Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3726

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11862416 \ EA VERZ 25-1004
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:682 lid 1 onder c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek billijke vergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst wegens langdurige ziekte

Verzoeker was sinds 2006 in dienst bij ABN AMRO en viel in oktober 2021 ziek uit met meningitis. Na een jaar arbeidsongeschiktheid startte hij in 2022 met re-integratie, waarbij ABN AMRO een prikkelarme werkplek aanbood en de uren in overleg werden opgebouwd. In augustus 2023 werd hij opnieuw volledig arbeidsongeschikt en in juni 2025 werd de arbeidsovereenkomst beëindigd met transitievergoeding.

Verzoeker stelde dat ABN AMRO ernstig verwijtbaar had gehandeld door onvoldoende re-integratie-inspanningen, druk op urenuitbreiding en het niet verstrekken van hulpmiddelen, wat leidde tot een tweede hersenvliesontsteking en beëindiging dienstverband. ABN AMRO voerde verweer en toonde aan dat zij zich voldoende had ingespannen, onder meer door verbouwing van een prikkelarme ruimte en flexibiliteit in uren.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om ernstig verwijtbaar handelen aan te nemen. De loonsanctie van het UWV was onvoldoende om dit te bewijzen, en de ervaren druk was niet door ABN AMRO opgelegd. Ook het niet verstrekken van een printer en blauwlichtfilter was niet onderbouwd. Verzoeker kreeg geen billijke vergoeding toegekend en werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek om billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever wordt afgewezen; verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11862416 \ EA VERZ 25-1004
Beschikking van 25 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D.M. Koot-Timmers,
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
gemachtigde: mr. L. 't Mannetje.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 29 augustus 2025;
- het verweerschrift met producties van ABN AMRO;
- productie 14 van de zijde van [verzoeker] .
1.2.
Op 27 oktober 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. [verzoeker] is verschenen en werd bijgestaan door mr. J.A. Noordam namens zijn gemachtigde. Namens ABN AMRO zijn verschenen [naam 1] , bedrijfsjurist, [naam 2] en [naam 3] , [functie 1] van [verzoeker] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen nader toegelicht. Na verder debat is bepaald dat de procedure twee weken zal worden aangehouden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten of hij een medische expertise wil laten verrichten.
1.3.
Bij e-mail van 7 november 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] bericht dat hij een medische expertise wil laten verrichten en dat ABN AMRO ermee instemt om de procedure daarvoor aan te houden. Vervolgens is de procedure tot nader bericht van partijen aangehouden. Bij e-mail van 18 december 2025 heeft de gemachtigde van ABN AMRO verzocht om (tussen)uitspraak te doen, omdat er geen vooruitgang was geboekt in het aanwijzen van een deskundige en daar op korte termijn geen verandering in zou komen vanwege de ziekte van [verzoeker] . De gemachtigde van [verzoeker] heeft verzocht dit verzoek van ABN AMRO af te wijzen, omdat vanwege de medische toestand van [verzoeker] sprake is van onmacht. Vervolgens heeft de gemachtigde van [verzoeker] desgevraagd op 5 januari 2026 bericht dat op dat moment onduidelijk was wanneer [verzoeker] wel in staat zou zijn het onderzoek te ondergaan. Bij e-mail van 8 januari 2026 heeft de griffier aan partijen bericht dat uiterlijk op 8 februari 2026 het onderzoek moest zijn opgestart, bij gebreke waarvan een datum voor beschikking zou worden bepaald. Omdat aan die voorwaarde niet werd voldaan, is bij e-mail van 9 februari 2026 aan partijen bericht dat op 10 maart 2026 beschikking wordt gewezen.
1.4.
Bij e-mail van 23 februari 2026 is aan de gemachtigden van partijen bericht dat heden bij vervroeging beschikking wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1983, is van 18 september 2006 tot en met 30 juni 2025 werkzaam geweest voor (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO. Laatstelijk had [verzoeker] de functie van [functie 2] voor 40 uur per week tegen een loon van € 10.440,83 bruto per maand inclusief vakantiegeld, maar exclusief overige emolumenten. Feitelijk heeft [verzoeker] niet in deze (nieuwe) functie gewerkt, omdat hij voor de startdatum ziek is uitgevallen.
2.2.
Op 4 oktober 2021 is [verzoeker] ziek uitgevallen met meningitis (hersenvliesontsteking). Na ongeveer een jaar volledig arbeidsongeschikt te zijn geweest, is hij op advies van de bedrijfsarts in oktober/november 2022 gestart met re-integreren. De bedrijfsarts heeft daarbij geadviseerd om [verzoeker] te laten werken in een prikkelarme omgeving (gesloten werkplek).
2.3.
Tijdens zijn re-integratie heeft [verzoeker] contact gehad met de volgende medewerkers van ABN AMRO: [naam 4] , verzuimspecialist bij ABN AMRO, [naam 5] , medewerker Workplacemanagement en zijn leidinggevenden [naam 3] en [naam 2] .
2.4.
Begin november 2022 hebben [naam 2] en [verzoeker] contact gehad over een prikkelarme werkplek. [verzoeker] heeft toen laten weten dat hij een bepaalde ruimte zou gaan gebruiken en dat het uitproberen wordt.
2.5.
Bij e-mail van 18 november 2022 heeft [naam 2] aan [verzoeker] bericht dat, bij gebrek aan een specifieke prikkelarme ruimte, er drie opties voor hem beschikbaar zijn. [verzoeker] heeft die opties vervolgens uitgeprobeerd, maar die bleken niet geschikt.
2.6.
In december 2022 en na overleg met [verzoeker] heeft ABN AMRO besloten om de kolfruimte te verbouwen naar een prikkelarme ruimte. De kosten van die verbouwing bedroegen circa € 20.000,00. Deze ruimte zou naar verwachting medio april 2023 worden opgeleverd. In de tussentijd is in overleg met onder meer [naam 3] de fysioruimte waar mogelijk aangepast en heeft [verzoeker] vanaf 8 maart 2023 gebruik gemaakt van die ruimte.
2.7.
Op 16 december 2022 heeft de bedrijfsarts geadviseerd om per 19 december 2022 de werkhervatting op te bouwen naar 9 uur per week (3x3 uur), per 2 januari 2023 naar 12 uur per week (3x4 uur) en per 16 januari 2023 naar 16 uur per week (4x4 uur).
2.8.
[verzoeker] kreeg op 3 januari 2023 een melding vanuit het systeem van de arbodienst dat zijn re-integratie-uren werden opgebouwd van 9 naar 12 uur per week. [verzoeker] heeft hierover contact opgenomen met [naam 2] en haar verteld dat hij hiertoe nog niet in staat was. [naam 2] heeft vervolgens aan [verzoeker] uitgelegd dat hij die melding heeft gehad, omdat het schema van de bedrijfsarts als uitgangspunt geldt, maar dat [verzoeker] zelf bepaalt wat hij aankan en het mag aangeven als iets niet lukt. Zij spraken vervolgens af dat [verzoeker] zou aankijken wat lukt en wat niet. Bij e-mail van 9 januari 2023 heeft [verzoeker] aan [naam 2] bericht dat het toch gelukt was het nieuwe schema te volgen en dat dit voorlopig kan worden gevolgd.
2.9.
Op 16 januari 2023 zou [verzoeker] op grond van het opbouwschema van de bedrijfsarts zijn uren uitbreiden van 12 naar 16 uur per week. Hij heeft hiervan weer een automatische melding ontvangen vanuit het systeem van de arbodienst. [verzoeker] heeft aan [naam 2] bericht dat hij zich hierdoor onder druk gezet voelde. [naam 2] heeft daarop aan [verzoeker] laten weten dat het nooit de bedoeling is geweest om hem onder druk te zetten, dat [verzoeker] primair bepaalt wat hij aankan, dat in principe het advies van de bedrijfsarts wordt gehanteerd als richtlijn voor het aanpassen van de uren, tenzij [verzoeker] aangeeft dat het anders moet zijn. ABN AMRO heeft vervolgens de opbouw van de uren teruggedraaid naar 12 uren per week.
2.10.
Op verzoek van ABN AMRO is op 18 januari 2023 een arbeidsdeskundig onderzoek opgesteld. Daarin is geconcludeerd dat ABN AMRO geen herplaatsingsmogelijkheden binnen ABN AMRO (spoor 1) onbenut mag laten en dat het advies is dit onderzoek te doen zodra medewerker voor ongeveer 50% belastbaar is. Pas wanneer geen passend werk binnen de eigen werkgever gevonden of gecreëerd kan worden moet ook re-integratie buiten de eigen werkgever te worden opgestart. Omdat [verzoeker] beperkt belastbaar is in uren, zal een spoor 2 traject aanvankelijk een low profile karakter moeten hebben, aldus het onderzoek.
2.11.
Bij e-mail van 20 maart 2023 heeft [verzoeker] gevraagd of zijn uren konden worden opgebouwd van 12 naar 15 uur per week.
2.12.
In mei en juni 2023 heeft [verzoeker] vier weken verlof gehad in verband met de geboorte van zijn tweede kind. Daarna is de re-integratie voortgezet.
2.13.
Medio juli 2023 is de verbouwing van de prikkelarme ruimte afgerond en sindsdien heeft [verzoeker] daarvan gebruik gemaakt.
2.14.
Op 18 augustus 2023 heeft [verzoeker] zich opnieuw volledig arbeidsongeschikt gemeld.
2.15.
Op 23 augustus 2023 is naar aanleiding van de door [verzoeker] ingediende WIA-aanvraag een arbeidsdeskundig rapport opgemaakt, waarin de arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat ABN AMRO niet voldoende heeft gedaan om [verzoeker] ondanks zijn ziekte weer aan het werk te krijgen door niet adequaat spoor 2 te doorlopen.
2.16.
Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft het UWV de WIA-aanvraag afgewezen en aan ABN AMRO een loonsanctie opgelegd tot en met 30 september 2024. Reden daarvoor was dat ABN AMRO volgens UWV onvoldoende had ingezet op re-integratie in het tweede spoor.
2.17.
In oktober 2023 is [verzoeker] opgenomen in het ziekenhuis vanwege een tweede hersenvliesontsteking.
2.18.
Bij beslissing van 17 oktober 2024 heeft het UWV aan [verzoeker] met ingang van 30 september 2024 een WGA-uitkering toegekend, op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid.
2.19.
In november 2024 heeft ABN AMRO met [verzoeker] besproken dat het dienstverband op twee manieren kon worden beëindigd: met een vaststellingsovereenkomst of via het UWV. ABN AMRO heeft vervolgens aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst voorgelegd. Bij brief van zijn gemachtigde van 5 december 2024 heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld, samengevat, dat ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld in het kader van de re-integratie en aanspraak gemaakt op een aanvullende vergoeding van € 350.000,00 naast de transitievergoeding.
2.20.
ABN AMRO heeft aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te mogen opzeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft op 5 maart 2025 toestemming verleend en ABN AMRO heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd tegen 30 juni 2025 onder toekenning van de transitievergoeding.
2.21.
[verzoeker] ontvangt thans een WIA-uitkering van € 3.988,80 bruto per maand. Daarnaast heeft hij op grond van de CAO van ABN AMRO tot aan zijn pensioengerechtigdeleeftijd recht op een maandelijkse aanvulling tot een bedrag van € 8.229,32 bruto exclusief vakantiegeld.
2.22.
Op verzoek van [verzoeker] heeft zijn klinisch neuropsycholoog dr. [naam 6] op 1 april 2025 een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin onder meer is vermeld dat zij sinds april 2024 [verzoeker] behandeld en wekelijks ziet. Op vraag 3: Wat is de oorzaak geweest van de tweede hersenvliesontsteking? Is het aannemelijk dat de beschreven werkomstandigheden hier invloed op hebben gehad? is geantwoord: “Ja, dat vind ik zeer aannemelijk. Dat baseer ik ook op mijn ervaring met overige vergelijkbare gevallen, die ik in mijn werk heb gezien.” Verder verklaart dr. [naam 6] dat stress en overprikkeling van invloed kunnen zijn op recidive van een hersenvliesontsteking.
2.23.
Op verzoek van [verzoeker] heeft [naam 7] , psychosomatisch fysiotherapeut waar [verzoeker] vanaf 9 februari 2023 onder behandeling is, een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin zij op bovengenoemde vraag 3 antwoordt dat de oorzaak van de tweede hersenvliesontsteking niet direct is te noemen, wel is er hoogstwaarschijnlijk sprake geweest van een lage weerstand/staat van overprikkeling, waardoor de infectie de mogelijkheid heeft gehad om door te breken, waarop de beschreven werkomstandigheden zeker invloed hebben gehad. Verder verklaart zij dat doordat er een constante stressbron aanwezig was over het werken, werkdruk ervaren werd om meer te presteren dan mogelijk was en de ruimte om te ontprikkelen ontbrak, het lichaam onnodig veel stress heeft ervaren/stresshormonen heeft aangemaakt, waardoor men vatbaarder is voor ziekte en infecties.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt ABN AMRO te veroordelen tot:
a. betaling van een billijke vergoeding van € 400.000,00 bruto en € 25.000,00 netto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag,
b. het verstrekken van een bruto/netto specificatie van het onder a verzochte, op straffe van een dwangsom,
c. betaling van € 1.932,49 bruto aan opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen,
d. betaling van € 3.909,66 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,
e. betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[verzoeker] stelt daartoe dat ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld gedurende zijn re-integratie met de tweede hersenvliesontsteking en de opzegging van het dienstverband tot gevolg. ABN AMRO is daarom gehouden tot betaling van een billijke vergoeding ingevolge artikel 7:682 lid 1 onder Pro c van het Burgerlijk Wetboek (BW) begroot op € 400.000,- bruto aan gederfde inkomsten en € 25.000,- netto aan immateriële schade, omdat hij door zijn klachten ook veel van zijn sociale (gezins-)leven als jonge ouder heeft moeten opgeven.
3.3.
ABN AMRO heeft verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hieronder, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 onder Pro c BW kan worden toegekend aan een werknemer wiens arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is opgezegd, als deze opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten doet zich echter slechts in uitzonderlijke gevallen voor (
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40). Uit de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden en toelichtingen blijkt dat het moet gaan om een duidelijk en uitzonderlijk laakbaar handelen of nalaten, dat valt te kwalificeren als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap en op één lijn te stellen is met de daarin genoemde voorbeelden. De regering heeft als één van de voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd (
Kamerstukken II2013-2014, 33 818, C, pag. 113). De lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt dus hoog.
4.2.
Niet vereist is dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het gaat erom of de opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat geval kan een billijke vergoeding worden toegekend. Het ernstige verwijt dat de werkgever te maken valt kan betrekking hebben op het ontstaan en/of het voortbestaan van de ziekte, maar kan ook aan de orde zijn als de werkgever zijn re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd (ECLI:NL:GHAMS:2026:147).
4.3.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, rusten op de werknemer. Dit betekent dat ook als [verzoeker] door ervaren stress bij de re-integratie de tweede hersenvliesontsteking heeft gekregen, waardoor zijn arbeidsovereenkomst is opgezegd, deze treurige omstandigheid alleen recht op een billijke vergoeding geeft als deze stressvolle omstandigheid ABN AMRO ernstig te verwijten valt. Om die reden is na de vertraging in het aanzoeken van een medisch expert na de mondelinge behandeling en het bezwaar van ABN AMRO tegen nader uitstel, besloten thans beschikking te wijzen en daarbij te beslissen op de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door ABN AMRO.
4.4.
[verzoeker] stelt dat ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat ABN AMRO:
onvoldoende heeft gedaan om [verzoeker] een prikkelarme werkplek te bieden;
tijdens de re-integratie forse druk heeft uitgeoefend op [verzoeker] om zijn re-integratie-uren uit te breiden;
haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen, gelet op de loonsanctie van het UWV;
geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [verzoeker] een printer en een blauwlichtfilter (voor zijn thuiswerkplek) ter beschikking te stellen.
4.5.
Hiertegenover heeft ABN AMRO ten aanzien van het eerste punt aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om aan [verzoeker] een prikkelarme werkplek te bieden. De gevolgen van de eerste hersenvliesontsteking waren voor [verzoeker] ingrijpend. Hij had last van concentratieverlies en was (heel) erg gevoelig voor licht en geluid. Voorstelbaar is dat op een groot kantoor als dat van ABN AMRO niet direct een ruimte geschikt is die voldeed aan de specifieke behoeften van [verzoeker] . Uit de in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen blijkt dat partijen proefondervindelijk verschillende ‘werkplekken’ hebben uitgeprobeerd en hebben gekeken of, en zo ja hoe, die aan de behoeften van [verzoeker] konden worden aangepast. In december 2022 heeft ABN AMRO in samenspraak met [verzoeker] besloten de kolfruimte voor circa € 20.000,00 te verbouwen tot een prikkelarme ruimte, die vervolgens in juli 2023 gereed was. Dat de door ABN AMRO aangepaste fysioruimte die [verzoeker] in de tussentijd gebruikte niet aan al zijn wensen voldeed, maakt nog niet dat ABN AMRO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij speelt mee dat, zoals ABN AMRO onweersproken heeft gesteld, [verzoeker] slechts één keer per week op de woensdag voor een beperkt aantal uur naar kantoor kwam en hij de vrijheid kreeg zijn re-integratie-uren zelf in te delen. De tijd die [verzoeker] per week moest doorbrengen in een ruimte die niet volledig geschikt voor hem was, is dus beperkt geweest.
4.6.
Ten aanzien van het tweede punt heeft [verzoeker] tegenover de betwisting van ABN AMRO onvoldoende gesteld dat ABN AMRO op hem forse druk heeft uitgeoefend om zijn re-integratie-uren uit te breiden. De in het geding gebrachte correspondentie geeft juist het tegenovergestelde beeld. Telkens als [verzoeker] bij ABN AMRO aangaf dat het hem teveel werd, werd hem door ABN AMRO de mogelijkheid geboden om het aantal uren te verminderen, ondanks het advies van de bedrijfsarts, hetgeen ook daadwerkelijk in januari 2023 is gebeurd. Daarbij werd steeds door ABN AMRO aan [verzoeker] meegedeeld dat de door hem gewenste urenuitbreiding leidend is. Van enige druk door ABN AMRO opgelegd aan [verzoeker] is niet gebleken. Dat [verzoeker] ondanks dat druk/stress ervaarde om te re-integreren is gelet op zijn situatie (42 jaar en vader van jonge kinderen) begrijpelijk, maar niet te verwijten aan ABN AMRO.
4.7.
Ten aanzien van het derde punt geldt het volgende. Weliswaar is door het UWV aan ABN AMRO een loonsanctie opgelegd vanwege het niet voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. Echter, de enkele omstandigheid dat een loonsanctie is opgelegd door het UWV is op zichzelf onvoldoende om tot de conclusie te komen dat ABN AMRO haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd. ABN AMRO wordt door het UWV met name verweten dat zij onvoldoende heeft gedaan aan re-integratie in spoor 2. In het arbeidsdeskundig rapport van 23 augustus 2023, opgemaakt ten behoeve van de WIA-aanvraag, staat dat [verzoeker] tegen het UWV heeft gezegd dat hij teveel heeft gevraagd van zichzelf bij de werkhervattingen, het spoor 2-traject nevenschikkend is geweest omdat energie moest overblijven voor re-integratie in spoor 1, partijen hebben afgesproken dat spoor 1 leidend was en het veel energie zou kosten om zowel te richten op spoor 1 als spoor 2. Gelet op de zeer geringe belastbaarheid van [verzoeker] is het begrijpelijk dat partijen zich nagenoeg volledig hebben gefocust op re-integratie in spoor 1, wat ook sterk de voorkeur had van [verzoeker] . Ook binnen spoor 1 waren feitelijk geen passende werkzaamheden voor [verzoeker] gezien zijn beperkingen bij beeldschermgebruik en het niet of nauwelijks kunnen verdragen van licht. Voorstelbaar is dat binnen ABN AMRO geen eenvoudig administratief werk bestaat, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een beeldscherm. Bovendien adviseerde de arbodienst in het arbeidsdeskundig rapport van 18 januari 2023 om pas te starten met het zoeken naar andere arbeidsmogelijkheden in spoor 1 vanaf het moment dat [verzoeker] ongeveer 50% (20 uur) belastbaar is. Zoals ABN AMRO terecht stelt heeft [verzoeker] dat punt niet bereikt.
4.8.
Ten slotte punt 4. Partijen zijn het er niet over eens of [verzoeker] aan ABN AMRO om een printer en een blauwlichtfilter voor zijn thuiswerkplek heeft verzocht. Wat daar ook van zij, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het door ABN AMRO niet verstrekken van deze ‘hulpmiddelen’ ertoe dient te leiden dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Bovendien heeft ABN AMRO ten aanzien van de printer uitgelegd dat vanwege de strenge eisen die worden gesteld aan de informatiebeveiliging binnen ABN AMRO alleen kan worden geprint binnen het beveiligde netwerk op kantoor en dat thuisprinten daarom niet is toegestaan en IT-technisch ook niet mogelijk is.
4.9.
De conclusie van bovenstaande is dat geen van de gedragingen van ABN AMRO die [verzoeker] stelt als (ernstig) verwijtbaar kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat ook zonder dat de oorzaak van de tweede hersenvliesontsteking is vastgesteld, ABN AMRO niet gehouden is tot betaling van een billijke vergoeding.
4.10.
Ten aanzien van de opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen heeft ABN AMRO tot slot in haar verweerschrift aangevoerd dat zij het niet eens is met dit standpunt van [verzoeker] , maar dat zij de uitbetaling reeds in gang heeft gezet en [verzoeker] hiervan een salarisspecificatie zal ontvangen. Dit is ter mondelinge behandeling door [verzoeker] niet betwist. Er wordt daarom vanuit gegaan dat [verzoeker] dit bedrag en een salarisspecificatie inmiddels heeft ontvangen, zodat dit verzoek bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.
4.11.
Omdat de verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen, is er geen grondslag is voor toekenning van buitengerechtelijke kosten.
4.12.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
57170