Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3730

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12030666 \ CV EXPL 25-17938
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking Kindregeling toeslagaffaire

Eiser en gedaagde zijn beiden slachtoffers van de toeslagaffaire. Eiser had recht op een tegemoetkoming van €10.000 op grond van de Kindregeling, welke door de Belastingdienst op de bankrekening van gedaagde is gestort. Gedaagde stelde dat zij dit bedrag contant aan eiser had betaald, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.

Eiser vorderde primair een verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld en schade moest vergoeden, subsidiair een verklaring voor recht van ongerechtvaardigde verrijking en betaling van het bedrag met wettelijke rente. De rechtbank oordeelde dat gedaagde ongerechtvaardigd was verrijkt omdat zij niet had voldaan aan haar bewijslast dat zij het geld daadwerkelijk aan eiser had betaald.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van het volledige bedrag van €10.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 april 2024, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €10.000 met wettelijke rente wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12030666 \ CV EXPL 25-17938
Vonnis van 10 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S. Smeets,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 22 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarbij door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt die in het dossier zijn gevoegd,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] woonde als pleegzoon van april 2017 tot eind 2019 bij [gedaagde].
2.2.
[gedaagde] is gedupeerde van de toeslagaffaire. In dit kader heeft [eiser] recht op een tegemoetkoming van € 10.000,- (hierna: de Kindregeling).
2.3.
De Belastingdienst heeft [eiser] op 15 april 2024 een brief gestuurd dat de Kindregeling vóór 29 april 2024 wordt ontvangen.
2.4.
De Kindregeling is gestort op de bankrekening van [gedaagde].

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [gedaagde] wordt veroordeeld de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden;
Subsidiair
II. een verklaring voor recht dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt, en dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de daardoor veroorzaakte schade;
Primair en Subsidiair
III. veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van de Kindregeling vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2024.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de gemachtigde van) [eiser] de vordering aangepast in die zin dat hij
primaireen bedrag van € 10.000,- op grond van ongerechtvaardigde verrijking en
subsidiairop grond van onrechtmatige daad vordert. Daarnaast wordt de wettelijke rente gevorderd vanaf 23 april 2024 in plaats van 15 april 2024.
4.2.
De kantonrechter zal de primaire vordering toewijzen en zal dus voor recht verklaren dat [gedaagde] ten opzichte van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, en haar veroordelen tot betaling van de daardoor veroorzaakte schade. Zij geeft hiervoor de volgende toelichting.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Kindregeling voor [eiser] is en dat dit bedrag is gestort op de rekening van [gedaagde]. Verder erkent [gedaagde] de vordering tot een bedrag van € 2.500,-. Dit betekent dat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt.
4.4.
Van de overige € 7.500,- stelt [gedaagde] dat zij dit contant heeft betaald aan [eiser]. Deze stelling is een bevrijdend verweer. De bewijslast van een zodanig verweer rust op [gedaagde]. Kort gezegd betekent dit dat [gedaagde] feiten en omstandigheden moet aanvoeren ter onderbouwing van haar stelling dat zij [eiser] € 7.500,- heeft betaald.
4.5.
[gedaagde] heeft verklaard dat zij de € 7.500,- aan [eiser] heeft gegeven en dat hier verder niemand bij aanwezig was. Een verklaring van één persoon is alleen onvoldoende om vast te stellen dat een betaling is gedaan. [gedaagde] heeft geen stukken, zoals een schriftelijk bewijs van betaling, ter onderbouwing van haar stelling. [gedaagde] heeft daarom niet aan haar bewijslast voldaan.
4.6.
Dit betekent dat ook het overige deel van de vordering van € 7.500,- wordt toegewezen.
Wettelijke rente
4.7.
[eiser] vordert wettelijke rente vanaf 23 april 2024. De wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen met dien verstande dat de ingangsdatum 28 april 2024 is. Dit is in lijn met de brief van Belastingdienst (r.o 2.3). Er is namelijk niet gebleken dat [gedaagde] de Kindregeling op een eerdere datum heeft ontvangen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.101,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] ten opzichte van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt, en veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijs het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.