Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3729

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11939699 \ CV EXPL 25-14862
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:53 lid 2 BWArt. 3:54 lid 2 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling auto, barbecue en houtopslag na beëindiging relatie zonder finale kwijting

De zaak betreft de verdeling van een Volvo CX40, een barbecue en een houtopslag na het beëindigen van een affectieve relatie tussen eiser en gedaagde. Partijen hadden samen een nieuwbouwwoning in Spanje gekocht en diverse goederen aangeschaft. De relatie eindigde eind 2024/begin 2025, waarna geschillen ontstonden over de eigendom en verdeling van genoemde goederen.

Eiser vorderde onder meer toewijzing van de auto aan gedaagde met een vergoeding, en betaling of afgifte van de barbecue en houtopslag. Gedaagde voerde verweer en stelde onder meer dat er finale kwijting was overeengekomen in een overeenkomst van 3 september 2025, en dat de auto aan haar was geschonken. Tevens stelde zij dat de overeenkomst vernietigbaar was wegens misbruik van omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de finale kwijting slechts betrekking had op de Spaanse woning en niet op de auto, barbecue en houtopslag. De auto werd geacht eigendom te zijn van gedaagde, mede gelet op het bezit en de omstandigheden, en het bewijsvermoeden was door eiser niet weerlegd. Voor de barbecue en houtopslag slaagde eiser wel in het weerleggen van het bewijsvermoeden, omdat hij deze volledig had betaald en gedaagde geen tegenbewijs leverde.

De vordering van eiser tot vergoeding voor barbecue en houtopslag werd toegewezen, terwijl zijn vordering met betrekking tot de auto werd afgewezen. De vordering van gedaagde tot vernietiging van de overeenkomst wegens wilsgebrek werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De auto blijft eigendom van de vrouw, de man krijgt vergoeding voor barbecue en houtopslag; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11939699 \ CV EXPL 25-14862
Vonnis van 27 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.L. Fronik,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. Loonstein.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] in persoon, met producties,
- het tussenvonnis van 11 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- e-mailcorrespondentie waarin mr. Loonstein toestemming vraagt en heeft gekregen van de rechtbank en mr. Fronik voor het indienen van een aanvullende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie namens [gedaagde] ,
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in voorwaardelijk reconventie
- de akte aanvullende producties 18 t/m 20 aan de zijde van [gedaagde] ,
- de akte aanvullende producties 8 t/m 12 aan de zijde van [eiser] .
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] hadden vanaf 2021 een affectieve relatie. Tijdens deze relatie hebben zij samen een koopovereenkomst gesloten met Duly Investment Home (hierna: Duly) voor een nieuwbouwwoning in Spanje.
2.2.
Ook is tijdens deze relatie een Volvo CX40 aangeschaft voor een bedrag van
€ 49.200,-. [eiser] heeft daarvan € 34.500,- (70%) betaald en [gedaagde] de overige
€ 14.700 (30%) door inruiling van haar Mazda.
2.3.
In 2022 heeft [eiser] een houtopslag gekocht voor een bedrag € 562,65. De houtopslag staat in de tuin van [gedaagde] .
2.4.
In 2023 heeft [eiser] een barbecue met toebehoren gekocht voor € 1.726,55. De barbecue en de bijbehorende spullen zijn ook in bezit van [gedaagde] .
2.5.
De relatie is omstreeks eind 2024 begin 2025 geëindigd.
2.6.
Op 12 mei 2025 heeft [eiser] , middels een advocaat, een brief gestuurd waarin onder andere het volgende staat:
Voorstel afwikkeling relatie
Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft cliënt als voorstel dat u volledig meewerkt aan de toedeling van het appartement in Spanje aan hem onder de koopprijs zoals die nu geldt in het huidige koopcontract, zijnde € 283.944,90 en de daarvoor benodigde stukken ondertekent. In dat geval behoeft u geen financiering te regelen voor het appartement en zal cliënt het appartement volledig uit eigen vermogen financieren. Cliënt is dan ook bereid om de advocaat/notariskosten volledig te financieren. Tevens is cliënt in dat geval bereid om geen vergoeding te vragen voor de tuinset, de BBQ-set incl. houtopslag en tevens zal cliënt niet zijn volledige investering in de Volvo CX 40 terugvorderen dan wel de goederen in zijn / haar geheel.
In dit scenario behoudt u de tuinset, de BBQ-set en de Volvo CX 40 zonder vergoeding aan cliënt en kan ook de afwikkeling van het appartement in Spanje geschieden.”
2.7.
Op 16 mei 2025 heeft [gedaagde] op deze brief gereageerd:
“(…) Ik wens geen financiële vergoeding, maar wil vooral dat mijn rechten duidelijk erkend worden, zeker met betrekking tot gemaakte kosten en het gebruik van het appartement.
Als de heer [eiser] wens om naar de rechter tegaan ben ik ervoor bereid om alle bovengenoemde zaken te kunnen bewijzen.”
2.8.
Op 3 september 2025 hebben [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) getekend. Hierin staat:
“OVEREENKOMST TOT OVERDRACHT VAN RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VOORTVLOEIEND UIT EEN PARTICULIERE KOOPOVEREENKOMST BETREFFENDE DE WONING AMANECER XI 306
(…)
Ten eerste– Mevrouw [gedaagde] doet vrijwillig afstand van al haar wettelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot de aankoop van het onroerend goed (…)
Tweede– De heer [eiser] betaalt mevrouw [gedaagde] een bedrag van € 10.000,- als compensatie voor de overdracht van de aankooprechten van de woning.
(…)
Vierde– Nadat de door de partijen overeengekomen betaling is verricht, erkennen zij alle huidige of toekomstige mede-eigendom als voldaan en afgewikkeld, waardoor zij worden vrijgesteld van alle verplichtingen die zij jegens elkaar hadden en Mevr. [gedaagde] wordt vrijgesteld van de contractuele verplichtingen die zij jegens DULY INVESTMENT HOME was aangegaan, welke verplichtingen uitsluitend door Dhr. [eiser] worden overgenomen. (…)”
2.9.
Op 15 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] aangeschreven ten aanzien van de auto, de barbecue en de houtopslag.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De auto, Volvo XC40, toe te delen aan [gedaagde] onder vergoeding van € 21.000,- aan [eiser] ;
II. [gedaagde] te veroordelen om € 1.200,- aan [eiser] te voldoen ter vergoeding van de barbecue en toebehoren, dan wel afgifte van de barbecue en toebehoren binnen twee weken na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag;
III. [gedaagde] te veroordelen om € 400,- aan [eiser] te voldoen ter vergoeding van de houtopslag, dan wel afgifte van de houtopslag binnen twee weken na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt hieraan ten grondslag dat er voor de auto sprake is van een eenvoudige gemeenschap ex. artikel 3:166 BW Pro met een eigendomsverhouding van 70% / 30%. Voor de barbecue en de houtopslag voert [eiser] aan dat hij eigenaar is. Hij heeft de spullen zelf gekocht en volledig betaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
In het geval dat de kantonrechter van oordeel is dat er in de overeenkomst van 3 september geen finale kwijting is overeengekomen vordert [gedaagde] - samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een nader te bepalen bedrag in de zin van artikel 3:53 lid 2 BW Pro en/of artikel 3:54 lid 2 BW Pro en/of artikel 6:230 lid 2 BW Pro te vermeerderen met wettelijke rente;
[eiser] te veroordelen tot betaling van een nader te bepalen bedrag ter zake van inwoning en levensonderhoud, met dien verstande dat [eiser] in ieder geval wordt veroordeeld om (bij wege van voorschot) € 28.000,- te betalen;
En in het geval dat de kantonrechter van oordeel is dat er ten aanzien van de Volvo een eenvoudige gemeenschap is, dan vordert [gedaagde] :
3. Een bedrag van € 5.182,24 althans € 3.701,60 ter zake van kosten/uitgaven ten behoeve van de Volvo;
[gedaagde] vordert in conventie en voorwaardelijke reconventie dat [eiser] wordt veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten.
3.6.
[gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat de afspraken omtrent de woning onder zodanige druk van de advocaat van [eiser] zijn gemaakt dat er sprake is van een wilsgebrek, te weten misbruik van omstandigheden en/of bedreiging. Dit betekent dat de rechtshandeling vernietigbaar is. Omdat de reeds ingetreden gevolgen bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, dient de rechter ter opheffing van het nadeel de gevolgen van de rechtshandeling te wijzigen. Voor wat betreft de kosten ter zake van inwoning en levensonderhoud geldt dat [eiser] lange tijd gratis bij [gedaagde] heeft ingewoond. [eiser] is hierdoor ongerechtvaardigd verrijkt. Voor de auto geldt dat [eiser] , als hij 70% eigenaar is, hij in evenredigheid moet bijdragen aan de uitgaven daarvan.
3.7.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Geen finale kwijting
4.1.
[gedaagde] voert aan dat zij en [eiser] in de overeenkomst (zie 2.8) hebben afgesproken dat de Spaanse nieuwbouwwoning toebedeeld zou worden aan [eiser] tegen betaling van € 10.000,- aan [gedaagde] en dat zij daarna niets meer van elkaar te vorderen hebben. Er is ook uitvoering gegeven aan de overeenkomst, dus [eiser] kan geen aanspraak meer maken op de auto, de barbecue en de houtopslag. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] verwezen naar de overeenkomst waarin dat is opgenomen. Ook verwijst [gedaagde] naar de brief van 12 mei 2025 (zie 2.6) voorafgaande aan de overeenkomst. In die brief staat dat [gedaagde] “
In dit scenario(zijnde waarbij de woning wordt toebedeeld aan [eiser] ) zij
(…) de tuinset, de BBQ-set en de Volvo CX 40 zonder vergoeding aan cliënt”houdt. De clausule in de overeenkomst waarin dus staat: ‘
alle huidige of toekomstige mede-eigendom als voldaan en afgewikkeld’betreft dan ook een finaal kwijtingsbeding, althans dit heeft [gedaagde] zo mogen begrijpen.
4.2.
[eiser] betwist dat partijen finale kwijting overeen zijn gekomen. De brief van 12 mei 2025 is destijds een handreiking van zijn kant geweest, maar dit aanbod is nooit door [gedaagde] geaccepteerd. [eiser] heeft hiervoor verwezen naar de reactie van [gedaagde] in de brief van 16 mei 2025 waarin zij het aanbod afwijst (zie 2.7). Uiteindelijk is afgesproken dat [eiser] een bedrag van € 10.000,- zou betalen voor de afwikkeling van de Spaanse woning, hetgeen vervolgens is opgenomen in de overeenkomst. Over de auto, de barbecue en de houtopslag is in dat kader niet meer gesproken. De inhoud van de brief van 12 mei en de overeenkomst staan dus los van elkaar. Ten aanzien van de zin: ‘
alle huidige of toekomstige mede-eigendom als voldaan en afgewikkeld’in de overeenkomst stelt [eiser] dat deze alleen ziet op de Spaanse woning met de bijbehorende zaken als inboedel, zwembad en/of parkeergarage. De overeenkomst is namelijk opgemaakt door Duly, en diende (tevens) haar belang, namelijk dat zij de zekerheid had dat zij voortaan slechts met [eiser] van doen had en er geen geschillen zouden ontstaan ten aanzien van de eigendom van de woning en bijbehorende zaken. Op de laatste pagina van de overeenkomst is tevens een half weggevallen, maar toch deels nog zichtbaar logo te zien waar ‘Duly’ staat.
4.3.
De kantonrechter volgt [eiser] in zijn betoog. Voldoende vast is komen te staan dat het Duly is geweest die de overeenkomst destijds heeft opgesteld. Duly heeft slechts belang bij het vaststellen van de juridische eigendom van de woning in Spanje. Het ligt niet in de rede dat zij bemoeienis heeft gehad met de afwikkeling van andere zaken waar [eiser] en [gedaagde] een geschil over hadden. Dat de barbecue, de houtopslag en de auto onderwerp van onderhandeling zijn geweest nadat [gedaagde] op 16 mei 2025 het voorstel van [eiser] van 12 mei 2025 heeft afgewezen, is niet gebleken. De correspondentie die [gedaagde] als productie 19 en 20 heeft overgelegd ziet slechts op de afwikkeling van de woning in Spanje. De zin in de overeenkomst ‘
alle huidige of toekomstige mede-eigendom als voldaan en afgewikkeld’moet dus worden gelezen in het licht van de afwikkeling van de eigendom van de woning en niet als een finaal kwijtingsbeding ten aanzien van de auto, de barbecue en de houtopslag.
4.4.
Dit betekent dat zal worden bepaald hoe de auto, de barbecue en de houtopslag moeten worden verdeeld.
Toetsingskader
4.5.
Op grond van artikel 3:107 BW Pro is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt op grond van art. 3:108 BW Pro beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de in de artikelen 3:109 e.v. BW neergelegde regels en op grond van uiterlijke feiten. Artikel 3:109 BW Pro bepaalt dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en dus bezitter te zijn. De bezitter van een goed wordt vermoed de rechthebbende daarvan te zijn ex artikel 3:119 BW Pro. De in artikel 3:109 jo Pro. 3:119 BW neergelegde bewijsvermoedens zijn weerlegbaar. De partij die stelt rechthebbende van een goed te zijn dient dan te bewijzen dat hij een beter recht heeft op dat goed en dat de bezitter geen rechthebbende is. Het staat de rechtbank vrij om op grond van hetgeen over en weer is gesteld en de verdere omstandigheden van het geval te oordelen dat het vermoeden zodanig is weerlegd dat de bezitter zijn gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (Hoge Raad 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398).
De Volvo CX40
4.6.
[eiser] stelt dat de auto in een eenvoudige gemeenschap valt, omdat hij en [gedaagde] deze samen hebben gekocht. Nu [eiser] 70% van de auto heeft betaald en [gedaagde] 30% geldt een eigendomsverhouding van 70% / 30% en dient [gedaagde] voor de afwikkeling dus een vergoeding te betalen, aldus [eiser] .
4.7.
[gedaagde] stelt dat [eiser] het bedrag dat hij heeft betaald voor de auto een schenking was. [eiser] gaf graag dure cadeaus. Dat deed hij wel vaker en dat is altijd zijn keus geweest. Aangenomen dat [eiser] voor 70% eigenaar is van de auto, is het verweer van [gedaagde] dat de auto aan haar is geschonken een bevrijdend verweer waarvan de stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast op grond van artikel 150 Rv Pro op haar rust. [gedaagde] heeft echter vanaf het moment dat de auto is aangeschaft in 2022 de beschikking hierover. De auto staat op haar naam en bevindt zich bij haar woning waar tevens een laadpaal voor de auto is gemonteerd. Ook de beide sleutels van de auto bevonden zich altijd in haar woning. Gelet daarop gaat de rechtbank er op grond van de hierboven in de artikelen 3:109 en 3:119 BW neergelegde bewijsvermoedens vanuit dat [gedaagde] als houder van de auto vermoed wordt bezitter te zijn en als bezitter vermoed wordt rechthebbende van de auto te zijn, behoudens tegendeelbewijs aan de zijde van [eiser] .
4.8.
[eiser] heeft aangevoerd dat de auto aan hem is geleverd en dat deze destijds is aangeschaft voor gezamenlijk gebruik. De auto werd door hen samen gebruikt voor bijvoorbeeld uitstapjes en het doen van boodschappen. Daarnaast werd er ook overlegd indien een ander dan hij of [gedaagde] gebruik wilde maken van de auto. Zo wilde de dochter van [gedaagde] weleens weg met de auto. [gedaagde] belde [eiser] dan op om dat te overleggen. [eiser] voert verder aan dat hij de autoverzekering voor het eerste jaar heeft betaald en de laadpaal die ten behoeve van de auto voor de woning van [gedaagde] is geplaatst.
4.9.
[gedaagde] heeft op haar beurt aangevoerd dat [eiser] haar mee wilde nemen naar een contactpersoon bij de Volvodealer nadat zij hadden gesproken over de mogelijk toekomstige verplichting elektrisch te rijden in Amsterdam. [eiser] wist dat zij geen geld had voor een dergelijke auto en dit heeft zij tegen hem gezegd. Hierop heeft [eiser] geantwoord dat het een cadeau was voor haar goede zorg tijdens zijn ziekte. Vervolgens heeft [gedaagde] haar Mazda ingeleverd voor een waarde van € 14.700,- en [eiser] heeft het overige, een bedrag van € 34.500,-, geschonken om de Volvo te kunnen kopen. [gedaagde] stelt verder dat zij de verzekeringspremie en de motorrijtuitenbelasting heeft betaald en betwist dat [eiser] de kosten voor de laadpaal heeft betaald. Ook voert zij aan dat zij haar eigen auto nooit zou inleveren voor een auto die niet haar volledige eigendom zou zijn, omdat zij haar financiële afhankelijkheid heel belangrijk vindt. Zij werkt vijf dagen per week en heeft een auto nodig om op haar werk te komen. Tot slot voert zij aan op het moment dat er een schademelding werd gemaakt [eiser] de verzekering heeft gemaild met:
“Zij is de eigenaar van de Volvo”.
4.10.
Daargelaten wie welke kosten heeft betaald voor de auto oordeelt de kantonrechter dat, zelfs als [eiser] deze kosten heeft betaald, dit onvoldoende is om te bewijzen dat zijn bijdrage aan de auto geen schenking was. Wie welke kosten heeft betaald is immers niet doorslaggevend voor de vraag wiens eigendom de auto is.
4.11.
De kantonrechter hecht verder waarde aan de verklaring van [gedaagde] dat haar financiële zelfstandigheid belangrijk voor haar is en zij deze zelfstandigheid niet op zou geven door een eigen auto in te ruilen voor een auto die niet haar volledige eigendom zou zijn. Daarbij speelt ook mee dat [gedaagde] haar auto heeft ingeruild, terwijl [eiser] zijn eigen auto heeft gehouden. Verder heeft [eiser] aan de verzekeraar gemeld dat [gedaagde] de eigenaar van de auto is en is onbetwist dat [eiser] meer te besteden heeft dan [gedaagde] en dat hij haar graag cadeaus gaf. Al deze omstandigheden maken dat [eiser] niet is geslaagd in het tegendeelbewijs. Dit betekent dat de vordering onder I. wordt afgewezen.
De barbecue en de houtopslag
4.12.
Voor de barbecue en de houtopslag geldt dezelfde bewijsvermoeden zoals genoemd in 4.5, omdat [gedaagde] ook de beschikking heeft over deze zaken. Voor deze onderdelen oordeelt de kantonrechter echter dat [eiser] wel is geslaagd in het tegendeelbewijs. Hierbij is als volgt overwogen.
4.13.
Onbetwist is dat [eiser] de barbecue en de houtopslag heeft gekocht en volledig heeft betaald. [eiser] heeft aangevoerd dat barbecueën een hobby van hem is en dat hij daar ook een cursus voor heeft gevolgd. Tijdens hun relatie was het [gedaagde] die altijd het eten verzorgde en op deze manier kon hij ook voor hen gezamenlijk eten bereiden. De houtopslag heeft hij gekocht, omdat hij er heel veel plezier in had om gebruik te maken van de haard. [gedaagde] had geen speciale interesse in de barbecue en de houtopslag, dat betrof een hobby van [eiser] . De barbecue en de houtopslag stonden bij [gedaagde] in de tuin, omdat [eiser] vrijwel altijd bij haar verbleef en hij zelf geen tuin had. Toen de relatie eindigde heeft hij zijn spullen meegenomen, maar de barbecue en de houtopslag achtergelaten, omdat die te groot waren om mee te nemen. Anders dan haar stelling dat deze goederen aan haar geschonken zouden zijn, heeft [gedaagde] hier niets tegenin gebracht. [eiser] heeft dan ook het bewijsvermoeden voldoende weerlegd, zodat vastgesteld kan worden dat de barbecue en de houtopslag eigendom zijn van [eiser] .
4.14.
Voor wat betreft de hoogte van de vordering heeft [eiser] facturen overgelegd waaruit blijkt dat hij voor de barbecue met toebehoren € 1.726,55 heeft betaald en voor de houtopslag € 562,65. [eiser] vordert voor overname door [gedaagde] een bedrag van
€ 1.200,- voor de barbecue en € 400.- voor de houtopslag. [gedaagde] heeft deze bedragen betwist en voert aan dat een bedrag van € 500,- voor de barbecue en maximaal € 100,- voor de houtopslag redelijk is. De kantonrechter acht de bedragen van [eiser] redelijk gezien de destijds betaalde koopprijs, het feit dat de spullen een à twee jaar voor het beëindigen van de relatie zijn aangeschaft, de barbecue van een kwalitatief goed merk is en de houtopslag is gemaakt van sterk materiaal namelijk staal met een zink coating en daardoor een lange levensduur heeft. De gevorderde bedragen onder II. en III. worden toegewezen.
4.15.
Voor de vordering onder IV., de proceskosten, wordt verwezen naar r.o. 4.22.
in reconventie
4.16.
Nu de kantonrechter in 4.3 heeft geoordeeld dat er tussen partijen geen finale kwijting is overeengekomen, is de voorwaarde voor reconventie vervuld voor de vordering onder 1. en 2. Voor wat betreft de vordering onder 3. is de voorwaarde niet vervuld nu in conventie is geoordeeld dat [gedaagde] rechthebbende is van de auto. De vordering onder 3. behoeft dan ook geen behandeling meer.
Afspraken omtrent de Spaanse woning
4.17.
[gedaagde] stelt dat zij destijds door de Spaanse advocaat onder druk is gezet om akkoord te gaan met het bedrag van € 10.000,-. [gedaagde] bevond zich daarbij in een zwakke positie doordat zij zelf geen advocaat had. Aldus is er sprake van een wilsgebrek, namelijk misbruik van omstandigheden en/of bedreiging, en is de overeenkomst vernietigbaar. [eiser] heeft betwist dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden of bedreiging. Er was slechts sprake van tijdsdruk, omdat er een volgende hoge aanbetaling gedaan moest worden voor de woning, bij gebreke waarvan er een hoge boete zou worden opgelegd. [eiser] had de financiële middelen daarvoor en [gedaagde] niet. Toen is er overeenstemming bereikt zoals vastgelegd in de overeenkomst.
4.18.
Ter onderbouwing van het standpunt dat er sprake was van een wilsgebrek heeft [gedaagde] correspondentie overgelegd die is voorafgegaan aan het sluiten van de overeenkomst en verwezen naar enkele gearceerde passages. [gedaagde] heeft echter niet onderbouwd waar het door haar gestelde misbruik van omstandigheden dan wel bedreiging in gelegen was, hetgeen zeker in het licht van de betwisting op haar weg had gelegen. Het enkele feit dat [gedaagde] geen eigen advocaat had ingeschakeld maakt dat niet anders. Dit is immers een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt. Het beroep op de aanwezigheid van een wilsgebrek kan daarom niet slagen.
Kosten inwoning en levensonderhoud
4.19.
Tot slot vordert [gedaagde] kosten voor inwoning en levensonderhoud. [gedaagde] stelt daarvoor dat [eiser] gedurende hun relatie zes dagen per week in de woning van [gedaagde] verbleef. [eiser] is daardoor ongerechtvaardigd verrijkt.
4.20.
Ook hier gaat de kantonrechter niet in mee. Vast staat dat partijen in het kader van een affectieve relatie enige tijd hebben samengewoond en gezamenlijk een huishouden hebben gevoerd zonder het opmaken van een samenlevingscontract. Het ontbreken van een dergelijk contract heeft tot gevolg dat partijen onderling geen afspraken hebben gemaakt over de financiële afwikkeling van de reeds beëindigde samenleving en relatie. Desondanks kan van het bestaan van betalingsverbintenissen en/of vergoedingsrechten sprake zijn, voorzover dit uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit.
4.21.
[gedaagde] stelt dat partijen de afspraak hadden dat [eiser] € 600,- per maand zou betalen voor kosten inwoning. [eiser] betwist dat er nog financiële aanspraken bestaan. Uit de door hem overgelegde correspondentie blijkt dat hij wel financieel bijdroeg. Uit een greep van de overlegde bankafschriften is te zien dat [eiser] tijdens de relatie bedragen heeft betaald met omschrijvingen zoals:
“Onkosten kerst en de rest., Ondersteuning voor onze plannen, Mantelzorg, Kost en inwoning en luxe verzorging.”[eiser] heeft hiermee de stelling van [gedaagde] dan ook voldoende gemotiveerd betwist. De vordering in reconventie onder 2. wordt daarom afgewezen.
Conclusie in conventie en reconventie
4.22.
De vordering conventie wordt deels toegewezen. De vordering in reconventie wordt geheel afgewezen. Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren en te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit brengt mee dat de vordering van [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten geen behandeling meer behoeft.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 1.600,-;
5.2.
compenseert de proceskosten en bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.1 uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.