Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3622

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 1256
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, maar dit beroep ingetrokken nadat de heffingsambtenaar de aanslag heeft vernietigd. Verzoeker vroeg vervolgens om vergoeding van proceskosten, waaronder 100 euro aan verletkosten voor het uitzoeken van de zaak en telefonisch contact met de gemeente.

De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar inderdaad aan verzoeker is tegemoetgekomen door de naheffingsaanslag te vernietigen, wat het intrekken van het beroep verklaart. Echter, de gevraagde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze niet zijn gemaakt voor het bijwonen van een zitting, maar voor voorbereidende werkzaamheden zoals uitzoekwerk en bellen.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af, maar benadrukt dat de heffingsambtenaar wel verplicht is het betaalde griffierecht van 51 euro te vergoeden. Verzoeker wordt geadviseerd zich hiervoor tot de heffingsambtenaar te wenden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen, maar griffierecht moet worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 16 februari 2024 (het bestreden besluit). Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar op 5 maart 2024 heeft laten weten de aan verzoeker opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met nummer [nummer] te hebben vernietigd.
1.1.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank hierop meegedeeld dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geen recht bestaat op vergoeding van de door hem verzochte verletkosten.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de heffingsambtenaar aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet eerst beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft op 5 maart 2024 aan verzoeker laten weten dat de aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Hiermee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Moet de heffingsambtenaar de proceskosten vergoeden?
5. Verzoeker heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit verletkosten van € 100,-. Deze kosten zien op het uitzoeken van de zaak en het bellen met de gemeente.
5.1.
In het Bpb staat een overzicht van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten die niet in het Bpb staan vermeld komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dat volgt uit artikel 1 van Pro het Bpb. De in artikel 1, onder e genoemde verletkosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze kosten zijn gemaakt voor het bijwonen van de behandeling van het beroep op de zitting en de heen- en terugreis daarvan. Omdat geen zitting heeft plaatsgevonden, zijn dergelijke kosten niet gemaakt. Onder verletkosten vallen niet de kosten van tijdverzuim voor voorbereidende handelingen, zoals uitzoekwerk of contact met de gemeente. De door verzoeker genoemde werkzaamheden komen daarom niet in aanmerking voor vergoeding als verletkosten. Zij vallen ook niet onder een andere categorie van kosten die op grond van de Bpb vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor tot de heffingsambtenaar wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Bpb.
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.