Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3623

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/4432
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 16 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op compensatie kinderopvangtoeslag wegens vermeende vooringenomenheid en hardheid stelsel

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de Dienst Toeslagen om compensatie toe te kennen voor de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009. De Dienst Toeslagen had op 11 april 2022 twee besluiten genomen waarin compensatie werd geweigerd, en een derde besluit waarin een tegemoetkoming werd toegekend die lager was dan reeds ontvangen bedragen. Eiseres stelde dat sprake was van vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en geconcludeerd dat de nihilbeschikking van 24 januari 2009 en het opvragen van informatie op 10 februari 2009 niet kunnen worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Hoewel mogelijk sprake was van onzorgvuldig handelen, ontbrak het aan de kenmerken van institutionele vooringenomenheid zoals beschreven in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Ook was de correctie van de stopzetting geen nieuwe aanvraag, zodat geen recht op voorschot bestond en geen sprake was van hardheid van het stelsel.

De bezwaarschriftencommissie had de ingebrachte stukken, waaronder een brief van 14 april 2025, voldoende betrokken in haar advies. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiseres geen compensatie ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van compensatie kinderopvangtoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4432

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Salim),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamdach).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door verweerder verrichte integrale beoordeling van de door eiseres ontvangen kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft geweigerd om aan eiseres compensatie toe te kennen en eiseres is het daar niet mee eens. Volgens eiseres is sprake geweest van vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. Verweerder heeft terecht geen compensatie toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft bij verweerder een verzoek ingediend voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag.
2.1.
Met twee besluiten van 11 april 2022 heeft verweerder geweigerd om aan eiseres compensatie toe te kennen voor de jaren 2008 en 2009. Met een derde besluit van
11 april 2022 heeft verweerder beslist dat eiseres recht heeft op een tegemoetkoming van
€ 13.455 vanwege een ten onrechte gegeven kwalificatie van opzet of grove schuld (OG/S). Omdat deze tegemoetkoming lager is dan het bedrag van € 30.000 dat eiseres al had ontvangen, krijgt eiseres dit extra bedrag van € 13.455 niet van verweerder.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag. Daarin staat samengevat het volgende. Op 24 januari 2009 is de kinderopvangtoeslag van eiseres voor het jaar 2008 op nihil beschikt. Volgens de bezwaarschriftencommissie was de nihilbeschikking niet vooringenomen. Deze was gebaseerd op de door eiseres doorgegeven stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Op
9 januari 2009 heeft eiseres per abuis de kinderopvangtoeslag stopgezet per 1 januari 2008 in plaats van per 31 december 2008. Op 24 januari 2009 is, naar aanleiding van de stopzetting, een nihilbeschikking voor 2008 gevolgd. Weliswaar heeft eiseres op
22 januari 2009 alsnog de juiste ingangsdatum van de stopzetting doorgegeven, maar bij wijzigingen is een verwerktijd van een aantal weken gebruikelijk. Dit komt overeen met de termijn tussen de stopzetting van eiseres per 8 januari 2009 en de nihilbeschikking van
24 januari 2009. Op 10 februari 2009 heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd. Verweerder vroeg daarbij om facturen, de jaaropgave 2008 en contracten met kinderopvanginstellingen. Eiseres heeft de gevraagde stukken op 26 februari, 8 juli en
18 september 2009 aangeleverd. Op 30 september 2009 heeft verweerder aan de hand van deze nadere gegevens het recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008 herzien en vastgesteld op € 6.263,-.
3.1.
Eiseres voert, kort gezegd, aan dat sprake is van vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel. Hieronder gaat de rechtbank nader in op de beroepsgronden van eiseres.

Overwegingen

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres alleen gronden heeft gericht tegen de beoordeling over toeslagjaar 2008. Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op toeslagjaar 2009 niet toetsen.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) in beginsel recht op door hem aangevraagde compensatie in twee situaties. De eerste is als hij schade heeft geleden doordat over hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de dienst. De tweede is als hij schade heeft geleden doordat de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) [1] , de Wet kinderopvang of de uitvoeringsbepalingen voor de aanvrager heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijk systeem.
4.3.
Volgens de memorie van toelichting [2] bij de Wht gaat het bij institutionele vooringenomenheid niet alleen om collectieve stopzetting van de kinderopvangtoeslag zonder voorafgaande individuele beoordeling, maar vooral ook om het opvragen bij belanghebbenden van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren, gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing van de aanspraak kinderopvangtoeslag was gevonden. Ook was sprake van het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.
4.4.
Van hardheid van het stelsel als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
Vooringenomenheid
4.5.
Eiseres voert aan dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld door de kinderopvangtoeslag stop te zetten zonder voorafgaand navraag te doen. Eiseres heeft weliswaar in eerste instantie een stopzetting doorgegeven per een onjuiste datum, maar zij heeft dit kort daarna gecorrigeerd. Deze correctie heeft zij digitaal doorgegeven en was dus direct zichtbaar voor verweerder. Verweerder heeft, aldus eiseres, ten onrechte een beschikking genomen waarbij geen rekening is gehouden met de nieuwste informatie die zij op 22 januari 2009 heeft ingediend. In plaats van tot nihilstelling over te gaan, had verweerder, gelet op deze nieuwe melding, nader onderzoek en uitvraag moeten verrichten.
4.6.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat zodra eiseres een wijziging doorgeeft, het systeem dit oppakt en dat dit automatisch wordt verwerkt met een beschikking. Eiseres voert daartegen aan dat dit zo niet kan. Volgens eiseres mag de burger er vanuit gaan dat de beschikking handmatig genomen wordt en niet door een machine of in een geautomatiseerd proces.
4.7.
De rechtbank kan eiseres volgen in haar betoog dat een burger van een bestuursorgaan mag verwachten dat besluiten worden genomen door een medewerker die alle informatie meeneemt die op dat moment bij dat bestuursorgaan bekend zijn. Dit geldt te meer voor ingrijpende besluiten als deze, waarmee de kinderopvangtoeslag op nihil is beschikt. Nu de wijziging van 22 januari 2009, waarmee alsnog de juiste ingangsdatum van de stopzetting is doorgegeven, digitaal is doorgegeven, is niet duidelijk waarom deze informatie niet tijdig door verweerder verwerkt kon worden.
4.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zonder duidelijke reden op
10 februari 2009 informatie heeft opgevraagd bij eiseres. Eiseres ontving tot het moment van stopzetting van de toeslag op 24 januari 2009 een voorschot. Totdat eiseres een stopzetting doorgaf was er voor verweerder geen reden om te twijfelen aan het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag. Met het bericht van 22 januari 2009 heeft eiseres doorgegeven dat de toeslag niet per 1 januari 2008, maar per 31 december 2008 werd stopgezet. Daarmee beoogde eiseres kennelijk te laten weten dat zij het ontvangen voorschot wenste te continueren. Voor het continueren of verstrekken van een voorschot was het niet noodzakelijk dat verweerder over alle op 10 februari 2009 gevraagde stukken beschikte.
4.9.
Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stukken op 10 februari 2009 zijn opgevraagd om het definitieve recht op toeslag te berekenen. Uit de brief blijkt echter een andere intentie. Hierin staat: “Op 22 januari 2009 heeft u een wijziging 2008 ingediend. In verband met het ontbreken van gegevens kan deze niet in behandeling worden genomen. Wilt u mij de volgende stukken laten toekomen: Facturen, Jaaropgave 2008 en Contracten met de kinderopvanginstelling(en). Na ontvangst kan ik uw wijziging verder in behandeling nemen.” Verweerder heeft dan ook niet goed kunnen uitleggen waarom de stukken noodzakelijk waren om het voorschot te continueren.
4.10.
Dit alles kan mogelijk worden aangemerkt als onzorgvuldig handelen van verweerder, maar naar het oordeel van de rechtbank betekent dit op zichzelf niet dat eiseres recht heeft op compensatie. Daarvoor moet op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht sprake zijn van vooringenomen handelen. De rechtbank is van oordeel dat de nihilbeschikking van 24 januari 2009 en het opvragen van informatie op 10 februari 2009, ook in onderlinge samenhang bezien, niet kunnen worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Redengevend daarvoor is dat verweerder weliswaar bewijsstukken heeft opgevraagd, maar het ging hierbij niet om grote hoeveelheden bewijsstukken. Ook blijkt uit het dossier niet dat sprake is geweest van een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbrekende bewijsstukken of dat verweerder bij een tekortkoming in de informatie geen nadere informatie heeft opgevraagd. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat aannemelijk is dat de O/GS-kwalificatie van eiseres een rol heeft gespeeld bij de handelswijze van verweerder. Deze stelling is echter onvoldoende onderbouwd en dit volgt ook niet uit het dossier.
Hardheid van het stelsel
4.11.
Subsidiair voert eiseres aan dat zij recht heeft op compensatie op grond van hardheid van het stelsel. Als de correctie die eiseres op 22 januari 2009 heeft doorgegeven, aangemerkt wordt als aanvraag, dan heeft het alsnog acht maanden geduurd voordat daarop is beslist. Dit geeft reden tot compensatie. Eiseres verwijst daarbij naar artikel 16, eerste lid, van de Awir, waaruit de verplichting tot het verstrekken van een voorschot volgt als niet binnen acht weken na de aanvraag is beslist.
4.12.
De rechtbank volgt het standpunt van eiseres dat de correctie van
22 januari 2009 gezien moet worden als een nieuwe aanvraag, niet. De correctie betreft een wijziging van de eerdere melding van 9 januari 2009. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat deze melding een correctie was en geen nieuwe aanvraag, zodat artikel 16, eerste lid, van de Awir geen recht geeft op een voorschot. Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is geweest van hardheid van het stelsel.
Advies van de bezwaarschriftencommissie
4.13.
Eiseres voert tot slot aan dat de bezwaarschriftencommissie de door eiseres in bezwaar overgelegde brief van 14 april 2025 onvoldoende in haar advisering heeft betrokken.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarschriftencommissie de door eiseres overgelegde brief van 14 april 2025 voldoende in haar advisering heeft betrokken. In het advies staat de brief als zodanig genoemd. De bezwaarschriftencommissie is verder ingegaan op de in de brief aangevoerde grond dat er onvoldoende uitvraag is geweest en op het standpunt dat eiseres de brief van 10 februari 2009 niet zou hebben ontvangen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 2.1. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Artikel 2.6. van de Wht, voor zover hier van belang, luidt:
De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.

Voetnoten

1.Zoals deze gold op 1 januari 2009.
2.Kamerstukken 2021-2022, 36151, nr. 3, p. 70-71.