Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3535

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
13/248105-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14e SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met keukenmes tijdens ruzie tussen broers

Op 1 augustus 2024 stak verdachte tijdens een ruzie met zijn broer, het slachtoffer, herhaaldelijk met een keukenmes in diens bovenlichaam in hun gezamenlijke woning te Amsterdam. Het slachtoffer liep ernstige verwondingen op, waaronder een klaplong en inwendig peesletsel aan de vingers, met langdurige gevolgen.

Verdachte stelde dat het slachtoffer hem aanviel met het mes, maar de rechtbank achtte dit niet aannemelijk op basis van het letselrapport en de verklaringen. De rechtbank concludeerde dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op overlijden van het slachtoffer en veroordeelde hem voor poging tot doodslag.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en behandeling. Daarnaast werd een schadevergoeding van €12.566,32 toegewezen aan het slachtoffer, inclusief materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag met een keukenmes.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/248105-24
Datum uitspraak: 8 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [slachtoffer] en van wat door mr. R.M. Joppen, advocaat te Hilversum, namens hem, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich op 1 augustus 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
primair: poging tot doodslag op [slachtoffer] ;
subsidiair: het opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan [slachtoffer] ;
meer subsidiair: het pogen van het opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan [slachtoffer] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie kan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen kan worden, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] . De omstandigheden waaronder de steekverwondingen zijn aangebracht duiden namelijk eerder op een worsteling, dan op een gecontroleerde en doelgerichte poging om het slachtoffer om het leven te brengen.
Ook de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling kan volgens de raadsvrouw niet worden bewezen, omdat er - in juridische zin - geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en het letsel ook kan zijn ontstaan doordat beiden het mes tijdens de worsteling vasthielden. En ook hier geldt dat niet worden vastgesteld dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte. Om diezelfde reden dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting vast dat aangever op 1 augustus 2024, tijdens een ruzie met zijn broer, verdachte, in hun gezamenlijke woning, meerdere snij-/steekwonden in zijn bovenlichaam heeft opgelopen.
Aangever heeft verklaard dat verdachte, na een ruzie over een vest, agressief werd en een keukenmes pakte en hem daarmee meerdere malen in het bovenlichaam stak, onder meer in zijn linkerzij. Toen aangever het mes uit zijn lichaam probeerde te trekken, zette verdachte kracht om het er weer in te duwen, waardoor het mes meerdere malen in zijn bovenlichaam sneed en in tweeën brak. Aangever gooide het scherpe deel van het mes op de grond en rende naar de voordeur, waarna hij door verdachte met dat scherpe deel van het mes in zijn rug werd gestoken.
Verdachte heeft verklaard dat niet hij, maar aangever degene was die het mes heeft gepakt en verdachte daarmee heeft aangevallen. Hierna is een worsteling ontstaan waarbij het mes in het lichaam van aangever is terechtgekomen.
De rechtbank acht het scenario van verdachte niet aannemelijk en overweegt daarover het volgende.
Uit het letselrapport volgt dat aangever, naast snij- en/of steekwonden in zijn borst, schouderblad en linker bovenarm en zij, ook twee steekwonden op zijn rug had. De rechtbank acht niet aannemelijk dat aangever, die volgens verdachte het mes met twee handen vasthield, zichzelf tijdens een worsteling in de rug heeft gestoken. Deze wonden sluiten bovendien wel aan bij de verklaring van aangever, die heeft verklaard dat hij tijdens het wegrennen door verdachte in zijn rug werd gestoken.
Daarnaast was sprake van ernstig letsel aan de vingers van aangever, waaronder inwendig peesletsel. Dat past bij de verklaring van aangever dat hij geprobeerd heeft het mes dat door verdachte in zijn lijf was gestoken, eruit te trekken en dat zijn handen daarbij kapot zijn gegaan. Verdachte, die heeft verklaard dat juist hij het lemmet heeft vastgepakt om af te weren, heeft slechts een kleine snijwond aan zijn vinger opgelopen. Daar komt bij dat verdachte het in de verhoren slechts heeft over één enkele steekverwonding die bij aangever zou zijn ontstaan tijdens de worsteling, en geen verklaring geeft voor het aantal steekletsels dat bij aangever is geconstateerd. Dat maakt dat de rechtbank aansluit bij de verklaring van aangever, waaruit volgt dat verdachte, tijdens een ruzie over een vest, in de keuken een mes heeft gepakt en aangever daarmee meermalen in het lichaam heeft gestoken en toen aangever probeerde weg te rennen, hem nog in de rug heeft gestoken.
Bewezenverklaring poging tot doodslag
De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte de bedoeling had om aangever dood te maken (zg. vol opzet). Opzet op de dood kan echter volgens vaste rechtspraak ook bestaan als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood zal intreden (zg. voorwaardelijk opzet). De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte, het steken, de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever in het leven heeft geroepen, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij moet worden gekeken naar de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Verdachte heeft aangever met kracht meermalen met een keukenmes in het bovenlichaam gestoken. Uit het letselrapport blijkt dat één wond tot in de borstkas reikte en heeft geleid tot bloed in de borstkas. Daarnaast heeft aangever aan het steekincident een klaplong overgehouden. Dat verdachte met kracht heeft gestoken volgt ook uit het feit dat twee wonden in de bovenarm van aangever reikten tot het spierweefsel. De rechtbank is van oordeel dat het met kracht steken met een keukenmes in het bovenlichaam, waar zich vitale lichaamsdelen bevinden, een aanmerkelijke kans op de dood van aangever oplevert.
De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zou komen te overlijden. Dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever zou komen te overlijden door het steken, is een algemene ervaringsregel, zodat iedereen – en dus ook verdachte – geacht moet worden op de hoogte te zijn van dat risico.
De rechtbank concludeert dat bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 1 augustus 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven die [slachtoffer] meermalen met een (keuken)mes in het lichaam heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.Strafbaarheid van het feit

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 3 heeft overwogen acht zij de door verdachte aan dit beroep ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk. De rechtbank gaat er dus vanuit dat niet verdachte, maar aangever werd aangevallen met het mes. Het beroep op noodweer slaagt dan ook niet.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan
tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel
dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere
voorwaarden te worden gekoppeld.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op aangever, zijn broer, tijdens een ruzie in hun gezamenlijke woning, door aangever meermalen met een keukenmes in het bovenlichaam te steken. Aangever is daarbij flink gewond geraakt. Uit de verklaring van aangever, die namens hem op de terechtzitting is voorgedragen, volgt dat zijn herstel, met name aan zijn handen, gecompliceerd is verlopen en dat hij bijna twee jaar later nog steeds last heeft van het letsel en daarvoor moet worden geopereerd. Daarnaast kampt aangever nog steeds met angstgevoelens.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële
Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies over verdachte van 11 maart 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan diagnostiek en een ambulante behandeling.
De op te leggen straf
Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht het daarbij van belang dat een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd zodat de reclassering verdachte passende begeleiding kan bieden, dit mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarnaast als stok achter de deur en strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij

8.1.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 6.628,82 aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 21.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is als volgt samengesteld.
8.1.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volledige vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van de toekomstige medische kosten. Ten aanzien van dat onderdeel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Daarnaast dient aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht te worden opgelegd.
8.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak en subsidiair wegens het beroep op noodweer. Meer subsidiair heeft zij verzocht om de vordering geheel of grotendeels niet-ontvankelijk te verklaren, althans aanzienlijk te matigen.
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het eigen risico over 2024 niet in causaal verband staat tot het tenlastegelegde feit en dat het eigen risico over 2026 en de toekomstige medische kosten zien op onzekere toekomstige schade, waarvan de beoordeling bovendien een uitgebreide civielrechtelijke schadebegroting vereist.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het gevorderde bedrag onvoldoende is onderbouwd en te hoog is begroot, vanwege de optelsom van de afzonderlijke bedragen per letsel.
8.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering met betrekking tot het eigen risico over 2024 en 2026 is door de verdediging betwist. De rechtbank overweegt dat uit de vordering volgt dat het eigen risico van 2024 rechtstreeks verband houdt met het tenlastegelegde feit. Omdat de behandeling voor handtherapie inmiddels is begonnen kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade lijdt omdat hij zijn eigen risico over 2026 moet betalen. De vordering over 2025 is niet betwist. De rechtbank zal dan ook voor deze posten een bedrag van € 1.155,00 toewijzen.
De vorderingen voor de gemaakte medische kosten en taxikosten zijn niet betwist. De rechtbank zal een bedrag van € 65,72 aan medische kosten en een bedrag van € 408,10 aan taxikosten toewijzen.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten die zien op toekomstige medische kosten, conform het verzoek van de advocaat van de benadeelde partij en het verzoek van de raadsvrouw van verdachte.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal (€ 1.155,00 + € 65,72 + € 408,10 =) € 1.628,82, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering, 20 maart 2026. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van materiële schade.
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de immateriële schade is op de terechtzitting betwist. De rechtbank overweegt als volgt.
De benadeelde partij heeft ernstig letsel aan zijn handen en vingers opgelopen, waarvoor meerdere operaties noodzakelijk zijn geweest en de functie in beide pinken nog steeds niet volledig is hersteld. Niet duidelijk is of sprake zal zijn van blijvend letsel. Gelet op de aard en ernst van dit letsel acht de rechtbank een bedrag van € 6.000,- billijk.
De benadeelde partij heeft daarnaast meerdere littekens op het bovenlichaam overgehouden aan het steekincident. De rechtbank gaat daarbij uit van categorie c. Voor dit littekenletsel acht de rechtbank een bedrag van € 3.500,- redelijk, waarbij het letsel voor 50% wordt meegewogen, wat neerkomt op een bedrag van € 1.750,-.
Verder heeft de benadeelde partij als gevolg van het steekincident een bloeding in de borstkas en angstklachten opgelopen. Dat de angstklachten te kwalificeren zijn als geestelijk letsel kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank acht voor deze posten tezamen een bedrag van € 1.000,- redelijk en billijk.
De uiterst verwijtbare gedraging van verdachte leidt tot een verhoging van 25%, wat neerkomt op een bedrag van € 2.187,50.
Alles overwegende zal de rechtbank een immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 10.937,50 toewijzen. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank zal bepalen dat het toegewezen schadebedrag voor immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2024.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal verder de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14e, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat
8 (acht) maandenvan deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering ( [adres] ), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Diagnostiek en ambulante behandeling
Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Family Supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van
[slachtoffer]toe tot een bedrag van
€ 12.566,32 (twaalfduizend vijfhonderdzesenzestig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.628,82 vanaf 20 maart 2026 en over € 10.937,50 vanaf 1 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan
[slachtoffer]voornoemd.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van
[slachtoffer]aan de Staat een bedrag van
€ 12.566,32 (twaalfduizend vijfhonderdzesenzestig euro en tweeëndertig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.628,82 vanaf 20 maart 2026 en over € 10.937,50 vanaf 1 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
87 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.
[…]
.