Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3704

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
13/028398-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woninginbraak met diefstal van designertassen en armband

Op 13 december 2025 werd ingebroken in de woning van de aangeefster in Amsterdam Nieuw-West, waarbij onder meer designertassen en een armband werden gestolen. Videobeelden toonden drie daders, en forensisch onderzoek bracht DNA en vingerafdrukken van verdachte aan het licht. Verdachte beriep zich op zijn zwijgrecht.

De rechtbank achtte het ten laste gelegde bewezen op basis van de cumulatie van bewijsmiddelen, waaronder DNA op een stoeptegel en een vingerafdruk op een kastdeurtje. De verdediging voerde secundaire overdracht en twijfel aan, maar dit werd verworpen.

Verdachte werd veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, rekening houdend met zijn jonge leeftijd en eerdere veroordeling. Daarnaast werd een schadevergoeding van €4.240,53 toegewezen voor materiële schade aan de benadeelde partij, met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, en moet een schadevergoeding van €4.240,53 betalen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.028398.26
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/028398-26
Datum uitspraak: 16 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, op of omstreeks 13 december 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
in een woning, gelegen aan het [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),
- een of meerdere tas(sen) (van de merken Bottega Veneta, Louis Vuitton, YSL, Jacquemus en/of Gucci), en/of
- een agenda (van het merk Louis Vuitton), en/of
- één of meerdere armband(en) (van het merk Michael Kors), en/of
- een waardebon (ter waarde van €400,-), en/of
- enig geldbedrag in contanten, en/of
- een rieten mand,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam aangeefster] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Inleiding
Op 13 december 2025 kwam [naam aangeefster] (hierna: aangeefster) terug van vakantie. Ze constateerde dat was ingebroken in haar woning aan het [adres] in [plaats] . In de aangifte bij de politie verklaart ze dat diverse dure goederen zijn weggenomen, waaronder meerdere designertassen. De kamers in de woning waren overhoop gehaald. Aangeefster zag dat het raam van de keukendeur stuk was en in de woning lag overal glas. Op videobeelden was volgens aangeefster te zien dat drie personen bij de inbraak waren betrokken. Bij forensisch onderzoek heeft de politie een baksteen en een stoeptegel, waarmee vermoedelijk de ruit is ingegooid, rondom bemonsterd. Daarnaast is op een deurtje van de tv-kast in het woongedeelte een bruikbaar dactyloscopisch spoor aangetroffen. Het DNA, afgenomen van de stoeptegel, en het dactyloscopisch spoor van het kastdeurtje wijzen beide in de richting van verdachte. Verdachte heeft zich gedurende de gehele procedure, ook op de terechtzitting, op zijn zwijgrecht beroepen.
4.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde bewezen. De (forensische) sporen wijzen op verdachte en in het dossier bevindt zich een proces-verbaal van vergelijking waarin wordt gerelateerd dat de jas van een van de daders op de camerabeelden gelijkenis vertoont met een jas die in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen. Op de beelden is te zien dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat ieder van hen een significante bijdrage heeft geleverd.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Het DNA op de stoeptegel betreft een mengprofiel en het DNA van verdachte kan erop terecht zijn gekomen door secundaire overdracht. Bovendien is de stoeptegel, net als de kast waarop het dactyloscopisch spoor is aangetroffen, een verplaatsbaar object. Het is onduidelijk waar en wanneer het DNA respectievelijk het dactyloscopisch spoor op de stoeptegel en de kast is terecht gekomen. De jas in het vergelijkend onderzoek betreft een zwarte North Face jas die door zo’n beetje iedere jongere gedragen wordt. Dat is niet heel onderscheidend en er heeft geen herkenning plaatsgevonden. Er is voldoende twijfel dat verdachte bij de inbraak was.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte een van de drie daders van de inbraak in de woning van aangeefster was.
Er is DNA van verdachte aangetroffen op een stoeptegel die zich in de woning bevond en een dactyloscopisch spoor van verdachte op een kast. Die omstandigheden bij elkaar genomen schreeuwen om een verklaring. Doordat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept blijft die verklaring uit. De rechtbank acht secundaire overdracht, mede vanwege de cumulatie van sporen, niet aannemelijk.
Een en ander leidt ertoe dat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 13 december 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen in een woning, gelegen aan het [adres] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten van de rechthebbende bevonden
  • tassen van de merken merken Bottega Veneta, Louis Vuitton, YSL, Jacquemus en Gucci en
  • een agenda van het merk Louis Vuitton en
  • armbanden van het merk Michael Kors en
  • een waardebon ter waarde van € 400,- en
  • enig geldbedrag in contanten en
  • een rieten mand
die aan [naam aangeefster] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, uitgezonderd het contactverbod met de medeverdachten nu niet bekend is wie dat zijn.
8.2.
Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest al dan niet met eventueel nog een voorwaardelijk strafdeel. De raadsvrouw heeft bepleit dat, gelet op het feit dat verdachte adolescent is, nog thuis woont en is aangemeld voor een school, aansluiting dient te worden gezocht bij het jeugdstrafrecht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak waarbij onder andere dure merkgoederen zijn buitgemaakt. Hij heeft daarmee niet alleen het eigendomsrecht geschonden, maar ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners. In de aangifte is opgenomen dat de aangeefster en haar dochter er nog steeds last van hebben dat mensen in hun woning zijn geweest.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 3 maart 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens gekwalificeerde diefstal.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 10 maart 2026, in het bijzonder op de daarin voorgestelde interventies. Verdachte heeft zich bereid getoond daaraan mee te werken. De rechtbank zal het geadviseerde contactverbod met medeverdachten niet opleggen, nu niet bekend is wie dat zijn.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de jonge leeftijd van verdachte en op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd in die zin dat zij de straf enigszins zal matigen.
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [naam aangeefster] vordert € 6.724,-- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering betreft de volgende posten:
1. een tas, Bottega Veneta, € 2.100,-;
2. een tas, Louis Vuitton, Pochette Metis, € 1.390,-;
3. een tas, Jacquemus, groen, € 515,-;
4. een tas, Jacquemus, wit, € 640,-;
5. een armband, Michael Kors, € 119,-;
6. een Louis Vuitton agenda, € 560,-;
7. een Louis Vuitton Speedy, € 600,-;
8. schade aan de vloer, € 700,-;
9. schade aan een keukenkast, € 100,-.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen voor zover het betreft de 5 weggenomen tassen (posten 1, 2, 3, 4 en 7), de armband (post 5) en agenda (post 6), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wat betreft de posten die zien op de schade aan de vloer en de keukenkast (posten 7 en 8) aangezien deze niet zijn onderbouwd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering primair niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu zij heeft verzocht haar client vrij te spreken. Subsidiair om de vordering af te wijzen wegens het ontbreken van pagina 2 van de vordering. En meer subsidiair heeft zij de vordering - met uitzondering van de posten 1, 3 en 4 - betwist. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de Pochette Metis van Louis Vuitton (post 2) en de armband van Michael Kors (post 5) door de benadeelde partij zijn betaald, de Louis Vuitton agenda (post 6) is door ene [naam] betaald en niet door de benadeelde partij en de bijlage bij de Louis Vuitton Speedy laat enkel een lege shoppingbag zien. Deze posten zijn, evenals de schade aan de vloer en de keukenkast, onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij dient dus in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Het verweer van de verdediging dat de vordering moet worden afgewezen omdat het formulier niet volledig is (pagina 2 ontbreekt) faalt. De informatie die normaliter op deze pagina staat, is namelijk niet essentieel voor de beoordeling van de vordering.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de opgesomde goederen zijn weggenomen uit de woning van de benadeelde partij en dat zij hieraan dus schade heeft ondervonden. De benadeelde partij heeft direct bij haar aangifte dezelfde goederen opgesomd. Dat de agenda mogelijk niet door de benadeelde partij zelf is betaald, maakt niet dat zij geen schade ondervindt doordat de agenda is weggenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de door de benadeelde partij genoemde aankoopprijs van de tassen, armband en agenda.
De rechtbank houdt wel rekening met de jaarlijkse afschrijving van de goederen. Voor de tassen en agenda geldt een jaarlijkse afschrijving van 10% en voor de armband 17%.
Van de Louis Vuitton Speedy tas (post 7) ontbreekt een onderbouwing van de prijs. De rechtbank zal ten aanzien van die tas gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de waarde op € 400,- stellen.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.240,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De benadeelde partij zal voor de gestelde schade aan de vloer en de keukenkast niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [naam aangeefster] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Hoofdelijkheid
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij het bewezenverklaarde feit drie personen betrokken zijn geweest. Nu verdachte en zijn mededaders ieder onrechtmatige daden hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade. De rechtbank wijst bovengenoemde vorderingen dan ook hoofdelijk toe. Indien en voor zover één van hen (een deel van) de schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen.

9.Beslag

Onder verdachte zijn drie telefoons in beslag genomen, te weten:
  • een telefoon, Motorola, goednummer 6767107;
  • een telefoon, Apple, goednummer 6767108;
  • een telefoon, Apple, goednummer 6767109.
Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat deze telefoons moeten worden teruggegeven aan de verdachte.
De rechtbank beslist tot teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen telefoons, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
8 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering op het adres Wibautstraat l2 te Amsterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Indien de reclassering dit geïndiceerd acht, neemt veroordeelde binnen de proeftijd, deel aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
Ambulante behandeling
Indien de reclassering dit geïndiceerd acht, dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat
behandelen in de vorm van bokstherapie of een soortgelijke behandeling, te bepalen door de
reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur, of volgt een opleiding tot sportbegeleider bij het ROC of bij een soortgelijke instelling. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
  • een telefoon, Motorola, goednummer 6767107;
  • een telefoon, Apple, goednummer 6767108;
  • een telefoon, Apple, goednummer 6767109.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam aangeefster] toe tot een bedrag van € 4.240,53 (vierduizend tweehonderdveertig euro en drieënvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam aangeefster] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam aangeefster] aan de Staat € 4.240,53 (vierduizend tweehonderdveertig euro en drieënvijftig eurocent) te betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 december 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 42 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. E. Biçer en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2026.