Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3605

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/4869
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.16 Wsf2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omzetting prestatiebeurs naar gift wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres heeft een verzoek ingediend om haar prestatiebeurs om te zetten in een gift op grond van een structurele medische omstandigheid, namelijk ADHD, die in 2023 bij haar is vastgesteld. Dit verzoek werd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgewezen omdat het te laat was ingediend en er geen ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling was.

De rechtbank heeft het beroep van eiseres beoordeeld en geoordeeld dat het ontbreken van een verklaring van de onderwijsinstelling een wettelijk vereiste is om bijzondere omstandigheden aan te tonen. De studentdecaan van de onderwijsinstelling heeft het verzoek niet ondersteund omdat er geen causaal verband kon worden vastgesteld tussen de medische situatie van eiseres en het niet afronden van haar studie.

Hoewel eiseres heeft aangevoerd dat haar ADHD destijds ook speelde, kan niet worden uitgesloten dat zij haar studie met extra begeleiding en aanvullende studietijd had kunnen voltooien. De rechtbank concludeert dat verweerder het verzoek op goede gronden heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4869

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen),
en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,

verweerder
(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om omzetting van haar prestatiebeurs naar een gift op grond van een structurele medische omstandigheid.
Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 29 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder onder gewijzigde motivering bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1. Eiseres was van september 2005 tot augustus 2010 ingeschreven bij de [school] voor de opleidingen [opleiding 1] , en later de opleiding tot [opleiding 2] . Gedurende deze periode ontving zij studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, een voorziening voor het openbaar vervoer en een lening. Eiseres heeft de opleidingen niet afgerond en is na augustus 2010 niet teruggekeerd naar de [school] . De schuld van eiseres bedraagt in 2012 € 56.430,87.
2. In 2023 is bij eiseres de diagnose ADHD vastgesteld. Eiseres stelt dat haar ADHD en depressieve klachten tijdens haar studietijd aanleiding vormen voor een verzoek om omzetting van haar prestatiebeurs naar een gift op grond van bijzondere omstandigheden. Volgens eiseres zou het hierbij gaan om een bedrag van ongeveer € 22.000,-.
3. Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit afgewezen omdat eiseres geen ondersteunende verklaring van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling heeft overgelegd. Daarnaast dient een verzoek om omzetting van de prestatiebeurs binnen vijf jaar na afloop van de diplomatermijn te worden ingediend. Het verzoek van eiseres is later ingediend (en dus te laat).
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder onder gewijzigde motivering het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Er moet niet alleen sprake zijn van een bijzondere omstandigheid, die omstandigheid moet worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling. Het is niet aan verweerder om zelfstandig te beoordelen voor welke voorziening de aanvrager in aanmerking komt.
De studentdecaan van de [school] ondersteunt het verzoek van eiseres niet. Het komt voor eiseres haar eigen rekening en risico dat de onderwijsinstelling geen causaal verband kan vaststellen, nu eiseres tijdens deze periode geen contact heeft gehad met het decanaat.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift heeft afgewezen. Dit verzoek is afgewezen, omdat de studentdecaan van de [school] het verzoek niet ondersteunt. Het beroep van eiseres komt er in essentie op neer dat aan dit vereiste voorbijgegaan zou moeten worden en dat het verzoek inhoudelijk alsnog beoordeeld moet worden.
6. In veel rechtszaken is tijdsverloop van belang. Dat verweerder daarop een beroep heeft gedaan is dan ook niet vreemd. Eiseres heeft niet bij de beëindiging van haar studie verzocht om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift, maar pas veertien jaar later. Dat tijdsverloop creëert een bewijsrisico in haar nadeel. Een situatie in een verder verleden is in zijn algemeenheid immers moeilijker te bewijzen dan een recente situatie.
7. Daar komt het volgende bij. Op grond van artikel 5.16, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan een toegekende prestatiebeurs worden omgezet in een gift. Dat kan echter niet onbegrensd. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. En niet alleen dat, er gelden daarvoor ook extra bewijsregels. Wettelijk kunnen dergelijke omstandigheden uitsluitend worden aangetoond door een verklaring van de onderwijsinstelling en (als zich medische omstandigheden voordoen) ook door een verklaring van een arts.
8. Een ondersteunende verklaring van de onderwijsinstelling is vereist, omdat de instelling het beste kan beoordelen of een studie binnen de diplomatermijn van tien jaar kan worden afgerond, gelet op de (medische) omstandigheden van de student. Daarbij kan de onderwijsinstelling tevens inschatten of met aanvullende ondersteuning alsnog een diploma kan worden behaald.
9. De studentdecaan van de [school] heeft het verzoek van eiseres niet ondersteund, omdat het causale verband tussen de door eiseres opgegeven medische reden en het niet behalen van haar diploma niet (meer) kan worden vastgesteld. Eiseres heeft zich gedurende haar studie niet gemeld bij de studentdecaan voor aanvullende ondersteuning. Verder waren op dat moment bij de studentendecaan geen (medische) omstandigheden bekend die vertraging van haar studie zouden opleveren.
10. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor verweerder om (alsnog) aan deze conclusies te twijfelen.
11. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat bij haar recentelijk de diagnose ADHD is gesteld en zij heeft dit onderbouwd met meerdere medische stukken. Daaruit kan echter niet zonder meer worden geconcludeerd dat eiseres daardoor niet in staat was haar studie te voltooien, zelfs al zou de rechtbank ervan uitgaan dat de ADHD-problematiek ook destijds speelde. Ook dan kan bepaald niet worden uitgesloten dat zij de studie destijds wel had kunnen voltooien, bijvoorbeeld met aanvullende studietijd, extra begeleiding en een behandeling zoals zij die de laatste jaren is gaan volgen. Maar precies om die reden kan nu niet worden gezegd dat destijds sprake was van bijzondere omstandigheden die maken dat de prestatiebeurs moet worden omgezet in een gift.

Conclusie en gevolgen

12. Verweerder heeft op goede gronden het verzoek om omzetting van de prestatiebeurs naar een gift afgewezen.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.