Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3646

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
13-204618-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 OverleveringswetArt. 12 OverleveringswetArt. 22 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van verjaring en duurzaam verblijf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen tegen een opgeëiste persoon geboren in 1977. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden opgelegd in 2015 voor verkeersovertredingen. De rechtbank verlengde de beslistermijn en schorste de voorlopige hechtenis tot uitspraak.

De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een advocaat en een tolk. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk door een gemachtigde advocaat was verdedigd, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing was. Vervolgens werd onderzocht of Nederland rechtsmacht had op grond van duurzaam verblijf.

De opgeëiste persoon had ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland gedurende ten minste vijf jaar aangetoond, ondanks een korte periode van niet-inschrijving in de Basisregistratie Personen. Dit werd onderbouwd met arbeidsgegevens en een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst dat het verblijfsrecht niet verloren zou gaan door de straf.

Omdat Nederland rechtsmacht kon uitoefenen en de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht was verjaard, werd de overlevering geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. De rechtbank zag geen reden om van deze weigeringsgrond af te zien. De opgeëiste persoon werd vrijgelaten en de voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens verjaring en duurzaam rechtmatig verblijf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-204618-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 29 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juni 2025 door
the Circuit Court in Olsztyn, Second Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Olsztyn, Twelfth Criminal Branch Division in Nidzica,van 21 januari 2015
,met referentie
:XII K 354/14.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden (605 dagen), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. Hoewel de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en een advocaat hem op zitting heeft verdedigd, kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de advocaat daartoe heeft gemachtigd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk is verdedigd door een advocaat die door de opgeëiste persoon was gemachtigd. Deze informatie wordt bevestigd door wat er vandaag op zitting door de opgeëiste persoon is verklaard, namelijk dat hij contact had met de advocaat.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Volgens onderdeel D van het EAB was de opgeëiste persoon op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft hij een advocaat gemachtigd om zijn verdediging te voeren en heeft deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk gevoerd. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van die informatie worden uitgegaan. Ook de verklaring van de opgeëiste persoon biedt geen aanleiding om aan de juistheid van de informatie te twijfelen. Zo heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij is bijgestaan door een toegewezen advocaat, omdat hij een eigen advocaat niet kon bekostigen. De opgeëiste persoon heeft verder verklaard dat hij contact met de advocaat heeft gehad nadat deze het dossier had ontvangen. Vervolgens is hij naar Nederland vertrokken. . De rechtbank is dus van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
  • overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
  • overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
  • overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

6. Weigeringsgronden als bedoeld in artikel 6a en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen. Zij heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van het gestelde duurzame verblijf in Nederland van opgeëiste persoon. Indien de rechtbank de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijkstelt, heeft Nederland rechtsmacht. De overlevering moet in dat geval op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd nu de tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om niet van de toepassing van deze weigeringsgrond af te zien. De opgeëiste persoon heeft zich niet schuilgehouden of anderszins niet beschikbaar gehouden voor de Poolse autoriteiten, terwijl het EAB pas in 2025, tien jaar na het wijzen van het vonnis, is uitgevaardigd. Verder is de opgeëiste persoon zich bewust van de consequenties van het weigeren van de overlevering op deze grond.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Middels de overgelegde stukken is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. In het verblijf gedurende vijf jaren zitten namelijk gaten, waarbij uit het aantal gewerkte uren niet kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven. Nu de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, heeft Nederland geen rechtsmacht. Daarom wordt niet toegekomen aan de vraag of de feiten naar Nederlands recht zijn verjaard.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW kan de overlevering voor feiten wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht worden geweigerd als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. In het geval van de opgeëiste persoon is daarvan, op grond van artikel 7, eerste en derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt de situatie begrepen dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. De opgeëiste persoon heeft daarmee een duurzaam verblijfsrecht verworven. De opgeëiste persoon stond sinds 4 januari 2019 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. (BRP) Weliswaar blijkt uit het uittreksel van de Strafrechtketendatabank (SKDB) dat de opgeëiste persoon in de periode van 12 augustus 2021 tot en met 12 oktober 2022 niet ingeschreven stond in de BRP, maar dit leidt in dit geval niet tot de vaststelling dat het verblijf niet ononderbroken is geweest. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor het aannemen van een ononderbroken verblijf een BRP-inschrijving leidend is. Ook indien de opgeëiste persoon niet de gehele periode staat ingeschreven in de BRP, kan op basis van aangevoerde (en onderbouwde) omstandigheden worden geoordeeld dat sprake is van een ononderbroken verblijf van vijf jaren. De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de opgeëiste persoon vanaf 21 oktober 2021 werkzaam is geweest voor een uitzendbureau, waarbij op basis van het aantal gewerkte uren kan worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon voor de periode in 2021 waarin hij niet stond ingeschreven in Nederland moet hebben verbleven. Op grond van het aantal gewerkte uren en verdiende inkomen zoals volgen uit het UWV-overzicht, kan verder worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon ook in het jaar 2022 in Nederland moet hebben verbleven. Door de raadsvrouw is verder onderbouwd dat de opgeëiste persoon, die wegens een ongeluk tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest, in het deel van 2021 dat hij niet kon werken in zijn levensonderhoud heeft voorzien middels de aan hem uitgekeerde schadevergoeding, zodat de opgeëiste persoon geen beroep op de staatskas heeft hoeven doen. De overige jaren heeft de opgeëiste persoon voldoende inkomen genoten.
Aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 24 maart 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de feiten naar Nederlands recht een strafbaar zijn opleveren. Gelet op wat hiervoor onder rubriek 4 is overwogen, is ook aan deze voorwaarde voldaan.
Nu de opgeëiste persoon aldus met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn, heeft Nederland rechtsmacht kunnen uitoefenen.
De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard in januari 2023. [4] De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld dateren uit 2014. Voor deze feiten is aan de opgeëiste persoon met het vonnis uit 2015 een straf opgelegd. Door Polen is echter pas tien jaar later, in 2025, een EAB uitgevaardigd. De verjaringstermijn naar Nederlands recht was op dat moment al geruime tijd verstreken. De rechtbank neemt daarbij verder in aanmerking dat de opgeëiste persoon zich niet onder de radar heeft gehouden. De opgeëiste persoon stond ingeschreven in Nederland en heeft zijn leven hier opgebouwd. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat weigering van de overlevering op grond van verjaring niet betekent dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf niet meer hoeft te ondergaan. Zolang de tenuitvoerlegging van de straf naar het recht van Polen niet is verjaard, moet de opgeëiste persoon – wanneer hij Nederland verlaat – rekening houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vanuit een andere lidstaat. Hiermee bekend heeft de opgeëiste persoon toch expliciet een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot (verdere) bespreking van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW over te gaan.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 5a, 8, 107, 176, 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 9 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Olsztyn, Second Criminal Division,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Gelet op de artikelen 70 van het Wetboek van Strafrecht juncto 6:1:22 en 6:1:23 van het Wetboek van Strafvordering.