Eiser en gedaagde zijn beiden slachtoffers van de toeslagaffaire. Eiser had recht op een tegemoetkoming van €10.000 op grond van de Kindregeling, welke door de Belastingdienst op de bankrekening van gedaagde is gestort. Gedaagde stelde dat zij dit bedrag contant aan eiser had betaald, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
Eiser vorderde primair een verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld en schade moest vergoeden, subsidiair een verklaring voor recht van ongerechtvaardigde verrijking en betaling van het bedrag met wettelijke rente. De rechtbank oordeelde dat gedaagde ongerechtvaardigd was verrijkt omdat zij niet had voldaan aan haar bewijslast dat zij het geld daadwerkelijk aan eiser had betaald.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van het volledige bedrag van €10.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 april 2024, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.