Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3588

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
13/127569-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor langdurig huiselijk geweld en bedreiging binnen huwelijk

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het jarenlang plegen van ernstig huiselijk geweld en bedreigingen jegens zijn echtgenote. De mishandelingen vonden plaats tussen juni 2015 en april 2025, vaak in hun gezamenlijke woning en soms in het bijzijn van hun minderjarige kinderen. Daarnaast bedreigde verdachte zijn echtgenote meermalen met de dood van haarzelf en hun kinderen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs voor de intensiteit van het geweld, maar achtte de subsidiaire mishandeling en de langdurige mishandelingen wettig en overtuigend bewezen. Ook werden de bedreigingen met misdrijven tegen het leven en zware mishandeling bewezen verklaard, mede ondersteund door WhatsApp-berichten en geluidsfragmenten.

De strafmaat werd bepaald op 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 257 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte, een psychologisch rapport dat een narcistische persoonlijkheidsstoornis vaststelde, en het reclasseringsadvies. Daarnaast werd een gebiedsverbod van 500 meter rond de basisschool van de kinderen opgelegd en een contactverbod met de echtgenote, met uitzondering van contact via een advocaat.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees de materiële vordering af wegens onvoldoende onderbouwing, kende een immateriële schadevergoeding toe van €14.375,- vermeerderd met wettelijke rente, en wees de vorderingen van de kinderen af wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel.

De uitspraak werd gewezen op 8 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen gevangenisstraf, waarvan 257 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar en oplegging van contact- en gebiedsverbod.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/127569-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I. Appel, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van
de benadeelde partijen [slachtoffer] , [BP1] , [BP2] en [BP3] en van wat door mr. F.G.J. Staals, advocaat te Amsterdam, namens hen, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1 primair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] op 24 april 2025;
feit 1 subsidiair: mishandeling van zijn echtgenote [slachtoffer] op 24 april 2025;
feit 2: mishandeling van zijn echtgenote [slachtoffer] in de periode van 1 juni 2015 tot en met 24 april 2025;
feit 3: bedreiging van [slachtoffer] in de periode van 29 november 2018 tot en met 24 april 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 1 primair), mishandelingen (feit 2) en bedreigingen (feit 3).
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat verdachte de keel en/of de neus van aangeefster heeft dichtgeknepen.
Ten aanzien van de onder feit 2 tenlastegelegde mishandelingen heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van de handelingen die in de vijf onderste gedachtestreepjes ten laste zijn gelegd. Verdachte herkent zich niet in deze gedragingen en vanwege het tijdsverloop is het voor aangeefster lastig om voldoende betrouwbaar bewijs aan te dragen van of, wanneer en waar een bepaalde gedraging heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het vierde en zesde gedachtestreepje heeft de raadsman opgemerkt dat de pleegplaats niet uit de aangifte kan worden afgeleid.
Ten aanzien van de onder feit 3 tenlastegelegde bedreiging heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting het volgende vast.
[slachtoffer] (hierna ook: aangeefster) is sinds 1 april 2014 getrouwd met verdachte. Zij hebben samen drie kinderen. Verdachte en aangeefster hebben allebei verklaard dat zij op 24 april 2025 in hun gezamenlijke woning in Amsterdam ruzie hebben gekregen. Aangeefster heeft daarover verklaard dat zij op enig moment naar buiten wilde vluchten, en dat verdachte haar toen met beide handen bij de keel vastgreep en haar tegen de grond drukte. Vervolgens hield hij haar opnieuw vast om haar onder controle te houden, waarbij hij wederom haar keel vastpakte en zijn hand tegen haar neus drukte. Daarna greep hij haar nogmaals bij de keel, waarbij aangeefster voelde dat haar lichaam verslapte en het donker voor haar ogen werd.
Verdachte heeft op de terechtzitting gezegd dat hij bij die ruzie enig geweld heeft gebruikt, maar hij heeft ontkend dat hij aangeefster bij haar keel heeft gegrepen of haar neus heeft dichtgeknepen.
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat aangeefster op hoofdlijnen gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Haar verklaring vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, onder andere in een letselrapportage. Aangeefster is op 25 april 2025 onderzocht door een forensisch arts. Uit dit onderzoek blijkt dat zich op de neuspunt van aangeefster meerdere bloeduitstortingen bevinden. In het rapport staat dat dit letsel goed past bij het met de hand dichtdrukken van de neus en mond. Daarnaast zijn aan beide zijden van de hals meerdere huidverkleuringen en rechts een bloeduitstorting geconstateerd. Volgens het rapport past dit letsel goed bij het met de handen dichtknijpen van de keel.
Vrijspraak poging tot zware mishandeling (feit 1 primair)
De rechtbank leidt uit de verklaring van aangeefster af dat verdachte bij deze geweldshandelingen enige kracht heeft gebruikt. De rechtbank kan uit het dossier echter niet opmaken met welke intensiteit, duur en kracht verdachte aangeefster bij haar keel en/of neus heeft vastgepakt. Ook de letselrapportage geeft hierover geen uitsluitsel.
Hoewel het handelen van verdachte ingrijpend en beangstigend voor aangeefster moet zijn geweest, kan de rechtbank gelet op het voorgaande niet vaststellen dat een aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster bestond door het handelen van verdachte. Dat betekent dat verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling.
Bewezenverklaring mishandeling (feit 1 subsidiair)
De rechtbank acht de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen.
Het gedeelte uit de tenlastelegging dat ziet op het dichtknijpen van de neus van aangeefster acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, omdat aangeefster in de aangifte heeft verklaard dat een hand tegen haar neus werd gedrukt en niet dat haar neus werd dichtgeknepen. De rechtbank spreekt verdachte van dit deel daarom vrij.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling van zijn echtgenote in de periode van 1 juni 2015 tot en met 24 april 2025 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht, zoals hiervoor overwogen, de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en neemt deze als uitgangspunt.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op 24 april 2025 in haar woning in Amsterdam door verdachte is geschopt. Deze verklaring wordt ondersteund door de letselrapportage van 25 april 2025, waaruit blijkt dat bij haar een huidverkleuring op de rechterbil en een schaafwond op het rechteronderbeen zijn geconstateerd. Dit letsel past bij de door haar beschreven toedracht, namelijk het schoppen tegen haar benen en billen. Daarnaast heeft verdachte op de zitting van 25 maart 2026 verklaard dat hij aangeefster tijdens hun relatie wel eens heeft geschopt.
Verder heeft aangeefster in een aanvullend verhoor verklaard dat zij in juni 2015 in hun gezamenlijke woning in Amsterdam hard is geduwd door verdachte. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van verdachte op de zitting van 25 maart 2026, waarin hij heeft bekend dat hij aangeefster tijdens de relatie wel eens heeft geduwd. In dit verhoor heeft aangeefster ook verklaard dat verdachte in 2018 een spiegel tegen de rechterzijde van haar lichaam heeft geslagen, waarbij een deel van de spiegel afbrak en in haar pols sneed, en dat verdachte in april 2021 in de gezamenlijke woning in Amsterdam een deur heeft dichtgeslagen terwijl haar rechterhand daartussen zat. Deze verklaringen worden ondersteund door afbeeldingen in het dossier waarop een litteken op haar pols en een opgezwollen hand zichtbaar zijn. Ten aanzien van het incident met de spiegel heeft aangeefster verklaard dat dit plaatsvond in de gang van hun gezamenlijke woning, waarbij de rechtbank op basis van de historische BRP-adresgegevens van verdachte vaststelt dat zij op dat moment in Amsterdam woonden. Tot slot heeft aangeefster in dit verhoor verklaard dat verdachte in het voorjaar van 2022 haar hoofd gedurende langere tijd in een kussen heeft gedrukt, als gevolg waarvan haar oorlel is uitgescheurd. De rechtbank constateert dat ten aanzien van deze gedraging geen specifieke pleegplaats is genoemd. Zij gaat er vanuit dat deze gedraging in Amsterdam heeft plaatsgevonden, gelet op het patroon van mishandelingen binnen de huiselijke sfeer.
Uit de beschrijvingen bij de door aangeefster aangeleverde afbeeldingen van haar letsel in het proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2025 volgt dat verdachte in februari 2018 tegen het rechteroor van aangeefster heeft geslagen en dat zij in de periode van 2016 tot en met 2025 maandelijks in het gezicht is geslagen door hem, waarbij de klappen vaak op haar oor belandden. Deze verklaringen worden ondersteund door een brief van een KNO-arts, waaruit blijkt dat sprake is van bobbelig kraakbeen als gevolg van meerdere klappen. In voornoemde beschrijvingen vermeldt aangeefster ook dat verdachte in februari 2018 een schoen tegen haar zwangere buik heeft gegooid. Deze verklaring wordt wederom ondersteund door een afbeelding waarop een verkleuring op haar zwangere buik zichtbaar is. De rechtbank constateert dat ook ten aanzien van deze gedragingen geen specifieke pleegplaats is genoemd. Nu uit het dossier een patroon naar voren komt van mishandelingen binnen de huiselijke sfeer in Amsterdam en geen verweer is gevoerd ten aanzien van de pleegplaats, stelt de rechtbank vast dat ook deze gedragingen in Amsterdam hebben plaatsgevonden.
De bovengenoemde handelingen hebben plaatsgevonden binnen de tenlastegelegde periode. In die periode had verdachte een relatie met aangeefster en waren zij getrouwd, zo volgt uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van zijn echtgenote in de periode van 1 juni 2015 tot en met 24 april 2025.
3.3.3.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht de onder feit 3 tenlastegelegde bedreigingen wettig en overtuigend bewezen en overweegt hiertoe als volgt.
Uit diverse WhatsApp-berichten en geluidsfragmenten volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode de tenlastegelegde uitlatingen richting aangeefster heeft gedaan. Verdachte heeft dat op de terechtzitting ook bevestigd. Vaststaat dat verdachte meermalen tegen aangeefster heeft geuit dat hij haar dood zou maken of dat hij haar ernstig zou verwonden.
Verdachte heeft tijdens de terechtzitting verklaard dat hij met die woorden aangeefster niet wilde bedreigen, maar dat hij haar slechts wilde kwetsen. Aangeefster zou volgens verdachte weten dat hij geen uitvoering zou geven aan zijn dreigementen. De rechtbank volgt verdachte niet in dat standpunt. De gedane uitlatingen zijn van zeer bedreigende aard, juist onder de gegeven omstandigheden, waarbij verdachte aangeefster ook daadwerkelijk meermalen heeft mishandeld. De uitingen zijn dan ook zodanig dat deze bij aangeefster redelijkerwijs de vrees konden opwekken dat haar leven in gevaar zou komen of dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook oordeelt de rechtbank dat verdachte tenminste de aanmerkelijke kans voor lief heeft genomen dat aangeefster zich daardoor bedreigd zou voelen. De tenlastegelegde uitingen vormen derhalve bedreigingen gericht op enig misdrijf tegen het leven en op zware mishandeling.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
Feit 1 subsidiair
op 24 april 2025 te Amsterdam zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door met kracht de keel van voornoemde [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;
Feit 2
in de periode van 1 juni 2015 tot en met 24 april 2025 te Amsterdam, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
- voornoemde [slachtoffer] tegen het lichaam te duwen, en
- voornoemde [slachtoffer] tegen het lichaam te schoppen, en
- voornoemde [slachtoffer] meerdere malen tegen de oren en het hoofd te slaan, en
- met een spiegel, althans een scherp voorwerp, tegen de arm, althans tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te slaan, en
- een deur dicht te gooien terwijl de hand van voornoemde [slachtoffer] tussen de deur en deurpost zat, en
- het hoofd van voornoemde [slachtoffer] in een kussen te drukken, als gevolg waarvan haar oorlel is (in)gescheurd, en
- een schoen tegen de buik van voornoemde [slachtoffer] te gooien, terwijl zij in verwachting was;
Feit 3
omstreeks de periode van 29 november 2018 tot en met 24 april 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen
- " Wacht jij maar, wanneer jij denkt dat alles oké is, dat is wanneer ik jou ga vermoorden. Dat is wanneer ik jou in jouw slaap dood ga maken", en
- " Daarna ga ik jou kapot slaan als jij nog één ding terugzegt", en
- " Je moet je zorgen maken als jij 's nachts hier slaapt of je de ochtend gaat redden eerlijk, ik pak die Stanleymes en ik snijd je keel door zonder blikken of blozen", en
- " Als je toch eerder hier komt... dan snij ik je in je gezicht met een groot keukenmes", en
- " Ik snij je kapot... met je onbeschofte kankerbek", en
- " Ik kan nu naar Amsterdam komen... en je wijze kankerbek in elkaar trappen", en
- " Wacht maar tot je thuis bent... dan schopt ik je zo hard in je kut tot je bloedt", en
- " Als jij nog 1 ding stuurt... dan hak ik je hoofd eraf", en
- " Als je thuis komt maak ik de kinderen dood voor je ogen" en "snij ik hun keel door en laat ik jou leven", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die
de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 257 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel dient volgens de officier van justitie naast de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden een gebiedsverbod van 5 kilometer rond de school van de kinderen van aangeefster en verdachte te worden gekoppeld. Ook heeft de officier van justitie een taakstraf van 120 uur gevorderd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een taakstraf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan ernstig huiselijk geweld. Hij heeft zijn echtgenote in een periode van tien jaar vele malen mishandeld. De mishandelingen vonden vaak plaats in hun gezamenlijke woning en soms ook in het bijzijn van hun minderjarige kinderen. Daarnaast heeft verdachte zijn echtgenote meermalen met de dood of met de dood van haar kinderen bedreigd. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij binnen de huiselijke en relationele sfeer de veiligheid van aangeefster ernstig heeft aangetast. Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat de jarenlange mishandelingen en bedreigingen een grote impact op aangeefster hebben gehad en nog steeds hebben.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 12 februari 2026, waaruit volgt dat verdachte in 2010 ook is veroordeeld voor huiselijk geweld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 15 augustus 2025, opgemaakt door GZ-psycholoog R.L. Paris. De psycholoog heeft – kort gezegd – gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en heeft de gedragskeuzemogelijkheden van verdachte enigszins beïnvloed. Een beperkt inlevingsvermogen, gebrekkige probleemoplossende vaardigheden, een beperkt zelfinzicht en een gebrek aan emotieregulatie spelen hierin een rol. Op basis van de geconstateerde problematiek wordt geadviseerd de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog en zal de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 11 maart 2026 . Hieruit volgt dat de reclassering, in geval van een veroordeling, adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld een meldplicht, ambulante behandeling, medewerking aan een schuldhulpverleningstraject en een contactverbod met aangeefster. Ook blijkt uit het advies dat verdachte meewerkt aan de in het kader van zijn schorsing opgelegde voorwaarden.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. De rechtbank ziet echter dat verdachte inmiddels een zeker besef heeft van het foute van zijn handelen en dat hij openstaat voor behandeling om herhaling in het vervolg te voorkomen en ook al met deze behandeling is begonnen. De rechtbank zal verdachte daarom een kans geven door aan hem een gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De rechtbank zal daarbij ‘als stok achter de deur’ een voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen. Door middel van dit voorwaardelijke strafdeel - en de behandeling die daaraan verbonden zal worden - wordt verdachte in de gelegenheid gesteld zijn problematiek onder ogen te zien en hiermee aan de slag te gaan, hetgeen de rechtbank van groot belang acht om een herhaling huiselijk geweldspatronen in de toekomst te voorkomen. Uit het reclasseringsrapport volgt namelijk dat het risico op geweld binnen een partnerrelatie als matig tot hoog wordt ingeschat. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat verdachte in een volgende partnerrelatie opnieuw een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een partner. Verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij op dit moment geen partner heeft. Om te kunnen bezien of de behandeling daadwerkelijk herhaling voorkomt vindt de rechtbank het daarom nodig een proeftijd van vijf jaar op te leggen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding naast het voorgaande een taakstraf op te leggen. Verdachte heeft voldoende structuur in zijn leven. Hij heeft een baan en hij werkt veel om schulden af te betalen. Daarnaast zal hij flink aan de bak moeten met de behandeling. Bovendien zal verdachte, zoals wordt besproken, een aanzienlijke schadevergoeding aan zijn ex-partner moeten betalen.
Alles afwegend acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte een gevangenisstraf van 300 dagen op te leggen, met aftrek van voorarrest, waarvan 257 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel – naast de algemene voorwaarden – de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarbij bepaalt de rechtbank ten aanzien van het contactverbod met aangeefster dat contact via een advocaat in het kader van familierechtelijke aangelegenheden is toegestaan. Als extra voorwaarde zal de rechtbank, in het belang van de kinderen, een gebiedsverbod opleggen binnen een straal van 500 meter rondom de basisschool van de kinderen van verdachte. Een straal van vijf kilometer, zoals door de officier van justitie is verzocht, acht de rechtbank disproportioneel, nu dit een aanzienlijk deel van Amsterdam zou beslaan. Het contactverbod en het gebiedsverbod zullen gelden voor de duur van twee jaar, nu de rechtbank geen aanleiding ziet om deze voor een langere periode te laten voortduren.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Aangeefster vordert als benadeelde partij een bedrag van € 25.933,52 aan vergoeding van materiële schade. Die schade bestaat volgens de benadeelde partij uit goederen die zijn vernield door verdachte, kosten van verschillende procedures waaronder een echtscheidingsprocedure en een procedure over het ouderlijk gezag, kosten van trainingssessies, verbruik van het eigen risico over 2025 en 2026 en gemiste inkomsten uit arbeid, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van € 84.375,- aan vergoeding van immateriële schade, vanwege de mishandelingen (€ 12.500,-), bedreigingen (€ 9.375,-) en geestelijk letsel (€ 62.500,-), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de schade en de tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade acht de officier van justitie voor de mishandeling een bedrag van € 5.500,- redelijk. Dit bedrag wordt met 25 procent verhoogd vanwege het opzet van verdachte, wat in totaal neerkomt op € 6.875,-. Voor de bedreigingen acht de officier van justitie een totaalbedrag van € 7.500,- redelijk. Wat betreft het geestelijk letsel acht de officier van justitie een bedrag van € 25.000,- redelijk.
8.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot vergoeding van schade, omdat de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces zou vormen.
Dit is anders voor de vordering tot immateriële schade voor de mishandelingen en bedreigingen. Op dat punt refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De benadeelde partij heeft op dit moment onvoldoende onderbouwd dat de goederen zijn vernield. Daarbij staat op dit moment onvoldoende vast dat sprake is van rechtstreekse schade als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. Ten aanzien van de kosten voor de procedures overweegt de rechtbank dat in die procedures in beginsel beslissingen worden genomen over de proceskosten. Er zijn geen bijkomstige omstandigheden gesteld die maken dat daarnaast een vergoeding voor overige kosten moet worden toegekend. Het toelaten van de benadeelde partij tot nadere onderbouwing en/of bewijslevering zou een onaanvaardbare belasting opleveren van het strafproces.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank neemt de bedragen die zijn genoemd in de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. De benadeelde partij heeft aan de mishandelingen door verdachte meerdere blauwe plekken, zwellingen, bloeduitstortingen, oppervlakkige wonden, een gescheurde oorlel en bobbelig kraakbeen aan de bewezen verklaarde mishandelingen overgehouden. De rechtbank merkt dit aan als licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden. De rechtbank acht daarom een bedrag van € 1.100,- per mishandeling redelijk, wat een bedrag van € 5.500,- rechtvaardigt. Omdat sprake was van opzet bij verdachte verhoogt de rechtbank dit bedrag met 25 procent, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 6.875,-. De rechtbank bepaalt dat dit toegewezen schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente (ongeveer) in het midden van de pleegperiode, op 1 mei 2020.
Voor de bedreigingen acht de rechtbank een bedrag van € 1.500,- per bedreiging redelijk, wat uitkomt op een totaalbedrag van € 7.500,-. Voor deze categorie wordt, conform de aanbevelingen van de Rechtspraak, geen verhoging wegens opzet toegepast. De rechtbank bepaalt dat dit toegewezen schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf (ongeveer) het midden van de pleegperiode, 1 juli 2022.
De rechtbank zal de benadeelde partij in het deel van de vordering dat ziet op geestelijk letsel niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit letsel onvoldoende concreet is onderbouwd. Nadere onderbouwing zou een onaanvaardbare belasting van het strafproces opleveren.
Alles overwegende acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van (€ 6.875,- + € 7.500,-) € 14.375,- passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
8.2.
De vorderingen van de benadeelde partijen [BP1] , [BP2] en [BP3]
De benadeelde partijen [BP1] , [BP2] en [BP3] zijn de kinderen van verdachte en aangeefster. Aangeefster vordert namens ieder van hen € 3.750,- aan vergoeding van immateriële schade wegens geestelijk letsel, waaronder PTSS, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [BP1] en [BP2] moeten worden toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-. Omdat het hier niet gaat om categorie C conform de Rotterdamse schaal, wordt in dit geval namelijk geen 25 procent bijgeteld vanwege opzet aan de kant van verdachte. De benadeelde partij [BP3] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, omdat er geen enkele documentatie beschikbaar is die het bestaan van geestelijk letsel ondersteunt.
8.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen in hun vorderingen tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De benadeelde partijen hebben het gestelde geestelijk letsel niet voldoende onderbouwd met concrete gegevens, in de vorm van bijvoorbeeld een rapportage van een deskundige. Hoewel de vorderingen een klinische score bevatten waaruit PTSS-symptomen blijken, is dit onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van geestelijk letsel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1 subsidiair, feit 2: telkens: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd
Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
driehonderd (300) dagen.
Bepaalt dat een groot deel daarvan, namelijk
tweehonderdzevenenvijftig (257)dagen,
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering zal worden gebracht.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
vijf (5) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de
proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
-
Meewerken traject
Veroordeelde werkt mee aan een hulpverleningstraject dat gericht is op het herstel met zijn kinderen. Dit houdt in dat veroordeelde zich aan de huisregels en aanwijzingen houdt die de hulpverlenende instanties geven. Dit traject duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
-
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] , zolang de reclassering het nodig acht. Uitzondering is contact via een advocaat in het kader van familierechtelijke aangelegenheden. Indien nodig blijkt dat onderling contact essentieel is in het belang van de kinderen toetst de reclassering in overleg met de hulpverlenende instanties of dit contact is toegestaan. Stelt hierbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
-
Gebiedsverbod
Veroordeelde zal zich niet ophouden binnen een straal van 500 meter rond bassischool van de kinderen van de veroordeelde, gevestigd aan de [straat] te Amsterdam. Stelt hierbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van
[slachtoffer]toe tot een bedrag van
€ 14.375,- (veertienduizend driehonderdvijfenzeventig euro).Het bedrag van €
6.875,- (zesduizend achthonderdvijfenzeventig euro)wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2020. Het bedrag van
€ 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro)wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2022. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan
[slachtoffer]voornoemd.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[slachtoffer]aan de Staat een bedrag van
€ 14.375,- (veertienduizend driehonderdvijfenzeventig euro)te betalen
.Het bedrag van €
6.875,- (zesduizend achthonderdvijfenzeventig euro)wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2020. Het bedrag van
€ 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro)wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2022. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
96 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart de benadeelde partij [BP1]
niet-ontvankelijkin zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [BP2]
niet-ontvankelijkin zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij [BP3]
niet-ontvankelijkin haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. B.C. Langendoen en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.
[…]
[…]
.