3.3.1.Vrijspraak van het onder zaak A, feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder zaak A feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Feit 1
Het openbaar ministerie verwijt verdachte dat hij drugs heeft verkocht. In het dossier worden twee pseudokopen beschreven waarbij verdachte volgens de politie betrokken is geweest. Een pseudokoop vond plaats op 27 februari 2025 en een pseudokoop op 23 september 2025. Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de pseudokopen.
De pseudokoop op 27 februari 2025.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen is dat verdachte degene is geweest die tijdens de pseudokoop de drugs heeft verkocht. De officier baseert zich op de herkenning van verdachte door een verbalisant.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenning niet betrouwbaar is en dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die de drugs heeft verkocht.
De rechtbank volgt de verdediging in dit standpunt.
In het proces-verbaal van de pseudokoop van 27 februari 2025 is vermeld dat de pseudokoper een afspraak maakt met de verkoper op de [weg] en daar contact maakt met de bestuurder van een kleine zwartkleurige Peugeot, van wie de pseudokoper de drugs afneemt. In het dossier bevindt zich geen herkenning van verdachte door de pseudokoper. In het proces verbaal van observatie is vervolgens vermeld dat verbalisanten op het betreffende tijdstip op de [weg] een vrouw (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is: de pseudokoper) naar een auto zien lopen, waarna de vrouw weer wegloopt. Het zou hier echter niet gaan om een zwartkleurige Peugeot, maar om een grijze Citroën. Ook de verbalisanten die de observatie hebben gedaan, hebben daarbij niet geverbaliseerd dat zij de bestuurder hebben herkend als verdachte. Die herkenning is gedaan door een andere verbalisant, die de Citroën pas 23 minuten later ziet rijden, op de Baarsjesweg, waarna de Citroën een minuut niet onder observatie is. Wat in de tussentijd met de Citroën is gebeurd, is niet duidelijk. Verbalisant schrijft daarna dat hij verdachte ziet lopen over de Baarsjesweg. Hij heeft verdachte herkend aan een ter beschikking gestelde foto.
Gelet op de onzekerheid over de vraag of de drugs wel van de bestuurder van de Citroën is gekocht en de relatief lange duur tussen de pseudokoop en de herkenning, terwijl niet duidelijk is wat er in de tussentijd is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat op grond van deze bevindingen niet kan worden vastgesteld dat verdachte diegene is geweest die de drugs bij deze pseudokoop heeft verkocht.
De pseudokoop op 23 september 2025
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte (ook) de verkoper van de drugs is geweest bij deze pseudokoop. Volgens de officier van justitie heeft de koper van de drugs, verdachte herkend. Daarnaast was verdachte in het bezit van een iPhone SE, die bij de drugshandel is gebruikt.
De verdediging heeft aangevoerd dat het niet de pseudokoper is geweest die een herkenning heeft gedaan, maar een observant. Die observant kent verdachte niet, maar doet de herkenning aan de hand van een foto. Er zijn foto’s gemaakt door observanten, maar daarop komt verdachte niet voor. Wel iemand die niet verdachte is, maar net zoals verdachte een baard heeft.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is de herkenning gedaan door één van de drie observanten bij de pseudokoop. Dit volgt uit het proces-verbaal van 25 september 2025. Dat de koper verdachte ook heeft herkend, is de rechtbank niet gebleken. In het proces-verbaal van herkenning is opgenomen dat observant G-128 verdachte heeft herkend als bestuurder van een Citroën die bij de koop betrokken is, aan de hand van een ter beschikking gestelde foto van verdachte. Observant G-227 stelt dat hij verdachte op een later moment uit het voertuig ziet stappen, maar uit het proces-verbaal volgt niet dat hij verdachte ook heeft herkend. Observant G-227 heeft een omschrijving gegeven van vier andere personen die hij daar heeft gezien, maar van verdachte heeft hij enkel genoemd dat hij uit de auto stapte en weg liep. Er is geen omschrijving gegeven en ook is geen foto voorhanden. Het proces-verbaal bevat naar het oordeel van de rechtbank daarmee onvoldoende gegevens om met een voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen of en in hoeverre de gestelde herkenning betrouwbaar kon worden gedaan.
De rechtbank constateert dat er daarnaast geen ander bewijs is dat verdachte bij de pseudokoop is betrokken. De verdediging heeft er, onder verwijzing naar historische verkeersgegevens van de telefoon met Imei-nummer eindigend op - [nummer] op gewezen dat deze telefoon op het moment van de pseudokoop niet in Amsterdam-West was, waar de pseudokoop plaatsvond, maar in Amsterdam-Oost. Uit de historische verkeersgegevens van die telefoon volgt dat die ten tijde van de observatie “hit” op de locatie Wibautstraat. De officier van justitie heeft gesteld dat niet vaststaat dat verdachte deze telefoon bij zich had en dat er een andere telefoon onder verdachte in beslag is genomen, maar dit laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat verdachte, zoals hij steeds heeft verklaard, op een andere plek was dan op de plaats van de pseudokoop. De rechtbank acht verder opvallend dat bij verdachte bij zijn aanhouding op 25 september 2025 een iPhone SE is aangetroffen, waarvan kan worden vastgesteld dat deze gelinkt kan worden aan de drugshandel, maar bewijs dat verdachte die telefoon ten tijde van de handel ook in zijn bezit had ontbreekt. Een en ander is niet voldoende om de herkenning te ondersteunen. Omdat er geen ander bewijs is dat verdachte bij de pseudokoop is betrokken, is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte de drugs heeft verkocht.
Feit 2
Ten aanzien van de voorbereidingshandelingen is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de vrijspraak in zaak A, feit 1, op grond van het dossier, geen verband aangetoond kan worden tussen verdachte en de tenlastegelegde feitelijkheden en goederen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder zaak A, feit 2 tenlastegelegde.
Feit 3
Onder verdachte is een contant geldbedrag van € 4.015, - in beslag genomen. De rechtbank overweegt dat de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen een witwasvermoeden rechtvaardigen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen nader onderzoek te doen naar de herkomst van dit geldbedrag. Nu dit niet is gebeurd, is het vermoeden van witwassen ontkracht en kan de rechtbank niet vaststellen of het geldbedrag van € 4.015, - van enig misdrijf afkomstig is, zodat de rechtbank het tenlastegelegde witwassen niet bewezen acht.
Ten aanzien van de overige tenlastegelegde bedragen van € 10.000, -, € 4.256, - en het horloge overweegt de rechtbank dat deze goederen in beslag zijn genomen onder medeverdachte [medeverdachte] . Het dossier geeft geen blijk van een verband tussen verdachte en deze goederen.
Ten aanzien van de tassen is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen informatie bevat over de echtheid en de waarde van deze tassen, wie de eigenaar is en de herkomst van de tassen. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een witwasvermoeden.
Gelet op het hiervoor overwogene is niet bewezen dat verdachte het onder zaak A feit 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
3.3.2.Oordeel over het onder zaak A, feit 4 en zaak B tenlastegelegde
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Zaak A, feit 4
Op 25 september 2025 is tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [BPR-adres] te [plaats] , in de box behorende bij de woning vuurwerk aangetroffen.Na onderzoek blijkt het te gaan om professioneel vuurwerk ingedeeld in categorie F4, te weten twee stuks Super Cobra 6.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het vuurwerk gekocht had om af te steken tijdens de jaarwisseling van 2022 naar 2023 en dat hij was vergeten dat hij het vuurwerk in zijn bezit had.
In het algemeen mag van iemand worden verwacht dat hij of zij weet wat er zich in zijn of haar woning en bijhorende gebouwen bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaring van verdachte de opzet op de initiële aanwezigheid van het vuurwerk worden afgeleid. Verdachte heeft er bewust voor gekozen om het vuurwerk in de box van zijn woning te bewaren. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring, dat hij op enig moment is vergeten dat het er lag, zodat niet langer van die beschikkingsmacht en wetenschap zou kunnen worden uitgegaan. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte opzettelijk professioneel vuurwerk heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad.
Zaak B
Op 3 februari 2024 ziet de politie op de Herengracht te Amsterdam een man zoekend rondkijken met een telefoon in zijn hand. Het viel de politie op dat deze persoon geen jas droeg terwijl het buiten negen graden was. De politie zag dat deze persoon in een auto stapte, wat later de auto van verdachte bleek te zijn, en na 100 meter weer uit de auto stapte. De politie zag dat deze man tijdens het uitstappen een witte wikkel vasthield in zijn hand. De politie herkende dit als de modus operandi van handel in verdovende middelen. Verdachte is vervolgens aangehouden. Op de bijrijdersstoel van de auto van verdachte is een sok aangetroffen met witte wikkels, gouden wikkels en gripzakjes.Na onderzoek blijkt het te gaan om 3,88 gram cocaïne en 0,73 gram MDMA.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de sok mogelijk per ongeluk is achtergelaten door de persoon die hij een stukje vervoerd zou hebben en dat hij zich niet bewust was van de aanwezigheid van de sok met verdovende middelen. De man zou in de taxi van verdachte zijn gestapt, de prijs van verdachte te hoog hebben gevonden en daarom weer zijn uitgestapt.
De politie herkent de modus operandi van de handel in verdovende middelen. Voordat de persoon, die gaan jas droeg, in de auto is gestapt, is bij hem geen sok of witte wikkel waargenomen door de politie. Toen deze persoon na een kort ritje weer uitstapte, is gezien dat hij een witte wikkel in zijn hand had. In de aangetroffen sok worden eveneens witte wikkels aangetroffen. De rechtbank acht het gelet op deze omstandigheden onaannemelijk dat die persoon de sok met verdovende middelen die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen achter gelaten zou hebben in de auto van verdachte en uitgestapt zou zijn omdat hij de prijs van het taxiritje te hoog vond. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook niet aannemelijk en gaat ervan uit dat de sok met verdovende middelen aan verdachte toebehoorde.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in het voertuig aangetroffen verdovende middelen opzettelijk heeft vervoerd.