Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3667

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
13/345126-25 (zaak A), 13/049834-26 (zaak B)(ter terechtzitting gevoegd) en 02/023617-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen ontploffing en wapenbezit met toepassing volwassenenstrafrecht

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een pand in Amsterdam en het voorhanden hebben van munitie in Lelystad. Verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank acht deze bewezen op basis van verklaringen en diverse proces-verbalen.

De reclassering adviseerde aanvankelijk toepassing van het adolescentenstrafrecht vanwege de jonge leeftijd en positieve betrokkenheid van ouders, maar ter zitting bleek dat verdachte zich niet aan voorwaarden hield, niet bereikbaar was en zich niet aan enkelbandtijden hield. Hierdoor zag de deskundige geen mogelijkheden meer voor reclasseringstoezicht en adviseerde toepassing van het volwassenenstrafrecht.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een bijzondere voorwaarde van meldplicht bij de reclassering. Daarnaast werd een taakstraf van 120 uur opgelegd ter vervanging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege het gemeen gevaar en het risico voor de samenleving.

De inbeslaggenomen munitie en patronen werden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank volgde het advies van de reclassering en de officier van justitie, maar legde een zwaardere straf op dan gevorderd vanwege de ernst en recidivegevaar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met proeftijd en meldplicht bij reclassering, en een taakstraf van 120 uur.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/345126-25 (zaak A), 13/049834-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) en 02/023617-24 (TUL)
Datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.C.W.L. Grootjans, advocaat te Middelburg, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [reclasseringswerker 1] (reclasseringswerker) ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – (kort gezegd) tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het
Zaak A
1. medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een pand gelegen aan de [straatnaam] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was op 24 augustus 2025 in Amsterdam.
2. medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie op 24 augustus 2025 in Amsterdam.
Zaak B
voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd op 16 december 2025 in Lelystad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
een bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde
feiten kunnen worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Omdat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
Ten aanzien van zaak A onder 1 en 2
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026;
een proces-verbaal van bevindingen met nummer 250824-658-181 van 24 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pag. 001 -002;
Een proces-verbaal van onderzoek inclusief bijlagen met nummer PL1300-2025211646 van 24 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doorgenummerde pag. 013-032.
Ten aanzien van zaak B
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 maart 2026;
een proces-verbaal van relaas met nummer PL1300-2025211646, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , pagina 3;
een proces-verbaal van bevindingen inclusief bijlagen met documentcode 21810802 van 16 december 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , doorgenummerde pag. 156-167;
een proces-verbaal wapenonderzoek met nummer PL1300 – 2025211646 van 3 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pag. 186-191.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
1.
op 24 augustus 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door bij een pand, gelegen aan [adres 2] ( [bedrijf] ), een explosieve/brandbare substantie tot ontbranding te brengen en een geïmproviseerde explosieve constructie te activeren, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voornoemd pand en de nabij gelegen panden te duchten was, en
- levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden te duchten was, en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden bevonden te duchten was;
2.
op 24 augustus 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Zaak B
op 16 december 2025 te Lelystad, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 18 peperpatronen van het merk Wadie van het kaliber 9mm Rand Knall PV en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7 knalpatronen van het merk G.F.L. van het kaliber 8mm Knall voorhanden heeft gehad.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter zitting het advies van de reclassering op zitting overgenomen en zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht toegepast dient te worden.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 230 uren, subsidiair 115 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest zal worden opgelegd. Voorts dient aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden te worden opgelegd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR)toe te passen. Dit gelet op het reclasseringsrapport en de jonge leeftijd van verdachte. Daarnaast heeft een rechter ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een andere zaak besloten dat het ASR moest worden toegepast.
Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest. Deze kan worden aangevuld met een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
6.3.1.
ASR
In het reclasseringsadvies van 6 maart 2026 heeft de reclassering oorspronkelijk geadviseerd om het ASR toe te passen, omdat er sprake leek van een voorzichtige positieve ontwikkeling De reclassering zag, gelet op het feit dat de ouders positief betrokken zijn en de jeugdreclasseringsmedewerker bereid was om het traject voort te zetten, nog mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding. Ter terechtzitting heeft de deskundige aangegeven dat verdachte de afgelopen tijd (weer) uit contact is geweest, en zich niet aan voorwaarden heeft gehouden zodat er zorgen zijn over toenemend recividegevaar. Zo is verdachte niet bereikbaar per telefoon, heeft hij geen werk meer, doet hij de deur niet open bij huisbezoek, en houdt hij zich niet aan de tijden van zijn enkelband waarbij te zien is dat hij ‘s nachts op straat is. De deskundige ziet geen mogelijkheden meer om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De deskundige heeft gelet op het voorgaande geadviseerd om het volwassenenrecht toe te passen.
De rechtbank zal het advies van de reclassering ter terechtzitting volgen en het volwassenrecht toepassen. De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding van verdachte.
6.3.2.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een het teweegbrengen van een ontploffing bij een pand. Dit soort ontploffingen zijn een maatschappelijke plaag en zij worden door opdrachtgevers ingezet om hun slachtoffers onder druk te zetten of wraak te nemen. Dit soort strafbare feiten veroorzaken, niet alleen bij de direct getroffenen, maar ook in de betreffende woonwijk, de stad Amsterdam en de maatschappij als geheel gevoelens van onveiligheid en angst. Brandstichtingen en explosies zijn daarnaast levensgevaarlijk. Er waren ten tijde van het feit mensen boven het pand aanwezig in hun woningen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op het moment dat hij de ontploffing teweeg bracht geen enkel oog heeft gehad voor de schade en de angst die hij bij de directe slachtoffers en de omwonenden heeft teweeggebracht en teweeg had kunnen brengen. Het is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is geweest dat de explosie niet groter is geweest. Daarnaast heeft verdachte munitie voorhanden gehad, hetgeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich meebrengt.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 18 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor wapenbezit. Verdachte is nog veroordeeld na de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 6 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De reclassering ziet een patroon van delicten gepleegd in vereniging. Er bestaan zorgen over
het sociale netwerk van betrokkene, nu hij herhaaldelijk geen weerstand heeft kunnen bieden aan negatieve beïnvloeding vanuit zijn omgeving. Ook lijkt hij moeite te hebben om de consequenties van zijn handelen goed in te schatten. Tegelijkertijd zijn er ook zorgen over zijn houding ten aanzien van wetten en regels. Betrokkenheid van de jeugdreclassering heeft niet tot duurzame gedragsverandering geleid.
De deskundige [reclasseringswerker 1] heeft, zoals eerder genoemd, ter terechtzitting toegelicht dat verdachte niet meer in contact is geweest ondanks de laatste kans die hij had gekregen. Hij ziet geen mogelijkheden meer tot reclasseringstoezicht en heeft geadviseerd, anders dan in de eerdere rapportage t, geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Straf
Vanwege de ernst van de door verdachte gepleegde feiten en ook als afschrikwekkend effect voor hen die overwegen dergelijke feiten te plegen, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hierop de enige passende reactie. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Alles afwegend vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd van achttien maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zal de rechtbank, gelet op de jonge leeftijd van verdachte, de bijzondere voorwaarde van meldplicht opleggen. Daarmee beoogt de rechtbank om verdachte nog hulp te bieden van de volwassen reclassering gedurende de proeftijd.

7.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
DV Patroon, G6750391;
1 STK Huls, G6750381;
1 DV Patroon, G6750376;
1 DV Patroon, G6750387.
De inbeslaggenomen voorwerpen dienen onttrokken te worden aan het verkeer. De voorwerpen zijn daarbij van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

8.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 02/023616-24

Bij de stukken bevindt zich de op 20 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 02/023616-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 24 februari 2025 van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Verdachte is hierbij onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 71 dagen waar van 60 dagen voorwaardelijk, met bevel dat deze voorwaardelijke straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, maar acht de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in dit geval niet geboden omdat deze, naast de hierboven genoemde vrijheidsstraf, onvoldoende toevoegt. De rechtbank zal de jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, volgens de gebruikelijk berekeningswijze, omzetten in een taakstraf van 120 uren.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 63 en 157 van het wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4.4
is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde
medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie;
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte van
12 (twaalf) maandenvan deze gevangenisstraf niet ten uitvoer
gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd
niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarde voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze
afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste
afspraak.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen
van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet
op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van
het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het
zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de
voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
DV Patroon, G6750391;
1 STK Huls, G6750381;
1 DV Patroon, G6750376;
1 DV Patroon, G6750387.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 02/023616-24
Gelast – in plaats van de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 02/023616-24 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 60 (zestig) dagen –
een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.
[(...)]