiser] niet te verlengen, met daarbij de mededeling: “
Het bestuur heeft de afgelopen tijd meerdere signalen ontvangen van zowel leden als trainers”. Deze uitlating was zoals blijkt uit het voorgaande feitelijk en niet onjuist, en hield in de richting van [eiser] ook geen beschuldiging in. De uitlating is daarmee niet onzorgvuldig of onrechtmatig in de richting van [eiser] .
5.6.
Uit het feit dat [gedaagde 1] de opdracht nog vijf maanden liet voortduren bleek voor iedereen dat er geen ernstige verwijten aan [eiser] waren. Bovendien heeft [gedaagde 1] op 10 december 2024 nogmaals een bericht verstuurd en daarin benadrukt dat er géén sprake is geweest van incidenten of situaties met lesnemers die aanleiding zouden kunnen geven tot zorgen op de baan.
Mediation
5.7.
Tot slot heeft [gedaagde 1] ook niet onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot de poging tot mediation van [eiser] . [eiser] maakt [gedaagde 1] het verwijt dat zij niet heeft willen meewerken aan deze poging om op die manier een oplossing te bereiken, maar er is geen rechtsregel die een opdrachtgever tot een dergelijke medewerking verplicht.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de verwijten die [eiser] [gedaagde 1] maakt ongegrond zijn. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] tegen [gedaagde 1] daarom af.
Bestuurdersaansprakelijkheid
5.9.
Het voorgaande betekent automatisch ook dat de vordering tegen de bestuurders gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid wordt afgewezen. Een bestuurder van een rechtspersoon kan namelijk alleen aansprakelijk zijn onder de voorwaarde dat de rechtspersoon ook aansprakelijk is. Met de afwijzing van de vordering tegen [gedaagde 1] wordt niet aan die voorwaarde voldaan.
Proceskosten
5.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00
5.11.
De proceskosten van de bestuurders worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.014,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van
[gedaagde 1]van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van
de bestuurdersvan € 7.014,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.