Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3519

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/13/763040 / HA ZA 25-111
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:756 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:272 BWArt. 3:69 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst stoomkoppelleiding wegens ontwerpwijzigingen en uitvoeringstekorten

Hanab en AEB sloten in 2022 een aannemingsovereenkomst voor constructie- en installatiewerkzaamheden aan een stoomkoppelleiding. Na conflicten over meerwerk en uitvoering staakte Hanab in februari 2023 de werkzaamheden vanwege het ontbreken van een positieve ontwerpbeoordeling door Lloyds. In februari 2024 maakten partijen nadere afspraken, waaronder dat Hanab het werk zou uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp en zonder verstoringen.

In de loop van 2024 ontstonden nieuwe problemen: een fabrieksstop die ongestoord werken belemmerde en nieuwe clashes tussen het ontwerp en bestaande installaties die een ontwerpwijziging vereisten. Hanab stelde dat AEB hiervoor verantwoordelijk was en dat uitvoering conform het goedgekeurde ontwerp onmogelijk was. AEB betwistte dit en stelde dat Hanab tekort was geschoten door het werk niet te voltooien en onvoldoende documentatie te verstrekken.

De rechtbank oordeelde dat de onderhoudsstop geen grond was voor ontbinding, maar dat de nieuwe clashes en de noodzaak tot ontwerpwijziging wel een omstandigheid vormden die Hanab niet kon worden toegerekend. Omdat de ontwerpverantwoordelijkheid bij AEB lag, was ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 7:756 lid 2 BW Pro gerechtvaardigd. AEB moet Hanab betalen voor de reeds uitgevoerde werkzaamheden, gelijk aan 50% van de oorspronkelijke aanneemsom, terwijl de overige vorderingen van AEB werden afgewezen.

De rechtbank wees tevens de proceskosten toe aan Hanab en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt de aannemingsovereenkomst en veroordeelt AEB tot betaling van de helft van de aanneemsom aan Hanab.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763040 / HA ZA 25-111
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VISSER & SMIT HANAB B.V., thans genaamd
HANAB PROJECTS B.V.
gevestigd te Papendrecht,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Hanab,
advocaat: mr. R.J. van Agteren,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AEB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: AEB,
advocaat: mr. J. Bedaux.

1.De zaak in het kort

1.1.
Hanab is met AEB in 2022 een aannemingsovereenkomst aangegaan voor het uitvoeren van constructie- en installatiewerkzaamheden van een stoomkoppelleiding in een fabriek van AEB. Partijen zijn vervolgens in discussie geraakt over onder andere meerwerk en hebben hier op een later moment in 2024 nadere afspraken over gemaakt. Volgens Hanab zijn daarna twee nieuwe kinken in de kabel ontstaan. Hanab stelt dat zij niet ongestoord in de fabriek kon werken en dat zij de werkzaamheden niet volgens het goedgekeurde ontwerp kon uitvoeren. Hanab heeft de werkzaamheden gestaakt en vordert in deze procedure onder meer dat de overeenkomst met AEB wordt ontbonden en AEB wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding voor de door haar gemaakte kosten.
1.2.
AEB vindt dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst of nadere afspraken, maar dat juist Hanab niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, doordat zij van het werk is weggelopen en het werk niet heeft voltooid. Zij vordert dat voor recht wordt verklaard dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarnaast vordert zij in het verlengde daarvan betaling van een contractuele boete voor het niet tijdig opleveren van het werk en een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de door AEB geleden schade.
1.3.
De rechtbank ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst, waaronder de nadere afspraken, en bepaalt dat AEB de helft van de oorspronkelijke aanneemsom aan Hanab moet betalen voor de verrichte werkzaamheden. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank deze beslissingen uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 januari 2025,
- de akte overlegging producties van Hanab, met producties,
- de brief van mr. Van Agteren van 30 januari 2025, met bijlagen, waarin is verzocht om de bijlagen toe te voegen aan de akte overlegging producties van Hanab,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken, alsmede de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden.

3.De feiten

3.1.
Hanab is een onderneming die actief is in (onder meer) de bovengrondse en ondergrondse leiding- en kabelinfrastructuur. Hanab was onderdeel van het VolkerWessels concern en was voorheen genaamd Visser & Smit Hanab B.V. (hierna: V&SH).
3.2.
AEB is het Afval Energie Bedrijf. AEB verbrandt afval en wekt daar, kort gezegd, energie mee op. AEB is voortgekomen uit (oorspronkelijk) de Dienst Stadsreiniging van de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam is de aandeelhouder van AEB.
3.3.
In 2021 heeft AEB een aanbesteding uitgeschreven voor het sluiten van een overeenkomst voor een 'Stoomkoppelleiding AEC/HRC', meer specifiek het uitvoeren van constructie- en installatiewerkzaamheden van een stoomkoppelleiding voor het koppelen van de Afval Energie Centrale (AEC) met de Hoog Rendement Centrale (HRC) van AEB.
3.4.
Op basis van de inschrijving van Hanab is de aanbesteding aan Hanab gegund. Partijen hebben vervolgens op 31 januari 2022 de Projectovereenkomst Stoomkoppelleiding AEC/HRC gesloten (hierna: de Overeenkomst). In de Overeenkomst staat een aanneemsom van € 1.425.520,00 exclusief 21% btw. Overige bepalingen van de Overeenkomst die (onder meer) van belang zijn luiden als volgt:
Artikel 2 – Prijs
(...)
2.5.
Opdrachtnemer dient een bankgarantie van 50% te (…) stellen 1 week na het ondertekenen van de Overeenkomst met als vervaldatum 31 december 2022, de voorlopige datum mechanical complete conform Bijlage 3 level 3 planning van Opdrachtnemer. (…)
Artikel 3 – Toezicht en directievoering
3.1.
Het werk zal worden uitgevoerd onder directie van Opdrachtgever zoals bepaald in paragraaf 3 van de UAV 2012. (…)
Artikel 4 – Voorbereiding en waarschuwingsplicht
4.1.
Gedurende de aanbesteding is Opdrachtnemer in kennis gesteld van alle voor de realisatie van het Werk beschikbaar gestelde aanbestedingsdocumenten en informatie, zoals vermeld in artikel 1.2 van deze Projectovereenkomst. Opdrachtnemer heeft kennis kunnen nemen van voornoemde documenten en is door Opdrachtgever in de gelegenheid gesteld gedurende de aanbestedingsprocedure hierover vragen te stellen, opmerkingen te maken en Opdrachtgever te waarschuwen voor alle tekortkomingen in, of voortvloeiend uit de documenten ten behoeve van de realisatie van het Werk.
4.2.
Opdrachtnemer bevestigt dat hij de door haar gekozen oplossingen en werkwijzen, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering en de uitvoeringsorganisatie, geschikt acht om het Werk volgens de vereiste kwaliteit en binnen de overeengekomen tijd te realiseren.
4.3.
Als in de omschrijving van het Werk iets ontbreekt, waarvan Opdrachtnemer redelijkerwijs had behoren te weten dat dit zou behoren tot de te verrichten werkzaamheden en/of leveringen welke noodzakelijk blijken voor de Opdrachtgever om het Werk te kunnen opnemen en/of goedkeuren, dan is Opdrachtnemer verplicht dit onverwijld aan Opdrachtgever te melden en uit te voeren, al ware het in de aanbestedingsdocumenten woordelijk omschreven, zonder daarvoor extra betalingen te kunnen verlangen.
4.4.
Opdrachtnemer zal tegen Opdrachtgever geen recht op schadevergoeding of enig ander recht kunnen doen gelden voor vertraging of verandering van werken of werkzaamheden, ontstaan door geschillen tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer en diens Onderaannemers, tenzij Opdrachtnemer aantoont dat Opdrachtgever ter zake een verwijt te maken valt. (…)
Artikel 6 – Planning, vertraging en boete
6.1. (...)
De Level 4 planning zal Opdrachtnemer uiterlijk op 28 februari 2022 verstrekken.
Indien Opdrachtnemer nalaat de Level 4 planning te verstrekken zal de Level 3 planning van 11 oktober 2021 bepalend zijn voor de mijlpalen en doorlooptijd in weken zoals opgenomen in art. 6.2.
6.2.
Het Project kent een aantal kritische mijlpalen:
Datum mijlpaal
Omschrijving mijlpaal
28 juni 2022 of Conform Level 4 planning
Het starten van werkzaamheden op locatie, en het verzekeren van tijdige levering van de door Opdrachtnemer te leveren Goederen.
26 september 2022 of Conform Level 4 planning
Montagewerkzaamheden Opdrachtnemer gereed (Mechanical Completion, start koude inbedrijfstelling)
Het tijdvak waarbinnen de montage-werkzaamheden van Opdrachtnemer dienen te worden afgerond bedraagt 13 aaneengesloten kalenderweken, gerekend vanaf de datum dat alle (…) te leveren Goederen aanwezig zijn op locatie (mijlpaal 1). (…)
6.4.
Opdrachtgever is gerechtigd omschadevergoedingte ontvangen wanneer er sprake is van een uitloop of uitstelperiode van de realisatie van het Werk, waarbij de vigerende planning niet wordt nagekomen door de Opdrachtnemer. De schadevergoeding bedraagt 0,5% per dag dat de planning overschreden wordt met een maximum van 10% van de totale Aanneemsom. Opdrachtnemer zal tegen Opdrachtgever geen recht op schadevergoeding of enig ander recht kunnen doen gelden voor vertraging of verandering van werken of werkzaamheden, tenzij Opdrachtnemer aantoont dat Opdrachtgever ter zake een verwijt te maken valt. (…)
Artikel 10 – Meer- en minderwerk
10.1.
Meer- en minderwerk mogen niet eerder uitgevoerd worden dan na voorafgaande schriftelijke goedkeuring door Opdrachtgever. De kosten voor eventueel meerwerk worden na de Goedkeuring van het Werk verrekend, evenals de aftrekposten voor eventueel minderwerk.
10.2.
Eventuele fouten en/of onvolledigheden in de aanbestedingsdocumenten, zoals tekeningen en overige contract documenten, waaraan Opdrachtnemer tijdens de aanbesteding kennis van heeft kunnen nemen en waarvoor redelijkerwijs geldt dat Opdrachtnemer deze had kunnen voorkomen of hiervoor had kunnen waarschuwen, geven geen aanspraak op meerwerk. (…)
Artikel 13 – Tussentijdse beëindiging van de Projectovereenkomst
(…)
13.3
Indien deze Projectovereenkomst eindigt, ongeacht de reden ervan, is Opdrachtgever gerechtigd van alle documenten, ontwerpen, berekeningen en tekeningen c.a., voor zover die aan Opdrachtnemer zouden toebehoren, naar goeddunken gebruik te maken en deze aan derden ter beschikking te stellen (…) Opdrachtnemer zal zodanige documenten, ontwerpen, berekeningen en tekeningen c.a. op eerste verzoek aan Opdrachtgever overhandigen. (…)
Artikel 19 Verantwoordelijkheden Pro voor de CE-goedkeuring
19.1.
In aanvulling op de antwoorden op vraag 109,112 en 135 uit de nota van inlichtingen is de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de CE-goedkeuring als volgt overeengekomen:
• Opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwerp van het Werk. Alle documenten die tezamen het ontwerp hierna - Ontwerpdocumenten vormen stelt Opdrachtgever beschikbaar aan Opdrachtnemer.
• Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van alle documenten die voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn, hierna – Uitvoeringsdocumenten.
• Opdrachtnemer dient de Ontwerpdocumenten tezamen met de Uitvoeringsdocumenten in bij Lloyds als een Design Appraisal Document.
• Opdrachtgever draagt de kosten voor de beoordelingen van Lloyds. Indien een herbeoordeling nodig is als gevolg van een ommissie in de Uitvoeringsdocumenten draagt Opdrachtnemer de kosten voor de herbeoordeling.
• Indien Lloyds aanpassingen aan het ontwerp voorschrijft dient Opdrachtnemer de gevolgen daarvan te kwantificeren en onderbouwd met een openbegroting te verstrekken aan Opdrachtgever.
• Opdrachtgever draagt de kosten voor de aanpassingen die nodig zijn om te voldoen aan de voorwaarden om de CE-keuring te verkrijgen.
• Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor de coördinatie met Lloyds tot commissioning het CE-pakket van de uitvoering het samenvoegen van de Ontwerpdocumenten en de Uitvoeringsdocumenten.
Artikel 20 – Slotbepalingen
20.1
Afwijkingen van deze Projectovereenkomst (…) zijn slechts bindend voor zover zij uitdrukkelijk tussen Partijen schriftelijk zijn overeengekomen.”
3.5.
Op de Overeenkomst zijn de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 van toepassing (hierna: UAV 2012), voor zover daar in de Overeenkomst niet nadrukkelijk van wordt afgeweken. Een hier van belang zijnde bepaling van de UAV 2012 luidt als volgt:
“§ 36 lid 4 Bestekswijzigingen worden verrekend tegen bedragen of prijzen die vóór de uitvoering van die wijzigingen of, indien hun aard dit belet, zo spoedig mogelijk tussen de opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen. Indien de directie overweegt om een bestekswijziging aan te brengen en daartoe de aannemer verzoekt een prijsaanbieding te doen, plegen de directie en de aannemer op verzoek van de aannemer tevoren overleg omtrent de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, de aannemer aanspraak zal kunnen maken op een redelijke vergoeding van de aan het doen van de prijsaanbieding verbonden kosten.”
3.6.
Voordat de aanbesteding aan Hanab is gegund, heeft AEB in een Nota van Inlichtingen vragen over de aanbesteding van reflecterende marktpartijen beantwoord. Daarin staat, voor zover relevant, het volgende:
“28.Vraag:(…) Het bepaalde inzake het waarschuwen voor alle tekortkomingen (zijnde onjuistheden, onduidelijkheden, tegenstrijdigheden of anderszins onvolkomenheden) in de aanbestedingsdocumenten en verder door u verstrekte informatie gaat verder dan de wet op dit punt lijkt toe te staan. De inschrijver wordt bij wet geacht tijdens de precontractuele fase te waarschuwen voor kennelijke tekortkomingen, dus zaken die een vakman in het kader van het prijzen van een bestek direct zouden moeten opvallen. Hij hoeft de aanbestedingstukken niet diepgaand te onderzoeken op mogelijke fouten. Wij menen dat u met alle tekortkomingen heeft bedoeld ‘kennelijke onvolkomenheden, onjuistheden en onrechtmatigheden voor zover de inschrijver deze binnen de door hem gegunde tijd redelijkerwijze had kunnen ontdekken’. Is onze aanname juist? Graag aangeven wat van toepassing is
Antwoord: Uw aanname is niet juist. Aanbestedende dienst past het artikel niet aan. De werking van het artikel bestaat binnen de wettelijke kaders. Zie artikel 7:754 BW Pro.
Onderstaande factoren zijn van belang of u als Inschrijver had kunnen of moeten weten van de eventuele fout.
- de (gepretendeerde) deskundigheid van de aannemer of de opdrachtgever;
- de ernst van de fout;
- de zichtbaarheid van de fout (…);
- de mate waarin het ontwerp (de constructie) vanzelfsprekend is;
- de tijd die de aannemer voor toetsing beschikbaar heeft voordat tot uitvoering wordt
overgegaan. (…)
29.Vraag:(…) We gaan ervan uit dat de door inschrijver gekozen werkwijzen /oplossingen betreft?
Zo nee, indien het echter de keuzes van AEB betreft, is dit niet akkoord, wij zijn niet
verantwoordelijk voor het ontwerp, enkel voor de uitvoering met in achtneming van onze waarschuwingsplicht.
Antwoord:Aanbestedende dienst bevestigd dat u verantwoordelijk bent voor uw oplossingen, met
inachtneming van uw waarschuwingsplicht ten aanzien van onjuistheden in het Bestek.
Aanbestedende dienst is verantwoordelijk voor het Bestek zoals dat is verstrekt bij publicatie. (…)
30.Vraag:Art 4.3 Indirect wordt bepaald dat mogelijke tegenstrijdigheden tussen documenten die tijdens de uitvoering worden geconstateerd geen recht geven op verrekening van meer- en minderwerk. Inschrijver acht dit disproportioneel. Die tegenstrijdigheden zitten namelijk in voor rekening en risico van opdrachtgever opgestelde documenten, met onder andere documenten die Inschrijver in het kader van het opstellen van haar inschrijving niet vergaand inhoudelijk kan controleren en om die reden niet kan verdisconteren in haar inschrijfsom. Wij verzoeken u deze bepaling te schrappen en in lijn te houden met de UAV 2012.
Antwoord:Aanbestedende dienst stemt hier niet mee in, zie het toetsingskader bij de beantwoording van vraag 28. Artikel 4.3 stelt:
Als in de omschrijving van het Werk iets ontbreekt, waarvan Opdrachtnemerredelijkerwijshad behoren te weten dat dit zou behoren tot de te verrichten werkzaamheden en/of leveringen welke noodzakelijk blijken voor de Opdrachtgever om het Werk te kunnen opnemen en/of goedkeuren, dan is Opdrachtnemer verplicht dit onverwijld aan Opdrachtgever te melden en uit te voeren, al ware het in de aanbestedingsdocumenten woordelijk omschreven, zonder daarvoor extra betalingen te kunnen verlangen.
De nuance ‘redelijkerwijs’ hangt af van het toetsingskader zoals opgenomen in vraag 28.
Aanbestedende dienst stelt zich op het standpunt dat hetnietdisproportioneel is een beroep te doen op uw kennis en ervaring voorzover u dat “redelijkerwijs had behoren te weten”. (…)
136.Vraag:Onder de werkzaamheden van Opdrachtnemer wordt gebracht: ‘Alle overige benodigde engineeringswerkzaamheden om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen uitvoeren’. Dit is onvoldoende expliciet om te kunnen accepteren voor Opdrachtnemer. De werkzaamheden van Opdrachtnemer moeten voldoende expliciet en concreet worden omschreven zodat Opdrachtnemer haar prijs hierop kan baseren. Daarnaast dient het volledige ontwerp aangeleverd te worden door Opdrachtgever. Opdrachtnemer verzoekt om deze zin uit het bestek te verwijderen.
Antwoord:Aanbestedende dienst stemt daar niet mee in. Het is aan de Opdrachtnemer om te bepalen wat zij – op basis van de door Opdrachtgever geleverde documenten – nog aan werk moeten doen ten behoeve van de uitvoeringsdocumenten. (…)
138.Vraag:in de ontvangen 3D modellen zijn enkele clashes geconstateerd tussen leidingen en bestaande staalconstructie. Worden deze clashes (en eventuele andere nog te ontdekken) door Opdrachtgever aangepast zodat er een “AFC” isometrieen pakket is bij het begin van de uitvoering?
Antwoord: Opdrachtnemer dient waar conflicten zijn met bestaande installatiedelen, deze in het werk op te lossen. Dit wordt met het meerwerk afgerekend. In bijgevoegde bijlagen zijn de conflicten weergegeven die in het 3d model zichtbaar zijn. Niet alle conflicten zijn bekend bij Aanbestedende dienst. Hieronder enkele conflicten.
• Het meerdendeel van de conflicten betreft kabelgoten, ten behoeve van TL-verlichting en
leuningwerk. Dat moet op locatie worden aangepast.
• Dan een clash met de wand van de voormalige drugslift AEC. Deze balk kan worden ingenomen.
• Het vloerluik bij de HRC dient losgenomen te worden om plaatsing stoomleiding mogelijk te maken. Na plaatsing dient Opdrachtnemer dit passend te maken. (…)”
3.7.
Op 29 maart 2022 hebben partijen een addendum bij de Overeenkomst gesloten, waarin is bepaald dat Hanab uiterlijk op 8 april 2022 een Level 4 planning zal verstrekken. Verder is de eerste mijlpaal verschoven naar ‘28 september 2022 of Conform Level 4 planning’ en de tweede mijlpaal naar ‘26 december 2022 of Conform Level 4 planning’. In het addendum is, voor zover hier van belang, het volgende in aanmerking genomen:
“b) Opdrachtgever heeft besloten de ontwerpcapaciteit van de condensaatretourleiding te verhogen;
c) Opdrachtgever de uitwerking van de capaciteitsverhoging hiervan medio maart zal verstrekken;
d) Opdrachtgever hiertoe een separate bestekswijziging op de Overeenkomst zal verstrekken aan Opdrachtnemer;
e) Opdrachtnemer de voornoemde bestekswijziging aanbiedt conform Art. 10 – Meer- en minderwerk;
f) Opdrachtnemer ingevolge artikel 6.1 een level 4 planning dient te verstrekken op 28 februari 2022;
g) Opdrachtnemer vanwege de voornoemde aanpassing in sub b, geen level 4 planning kan verstrekken; (…)”
3.8.
Op 21 april 2022 heeft AEB de hiervoor in 3.7 onder d) vermelde bestekswijziging ingediend bij Hanab en een offerte gevraagd voor het meer- en minderwerk in verband met deze scope wijziging. Hanab heeft op 9 november 2022 een gespecificeerde meerwerkaanbieding gedaan. AEB heeft deze meerwerkaanbieding niet aanvaard.
3.9.
Op 3 juni 2022 heeft Hanab (conform artikel 2.5 van de Overeenkomst) een bankgarantie gesteld waarbij BNP Paribas S.A. zich tegenover AEB borg stelt voor de juiste nakoming door Hanab van haar verplichtingen voortvloeiend uit de Overeenkomst, tot een bedrag van € 712.760,-. De bankgarantie was aanvankelijk geldig tot 31 december 2022. De geldigheidsduur is op 30 juni 2023 verlengd tot 31 december 2023 en op 12 december 2023 verlengd tot 31 juli 2024.
3.10.
AEB heeft voor het opstellen van de Ontwerpdocumenten als bedoeld in artikel 19.1 van de Overeenkomst een derde partij ingeschakeld, te weten IV-Industrie B.V. (hierna: IV-Industrie).
3.11.
Op 20 juni 2022 heeft AEB ‘definitieve ontwerptekeningen’ aan Hanab gezonden. Daarna heeft IV-Industrie nog aanvullende documenten/informatie, waaronder pipe-stressberekeningen, aan Hanab gezonden. Hanab heeft vervolgens de Uitvoeringsdocumenten als bedoeld in artikel 19.1 van de Overeenkomst opgesteld en op 4 november 2022 Lloyds verzocht om een offerte voor de beoordeling van het ontwerp, welke offerte zij op 22 december 2022 heeft ontvangen. Hanab heeft nadien een aantal technische vragen aan AEB/IV-Industrie gesteld over het ontwerp.
3.12.
Eind november 2022 is Hanab gestart met de werkzaamheden op locatie en heeft AEB 50% van de aanneemsom voldaan.
3.13.
Op 13 februari 2023 heeft Hanab haar werkzaamheden op locatie gestaakt omdat er geen positieve ontwerpbeoordeling door Lloyds was.
3.14.
Op 16 februari 2023 heeft AEB aan Hanab bericht dat de schoen wringt op het punt dat Hanab, door bij oplevering een CE-verklaring af te geven, zich impliciet akkoord verklaart met het door IV-Industrie in opdracht van AEB opgestelde technische ontwerp. AEB heeft als oplossing voorgesteld dat Hanab alsnog met terugwerkende kracht de verantwoordelijkheid neemt over het ontwerp. Zij heeft Hanab verzocht om een voorstel op welke wijze een CE-verklaring voor de stoomkoppelleiding kan worden afgegeven.
3.15.
Op 9 maart 2023 heeft een overleg tussen partijen plaatsgevonden. Uit de notulen van dit overleg volgt onder andere dat Hanab ermee akkoord gaat dat zij voor ‘de PED module G stoomleiding’ als fabrikant een CE-verklaring kan afgeven, onder de voorwaarde dat als daartoe delen van het (ontwerp)werk opnieuw door Hanab moeten worden uitgevoerd en/of een (specifieke) verificatieprocedure doorlopen moet worden, dit dan door AEB wordt geaccepteerd. Verder is hierin vermeld dat zonder akkoord van Lloyds niet kan worden gestart met de werkzaamheden en dat partijen het erover eens zijn dat er geen technische onduidelijkheden meer mogen zijn. Afgesproken is onder meer dat AEB een meeting met IV-Industrie zal inplannen om de door Hanab gestelde technische vragen te beantwoorden. Hanab heeft tijdens dit overleg ook aangegeven een afspraak te willen plannen om de commerciële onderwerpen, waaronder de openstaande meerwerk items, op te lossen.
3.16.
Op 31 maart 2023 heeft IV-Industrie wijzigingen in de pipe-stressrapportages aan Hanab gezonden.
3.17.
Op 16 mei 2023 heeft Hanab aan AEB laten weten dat zij bepaalde werkzaamheden, waaronder het toetsen van de Isometrics ten opzichte van het 3D model, zal uitvoeren om ervoor te zorgen dat het ontwerp in orde is voordat een CE-markering wordt afgegeven. Ook heeft Hanab gevraagd of AEB kan aangeven dat de reactiekrachten op het bestaande systeem acceptabel zijn.
3.18.
Op 15 juni 2023 heeft Hanab aan AEB bericht dat het pakket is gedeeld met LRQA (de rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld: Lloyds), dat naar verwachting Hanab’s deel van het werk akkoord zal worden bevonden, dat de vraag van de reactiekrachten nog uitstaat bij AEB en dat deze reactiekrachten nodig zijn om het ontwerp definitief te maken en goedkeuring van LRQA te krijgen. In dezelfde e-mail heeft Hanab aangegeven graag een overleg te willen plannen om de meer- en minderwerken te bespreken.
3.19.
Bij brief van 20 juni 2023 heeft Hanab aan AEB bericht dat er na het overeenkomen van het addendum op verschillende momenten aanvullende bestekswijzigingen zijn opgedragen door AEB en dat AEB pas op 31 maart 2023 de noodzakelijke informatie (pipe-stressrapportages) ten behoeve van de CE-certificering compleet beschikbaar heeft gesteld, zodat Hanab pas sinds die datum het CE-certificeringsproces definitief in gang heeft kunnen zetten. Hanab heeft voorgesteld om te komen tot een financiële eindafrekening en nieuwe condities overeen te komen om het restant van het project af te ronden.
3.20.
In reactie daarop heeft AEB bij brief van 22 juni 2023 aan Hanab geantwoord dat zij op grond van de overeenkomst bevoegd is bestekswijzigingen door te voeren en de pipe-stressberekeningen niet eerder zijn verstrekt omdat Hanab daar niet eerder om heeft verzocht. AEB heeft aangegeven geen aanleiding te zien om nieuwe condities overeen te komen en voorgesteld overleg te voeren ter afronding van de gesprekken over het meerwerk. Ook heeft AEB Hanab verzocht om een nieuwe Level 4 planning op te stellen in overleg met het projectteam.
3.21.
Partijen hebben daarna meermaals overleg gevoerd en over en weer gecorrespondeerd over een aantal geschilpunten, waaronder de door AEB doorgevoerde ontwerpwijzigingen, het CE-certificeringstraject, de prijsstelling, meer- en minderwerken en de door Hanab gemaakte kosten. Partijen hebben bijvoorbeeld op 6 juli 2023 een meerwerkoverzicht van Hanab van in totaal € 438.778,08 besproken.
3.22.
Bij brief van 20 november 2023 heeft Hanab aan AEB laten weten dat zij de Overeenkomst (gedeeltelijk) ontbindt en AEB aansprakelijk stelt voor de door Hanab geleden (vertragings)schade en gemaakte kosten. Hanab heeft daarvoor onder andere de volgende redenen opgegeven. Hanab heeft geconstateerd dat sprake was van diverse tegenstrijdigheden in het ontwerp van AEB dan wel door of namens AEB verstrekte informatie en dat het ontwerp en de specificaties onvolledig waren. Verder kon het proces van certificering pas na 31 maart 2023 in gang worden gezet, omdat toen de laatste informatie van IV-Industrie is ontvangen. Hanab heeft conform de gemaakte afspraken in het addendum een meerwerkaanbieding aan AEB gedaan gerelateerd aan de doorgevoerde bestekswijziging en inmiddels is het gewijzigde ontwerp gecertificeerd, maar AEB heeft deze meerwerkaanbieding niet geaccepteerd, zodat het werk niet kan worden uitgevoerd. Hanab heeft daarbij toegelicht dat het niet mogelijk is om terug te vallen op de originele scope op basis waarvan de Overeenkomst is gesloten, omdat hiervoor geen gecertificeerd ontwerp bestaat, zodat geen uitvoering kan worden gegeven aan de Overeenkomst. Hanab heeft laten weten dat als AEB nalaat om binnen twee weken een gecertificeerd ontwerp aan te leveren dat voldoet aan de Overeenkomst, zij de Overeenkomst gedeeltelijk (voor de toekomst) ontbindt. Verder heeft Hanab erop gewezen dat AEB vanwege de gedeeltelijke ontbinding geen rechten meer kan ontlenen aan de door Hanab verstrekte bankgarantie, waarbij zij AEB heeft verzocht om de bankgarantie te retourneren.
3.23.
Bij brief van 27 november 2023 heeft AEB daarop gereageerd. Daarin heeft zij onder meer het standpunt ingenomen dat Hanab nalaat haar contractuele verplichting te vervullen doordat zij het werk niet op 1 juni 2023 heeft opgeleverd vanwege het niet nakomen van haar verplichtingen inzake de CE-goedkeuring en doordat zij geen herziene Level 4 planning heeft verstrekt. AEB heeft verder toegelicht dat zij inzichtelijk heeft gemaakt voor welk meerwerk opdracht is gegeven en wat de status en beoordeling van AEB is, maar dat zij hierop van Hanab geen reactie heeft ontvangen. AEB heeft het standpunt ingenomen dat Hanab het ingediende meerwerk niet heeft onderbouwd en niet heeft gespecificeerd waarom dit meerwerk betreft en afwijkt van de scope van de Overeenkomst en de vaste aanneemsom, zodat AEB dit niet kan beoordelen. Verder heeft AEB benoemd dat de vertraging in verband met de CE-verklaring in het domein van Hanab ligt. AEB heeft laten weten bereid te zijn in gesprek te gaan over de prijs van het meerwerk. Ook heeft AEB laten weten dat voor zover Hanab bij de ontbinding blijft, zij haar eerdere standpunt handhaaft dat Hanab zelf in verzuim verkeert en AEB hierdoor schade lijdt. AEB heeft Hanab gesommeerd om het meer- en minderwerk inzichtelijk te maken, zodat partijen hierover in overleg kunnen treden. Daarnaast heeft AEB Hanab erop gewezen dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, zij de bankgarantie zal inroepen.
3.24.
Bij e-mail van 1 december 2023 is Hanab ingegaan op de uitnodiging van AEB om via overleg alsnog tot overeenstemming te komen. Bij e-mail van 7 december 2023 heeft Hanab de onderbouwing van zowel het meerwerk als de inefficiëntie/vertragingskosten aan AEB gezonden.
3.25.
Bij e-mail van 13 december 2023 heeft AEB: (i) de herziene planning met een opleverdatum van 14 juni 2024 akkoord bevonden, (ii) het meerwerk ter grootte van € 438.778,08 volgens het overzicht van 6 juli 20223 – hoewel dit volgens haar niet nader is onderbouwd – onder protest geaccepteerd, en (iii) de inefficiëntiekosten – bij gebrek aan duidelijkheid – niet geaccepteerd.
3.26.
Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over een mogelijke oplossing. AEB was bereid een bedrag van € 2,4 miljoen te betalen voor alle werkzaamheden tegen finale kwijting en Hanab was bereid alle werkzaamheden te verrichten voor € 2,65 miljoen tegen finale kwijting. Hanab heeft op 7 februari 2024 voorgesteld het verschil te delen (hetgeen neerkomt op € 2,525 miljoen). AEB heeft echter bij brief van 16 februari 2024 Hanab gesommeerd om uiterlijk 23 februari 2024 te bevestigen dat zij uitvoering zal geven aan de Overeenkomst en uiterlijk op 19 juli 2024 het werk zal opleveren.
3.27.
Na nader overleg heeft Hanab op 19 februari 2024 mondeling het aanbod van AEB om het werk voor (in totaal) € 2,4 miljoen af te maken met een opleverdatum van 26 juli 2024 geaccepteerd. Bij e-mail van 21 februari 2024 heeft Hanab dit schriftelijk bevestigd. Bij e-mail van dezelfde dag heeft AEB vervolgens de acceptatie van het aanbod afgewezen omdat het aanbod al vervallen was en een nieuw aanbod gedaan voor een totale aanneemsom van € 1,9 miljoen.
3.28.
Bij e-mail van 28 februari 2024 heeft de heer Wevers namens Hanab het volgende aan AEB geschreven:
“Wij zijn van mening dat het niet in belang van beider partijen is om ellenlange procedures te voeren en hebben besloten akkoord te gaan met het voorstel van AEB waarbij:
• AEB in ieder geval 1,9 mio aan V&SH betaald (zijnde de aanneemsom en het in december 2023 (door AEB) goedgekeurde meerwerk);
• VS&H de werkzaamheden zonder verstoring door AEB zal hervatten, uitvoeren conform het ontwerp waarop Lloyds haar goedkeuring heeft gegeven en opleveren op 26 juli 2024;
• over alle overige verzoeken van V&SH tot bijbetaling zal besloten worden door deskundigen waarbij het onze voorkeur heeft dat iedere partij een deskundige aanwijst die gezamenlijk zullen besluiten over de diverse verzoeken. De kosten van deze deskundigen zullen we gelijk verdelen over partijen.
Gezien alle gebeurtenissen lijkt het ons zeer wenselijk om op korte termijn te overleggen hoe dit werk gezamenlijk en op efficiënte wijze af te ronden en afspraken te maken over de benoeming van deskundigen. Daarbij spreken we de verwachting uit dat AEB net als V&SH van projectmanager zal wisselen om een nieuwe start te kunnen maken. Een en ander zullen we vast dienen te leggen in een addendum. (…)”
3.29.
Bij e-mail van 28 februari 2024 heeft AEB in reactie daarop gevraagd om een akkoord van de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders van Hanab op deze verklaring van Wevers. Verder heeft AEB als volgt gereageerd:
“Om patstellingen en onnodige kosten te voorkomen is naar het oordeel van AEB noodzakelijk dat een derde de onafhankelijke deskundige(n) benoemd.
Het op te stellen addendum bevat uitsluitend de volgende afspraken of afwijkingen of aanpassingen ten aanzien van de Overeenkomst.
• Verschuiving van mijlpaal 1 en 2; mijlpaal 2 wordt 26-7-2024; mijlpaal 1 wordt 4 maart 2024
• Overeenstemming meerwerken van 438k EUR volgens overzicht 6 juli 2023
• Partijen een onafhankelijke deskundige A en B, benoemen om de pretense meerwerken die VSH wil indienen, deze deskundigen voor partijenbindendadviseren over het pretense meerwerk, dit traject loopt parallel aan het traject tot voltooiing van het werk. (…)”
3.30.
De vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders van Hanab hebben beiden op 29 februari 2024 bevestigd akkoord te zijn met de e-mail van Hanab vermeld in 3.28, welke bevestiging is doorgezonden aan AEB.
3.31.
Op 5 maart 2024 heeft AEB voor het eerst melding gemaakt van een geplande algehele fabrieksstop voor groot onderhoud. In de notulen van het overleg van die datum staat dat AEB aangeeft dat de verwachting is dat de werkzaamheden niet aaneengesloten uitgevoerd kunnen worden in verband met de algehele fabrieksstop voor groot onderhoud en dat Hanab verzoekt om een planning wanneer Hanab niet op deze locatie kan werken, zodat zij hierop kan anticiperen in haar planning.
3.32.
AEB heeft op 6 maart 2024 een concept voor een tweede addendum aan Hanab gestuurd. Hanab is inhoudelijk niet akkoord gegaan met dit concept, met name vanwege het onderscheid tussen meerwerk en vertragingsschade en de opdracht aan de deskundigen. Op 15 maart 2024 heeft AEB een herzien concept tweede addendum opgesteld en aan Hanab verzonden. Omdat de tekst daarvan voor Hanab nog niet aanvaardbaar was, spraken partijen vervolgens af dat hun advocaten het concept tweede addendum verder zouden uitwerken en Hanab ondertussen aan het werk zou gaan.
3.33.
Hanab heeft op 16 april 2024 een clash-analyse uitgevoerd op basis van een 3D-scan van de fabriek waaruit blijkt dat er veel
clasheszullen optreden tussen de bestaande installatie en het ontwerp van de stoomkoppeling.
3.34.
Bij e-mail van 29 april 2024 heeft Hanab aan AEB een voorstel gedaan voor het afmaken van het werk met een “open boek” begroting. Deze e-mail vermeldt onder meer:

Om de planning te halen zullen we extra overuren moeten maken en mogelijk onderdelen/materialen met spoed aan te laten leveren. Deze willen we wel doorbelasten, mits [de rechtbank begrijpt: tenzij] AEB afziet van de boeteclausule “te laat opleveren”. (…)
We hebben kunnen concluderen vanuit de 3D clash analyse dat de engineering vanuit IV niet helemaal goed is gegaan. Ook in het verleden zijn hierover al wat discussies geweest. (...) Aangezien de engineering niet 100% is willen we de huidige isometric aanpassen naar as-build. Dit houdt in dat bv de maatvoering qua leiding lengte zal veranderen of supports aanpassingen.
Meerwerken:
• 3D scan
• Clash analyse
• Kosten t.b.v. clash analyse op te lossen, ik heb een globale kosten inschatting gemaakt van 270K exclusief 30 % onvoorzien en NDO kosten of herzien van DAD.
(…)
• Engineering naar As-Build door externe partij. (…)”
3.35.
In reactie daarop heeft AEB op 13 mei 2024 geschreven dat zij niet wil werken met een openboek constructie en heeft zij Hanab gevraagd om een onderbouwing van het meer- en minderwerk per clash.
3.36.
Bij brief van 16 mei 2024 heeft Hanab aan AEB bericht:
“Zoals bekend staat een brede financiële discussie, over o.a. niet geaccordeerde meerwerken en inefficiëntiekosten, al geruime tijd ‘on hold’(…) Het project (...) waarbij V&SH in 13 aaneengesloten kalenderwerken het werk in het jaar 2022 zou kunnen uitvoeren. De werkelijkheid is echter dat:
  • ontwerpdocumenten onvoldoende zijn;
  • een 3D clash analyse uitgevoerd diende te worden waaruit diverse nieuwe conflicten/clashes naar voren gekomen zijn;
  • realisatie in 13 aaneengesloten kalenderwerken niet mogelijk blijkt;
  • werkzaamheden niet ongestoord uitgevoerd kunnen worden hetgeen een voorwaarde was voor het hervatten van de werkzaamheden in februari 2024;
  • meerwerken niet geaccordeerd worden door opdrachtgever;
  • opdrachtgever haar directie voerende taken niet uitvoert. (…)”
Hanab heeft een laatste voorstel gedaan om het werk af te maken tegen een vaste prijs van € 3,5 miljoen met 26 juli 2024 als streefdatum voor de oplevering. Daarbij heeft Hanab meegedeeld dat dit aanbod geldt tot 17 mei 2024 om 17:00 uur en als AEB geen akkoord geeft, Hanab een week later geen gevolg meer zal geven aan de geplande werkzaamheden.
3.37.
Bij brief van 28 mei 2024 heeft AEB Hanab verzocht en gesommeerd uitvoering te geven aan de Overeenkomst en de nadere afspraken van 28 februari 2024. AEB heeft meegedeeld dat als Hanab niet uiterlijk op 30 mei 2024 om 14:00 uur heeft bevestigd dat het werk zal worden uitgevoerd zoals overeengekomen, AEB de bankgarantie zal trekken.
3.38.
Bij brief van 30 mei 2024 gericht aan BNP Paribas S.A. heeft AEB de bankgarantie ingeroepen, met het verzoek om uit te keren op 14 juni 2024, behoudens het geval dat Hanab een spoedgeschil entameert.
3.39.
Hanab heeft zich vervolgens gedemobiliseerd van de site en alle werkzaamheden gestaakt en bij brief van 30 mei 2024 aan AEB geschreven dat zij niet meer inhoudelijk zal ingaan op sommaties en heeft nogmaals verwezen naar de inhoud van haar brief van 16 mei 2024.
3.40.
Hanab heeft daarna AEB gedagvaard in kort geding voor deze rechtbank en – kort gezegd – gevorderd om AEB te verbieden een beroep te doen op de bankgarantie. Bij vonnis van 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van Hanab afgewezen.
3.41.
Bij e-mail van 15 juli 2024 heeft de advocaat van AEB de advocaat van Hanab verzocht om bepaalde documentatie van de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden aan AEB te verstrekken. Hanab heeft op 31 juli 2024 documentatie aan AEB verstrekt. AEB heeft vervolgens op 6 september 2024 laten weten dat deze documentatie incompleet is. Hierop heeft Hanab op 19 september 2024 geantwoord dat het opleverdossier een tussenstand is omdat de werkzaamheden niet zijn afgerond. Vervolgens heeft AEB op 15 oktober 2024 Hanab een laatste kans gegeven om de ontbrekende documentatie uiterlijk op 25 oktober 2024 ter beschikking te stellen.
3.42.
AEB heeft vervolgens besloten om de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden door een derde partij ongedaan te laten maken. Een klein deel van de werkzaamheden is daarna door een derde partij uitgevoerd.

4.Het geschil

in conventie

4.1.
Hanab vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat AEB ten onrechte de bankgarantie heeft getrokken,
II. onder de voorwaarde dat in februari 2024 tussen partijen een nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, deze overeenkomst anticipatief ontbindt,
III. onder de voorwaarde dat de buitengerechtelijke ontbinding door Hanab van 20 november 2023 (zie 3.22) geen stand houdt, de aanvankelijke Overeenkomst anticipatief ontbindt,
IV. AEB veroordeelt tot betaling van € 1.817.469,98, vermeerderd met btw en de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2024,
V. AEB veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
Hanab legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. Hanab stelt dat zij op 20 november 2023 gerechtigd was de Overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, omdat AEB weigerde om meerwerk te accepteren als gevolg van ontwerpwijzigingen van de stoomkoppelleiding door AEB na het sluiten van de Overeenkomst. Omdat vereist is dat de installatie wordt gecertificeerd en alleen voor het gewijzigde ontwerp, inclusief het meerwerk, een certificering was verleend, maar AEB weigerde het meerwerk te accepteren, kon Hanab de werkzaamheden niet uitvoeren. Hoewel partijen in februari 2024 hiervoor een oplossing hadden bereikt, waren er twee nieuwe kinken in de kabel ontstaan, namelijk een algemene onderhoudsstop in de fabriek van AEB waardoor Hanab niet zonder verstoring kon werken, én nieuwe
clashesin het werk, waarvoor een ontwerpwijziging van de stoomkoppelleiding nodig was. Omdat AEB hiervoor geen oplossing heeft geboden, heeft Hanab haar werkzaamheden in mei 2024 terecht beëindigd. AEB heeft daarom ten onrechte de bankgarantie getrokken. Voor zover partijen in februari 2024 nieuwe afspraken hebben gemaakt en de aanvankelijke Overeenkomst niet op 20 november 2023 is ontbonden, brengen voornoemde omstandigheden mee dat het voor Hanab onmogelijk was om aan haar verplichtingen te voldoen, zodat de (nieuwe) Overeenkomst moet worden ontbonden. Zij baseert dit op artikel 7:756 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarnaast heeft Hanab kosten gemaakt voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor onder andere geleverde materialen, materieel en bestede uren. Het totaal komt neer op een bedrag van € 1.817.469,98. Nu AEB haar verplichtingen niet is nagekomen, is AEB gehouden om dit bedrag te betalen.
4.3.
AEB is het niet met de vorderingen eens en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van Hanab in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
AEB vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de Overeenkomst (en de afspraken van februari 2024), en
primairper 16 mei 2024,
subsidiairper 30 mei 2024 in verzuim is geraakt,
II. Hanab veroordeelt tot betaling van een boete van € 186.377,-,
III. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure om de schade ten gevolge van de tekortkoming van Hanab vast te stellen,
IV. Hanab veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.6.
AEB legt hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Voor vordering I stelt AEB dat Hanab ten onrechte van het werk is weggelopen en het werk niet heeft voltooid. Hanab is op 16 mei 2024 in verzuim gekomen omdat zij toen een onaanvaardbaar voorstel heeft gedaan en heeft aangegeven dat als dit voorstel niet wordt geaccepteerd, zij geen vervolg zal geven aan de werkzaamheden, zodat AEB hieruit mocht afleiden dat Hanab tekort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst, Voor zover dit niet slaagt, is Hanab op 30 mei 2024 in verzuim geraakt omdat zij toen heeft aangegeven dat zij zich demobiliseert van de site en alle werkzaamheden staakt.
Voor vordering II stelt AEB dat Hanab op grond van artikel 6.4 van de Overeenkomst gehouden is om een schadevergoeding te betalen voor het niet tijdig opleveren van het werk op 26 juli 2024. Omdat het maximum van de schadevergoeding 10% van de totale aanneemsom betreft en partijen een herziene aanneemsom van ruim € 1,8 miljoen zijn overeengekomen, is Hanab gehouden om € 186.377,- te betalen.
Daarnaast vordert AEB dat de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure om de door haar geleden schade vast te stellen. Omdat Hanab de werkzaamheden niet heeft voltooid, is AEB gerechtigd om de werkzaamheden door een derde uit te laten voeren op kosten van Hanab. Nu Hanab niet alle benodigde documentatie over de verrichte werkzaamheden heeft verstrekt, kan een derde partij niet voortbouwen op de uitgevoerde werkzaamheden. AEB is daarom genoodzaakt geweest om het werk te laten demonteren, waarvoor zij kosten heeft gemaakt. AEB wenst dat al haar schade, waaronder interne kosten en gemiste inkomsten en voordelen door het niet kunnen gebruiken van de stoomkoppelleiding, in een schadestaatprocedure wordt begroot.
4.7.
Hanab is het niet met de vorderingen eens en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van AEB in de kosten van deze procedure.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
Partijen hebben op 28 februari 2024 nadere afspraken gemaakt
5.1.
Partijen verschillen van mening of zij op 28 februari 2024 nadere afspraken hebben gemaakt. Volgens Hanab hadden partijen toen weliswaar op hoofdlijnen overeenstemming bereikt, maar kan dit niet worden gezien als een nieuwe overeenkomst. Zij betoogt dat het voorbehoud was gemaakt van schriftelijke uitwerking in een addendum, dat dit ook vereist is op grond van artikel 20.1 van de Overeenkomst, maar dat partijen het niet eens zijn geworden over de tekst van het addendum, zodat geen nieuwe afspraken tot stand zijn gekomen. Daarnaast stelt Hanab dat AEB onbevoegd is vertegenwoordigd omdat de e-mail van 28 februari 2024 (zie 3.29) niet afkomstig is van een bevoegde vertegenwoordiger van AEB. AEB meent daarentegen dat nieuwe en bindende afspraken zijn gemaakt en voert aan dat deze afspraken ook door haar zijn bekrachtigd.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen op 28 februari 2024 nadere afspraken zijn gemaakt met het oog op de afronding van het project. Het door Hanab gedane voorstel (zie 3.28), dat is bevestigd door de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders van Hanab (zie 3.30), is door AEB bij e-mail van dezelfde datum (zie 3.29) geaccepteerd. AEB heeft ter zitting verklaard dat zij met haar e-mail (zie 3.29) geen afwijkend tegenvoorstel heeft gedaan, maar heeft ingestemd met het voorstel van Hanab.
Voor zover deze e-mail van AEB al door een vertegenwoordigingsonbevoegde is geschreven, heeft AEB de daarin besloten rechtshandeling (de aanvaarding van het aanbod van Hanab) nadien, in ieder geval tijdens het kort geding, bekrachtigd als bedoeld in artikel 3:69 BW Pro, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van Hanab dat AEB onbevoegd zou zijn vertegenwoordigd.
Hoewel het standpunt van Hanab juist is dat op grond van artikel 20.1 van de Overeenkomst een schriftelijkheidsvereiste geldt voor nadere (afwijkende) afspraken, is in dit geval hieraan voldaan. De nadere afspraken zijn immers vastgelegd in de e-mails van 28 februari 2024. Dat brengt mee dat deze afspraken gelden in aanvulling op de Overeenkomst. Dat uit de e-mails volgt dat partijen wensen dat een en ander wordt vastgelegd in een addendum, maar zij vervolgens over de tekst daarvan geen overeenstemming hebben bereikt, kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op de formulering van de e-mails kan het vastleggen van de afspraken in een addendum niet worden uitgelegd als een (opschortende) voorwaarde. Dat wordt ondersteund door de omstandigheid dat partijen na 28 februari 2024 gedeeltelijk uitvoering hebben gegeven aan die nadere afspraken, zonder dat deze waren vastgelegd in een addendum. Hanab heeft haar werkzaamheden hervat en geen gevolg gegeven aan de eerder buitengerechtelijke ontbinding van de Overeenkomst op 20 november 2023.
5.3.
Nu partijen op 28 februari 2024 nadere afspraken hebben gemaakt, heeft de buitengerechtelijke ontbinding van Hanab op 20 november 2023 geen effect gesorteerd.
Inhoud nadere afspraken
5.4.
Partijen zijn het niet eens over de inhoud van de nadere afspraken. Hanab heeft zich op het standpunt gesteld dat onderdeel hiervan was dat zij de werkzaamheden zonder verstoringen kon hervatten en het werk kon uitvoeren op basis van het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. AEB betwist dit en voert aan dat deze twee onderwerpen voor partijen niet relevant waren en ook niet terugkwamen in de gewisselde concepten van het addendum.
5.5.
De rechtbank volgt AEB hierin niet. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.2) heeft AEB desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk erkend dat zij geen andersluidend voorstel heeft gedaan, maar ingestemd heeft met het voorstel van Hanab. Nu voornoemde onderwerpen waren opgenomen in de e-mail van Hanab, maken zij onderdeel uit van het voorstel. Dat deze onderwerpen niet expliciet zijn benoemd in de e-mail van AEB (omdat zij voor AEB niet relevant waren) en daarna niet zijn opgenomen in het concept-addendum, is daarbij niet relevant. Zoals hiervoor is overwogen kan het vastleggen van de afspraken in een addendum niet als voorwaarde worden gezien, zodat Hanab ervan uit mocht gaan dat het door haar gedane voorstel, inclusief de twee onderwerpen, door AEB was geaccepteerd. De rechtbank deelt niet de visie van AEB dat de onderwerpen voor partijen niet relevant waren. Voor Hanab waren deze onderwerpen immers wel van belang, zoals blijkt uit de latere gang van zaken en uit de e-mail van Hanab van 13 maart 2024 in reactie op het concept-addendum, waarin is opgemerkt ‘huidige ontwerp is bevroren, dat gaan we uitvoeren’ en waarin wordt gerefereerd aan de gevolgen van de aangekondigde stop.
5.6.
Het voorgaande brengt mee dat onderdeel van de nadere afspraken op 28 februari 2024 was dat Hanab haar werkzaamheden zonder verstoring kan verrichten en het werk zal uitvoeren op basis van het door Lloyds goedgekeurde ontwerp.
Het beroep van Hanab op anticipatieve ontbinding slaagt
5.7.
Omdat de eerdere buitengerechtelijke ontbinding door Hanab geen effect heeft gesorteerd en partijen op 28 februari 2024 nadere afspraken hebben gemaakt, is aan de voorwaarden waaronder vorderingen II en III van Hanab zijn ingesteld voldaan. Dat betekent dat moet worden beoordeeld of de Overeenkomst (vordering III), inclusief de nadere afspraken (vordering II), moet worden ontbonden. De rechtbank zal hiertoe overgaan en legt hierna uit waarom.
Toetsingskader
5.8.
Artikel 7:756 lid 2 BW Pro bepaalt dat, indien reeds vóór de oplevering waarschijnlijk wordt dat de opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal voldoen, of dat de aannemer de overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren ten gevolge van een omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend, de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk kan ontbinden op vordering van de aannemer.
Hanab kon de werkzaamheden niet uitvoeren door een omstandigheid die aan AEB valt toe te rekenen
5.9.
Hanab stelt dat na de nadere afspraken ‘twee nieuwe kinken in de kabel’ zijn ontstaan, waardoor Hanab de overeenkomst niet kon uitvoeren, dan wel het werk niet (tijdig) kon opleveren, zodat er een reden is om de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) te ontbinden. Hanab stelt hiervoor in de eerste plaats dat zij niet ongestoord kon werken vanwege een algehele fabrieksstop voor groot onderhoud. In de tweede plaats stelt Hanab dat het onmogelijk was het werk te voltooien conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp omdat sprake was van nieuwe
clashes(conflicten) tussen de bestaande installatie en het ontwerp van de stoomkoppelleiding. Hierdoor was een ontwerpwijziging nodig, hetgeen viel onder de ontwerp-verantwoordelijkheid van AEB. Volgens Hanab heeft AEB voor beide omstandigheden geen oplossing geboden. De rechtbank begrijpt het standpunt van Hanab zo dat AEB hierdoor niet voldaan heeft aan de nadere afspraken zoals hiervoor genoemd in 5.6.
5.10.
AEB betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en voert aan dat zij op geen enkel moment door Hanab in gebreke is gesteld. Volgens AEB kan Hanab daarom geen succesvol beroep doen op ontbinding.
5.11.
De rechtbank overweegt dat de onderhoudsstop niet kan leiden tot het oordeel dat de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) moet worden ontbonden, maar dat dit wel het geval is voor zover het gaat om de nieuwe
clashes. Hierna worden deze onderwerpen afzonderlijk besproken.
Onderhoudsstop
5.12.
Als Hanab door de onderhoudsstop haar werkzaamheden niet ongestoord heeft kunnen uitvoeren, levert dit aan de zijde van AEB een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen op, althans in ieder geval schuldeisersverzuim. AEB heeft niet betwist dat zij ten tijde van de nadere afspraken op 28 februari 2024 bekend was met de geplande onderhoudsstop, dit niet heeft gemeld aan Hanab en op 5 maart 2024 heeft aangekondigd dat de werkzaamheden vanwege de algehele onderhoudsstop naar verwachting niet aaneengesloten kunnen worden uitgevoerd. AEB heeft echter wel gemotiveerd betwist dat Hanab daadwerkelijk feitelijk hinder heeft gehad van de onderhoudswerkzaamheden. AEB heeft toegelicht dat Hanab in het ketelhuis werkzaamheden moest verrichten en dat daar geen onderhoudswerkzaamheden waren. Daartegenover heeft Hanab niet concreet gesteld waar en op welke geplande data zij niet ongestoord heeft kunnen werken, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Dat maakt dat niet is komen vast te staan dat Hanab de werkzaamheden niet ongestoord heeft kunnen uitvoeren en dus ook niet dat AEB op dit punt de nadere afspraken niet is nagekomen. Deze omstandigheid levert dus geen grond op voor ontbinding van de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken).
Nieuweclashes
5.13.
Hanab stelt zich op het standpunt dat het onmogelijk was om het werk te voltooien conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp omdat er in april 2024 nieuwe
clashesbleken die niet ‘in het werk’ konden worden opgelost, maar een wijziging van het ontwerp vergden. AEB betwist dit en voert aan dat het voor Hanab vanaf het begin al duidelijk moet zijn geweest waar de
clashes(te verwachten) waren. Volgens AEB is Hanab op grond van de Overeenkomst gehouden de
clashes‘in het werk’ op te lossen en moet AEB dit als meerwerk compenseren en eventueel (op verzoek van Hanab) bouwtijdverlenging verlenen.
5.14.
De rechtbank is van oordeel dat Hanab voldoende heeft onderbouwd dat zij het werk niet kon uitvoeren volgens het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Daarbij wordt vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de ontwerpverantwoordelijkheid op grond van de Overeenkomst op AEB rust. Hanab heeft voldoende toegelicht dat het niet mogelijk was om de nieuw gebleken
clashes‘in het werk’ op te lossen zonder een aanpassing van het ontwerp. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Hanab een clash-analyse overgelegd en ter zitting toegelicht dat de geel gemarkeerde
clasheseen wijziging van het ontwerp vergden. Zo heeft zij uitgelegd dat
clashnummer 16 een leidingclash betreft waarbij volgens het ontwerp een leiding moet worden gebouwd die dwars door een andere bestaande leiding loopt. Volgens Hanab kan de bestaande leiding niet worden aangepast, zodat het ontwerp van de nieuwe leiding moet worden aangepast.
5.15.
AEB heeft daartegenover aangevoerd dat zij de
clash-analyse niet eerder heeft ontvangen dan in kort geding. In de conclusie van antwoord heeft zij echter erkend dat Hanab op 16 april 2024 een lijst met
clashesmet haar heeft gedeeld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat AEB van de nieuwe
clashesop de hoogte was, zodat aan dit verweer voorbij wordt gegaan.
5.16.
AEB heeft niet voldoende gemotiveerd betwist dat de
clashesniet ‘in het werk’ konden worden opgelost en dat een ontwerpwijziging nodig was. AEB heeft namelijk slechts aangevoerd dat uit het door Hanab overgelegde overzicht van de
clashesvolgt dat Hanab voor de geel gemarkeerde clashes zelf een voorstel heeft gedaan om dit op te lossen, zodat de
clashesvolgens AEB ‘in het werk’ oplosbaar zijn. Dat is echter in het licht van de stellingen van Hanab onvoldoende om te kunnen concluderen dat Hanab het werk kon uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Het enkele feit dat Hanab voorstellen heeft gedaan over het oplossen van de
clashes, betekent immers niet dat het werk kon worden uitgevoerd volgens het goedgekeurde ontwerp. Dat door de
clasheseen ontwerpwijziging nodig was, is ook in lijn met de e-mail van Hanab van 29 april 2024 waarin zij aan AEB heeft laten weten dat de engineering door IV-Industrie niet juist is, dat de huidige isometric moet worden aangepast naar as-build, wat inhoudt dat de maatvoering qua leiding lengte zal veranderen of supports aanpassingen moeten worden verricht en waarbij een globale inschatting is gemaakt van de kosten om de
clashesop te lossen, zonder de kosten van het herzien van de DAD. De rechtbank begrijpt dat met DAD wordt bedoeld een Design Approval Document wat bij Lloyds moet worden ingediend. Hanab heeft ook ter zitting toegelicht dat de nieuwe
clashesinvloed hebben op het DAD-traject en dat heeft AEB niet weersproken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de nieuwe
clashes(en de eventuele oplossingen hiervoor) meebrengen dat niet kon worden gebouwd conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Voor zover AEB meent dat de stelling van Hanab dat zij het werk niet kon uitvoeren niet strookt met haar eigen voorstel om het werk af te maken tegen betaling van een vaste prijs van € 3,5 miljoen, wordt AEB hierin niet gevolgd. Dat Hanab het werk kon voltooien wil namelijk nog niet zeggen dat het bestaande door Lloyds goedgekeurde ontwerp als zodanig uitvoerbaar was. AEB miskent hiermee ook dat partijen in de nadere afspraken juist zijn overeengekomen dat het werk zou worden uitgevoerd conform het op dat moment ‘bevroren’ ontwerp.
5.17.
Weliswaar zijn partijen overeengekomen dat Hanab
clashes‘in het werk’ moest oplossen, was Hanab van het bestaan van
clashesop de hoogte en is Hanab op grond van de Overeenkomst verantwoordelijk voor de uitvoeringsdocumentatie, maar dat betekent niet dat Hanab, anders dan AEB betoogt, hiermee de risico’s heeft aanvaard die verbonden zijn aan het door IV-Industrie namens AEB gemaakte ontwerp. Op grond van de Overeenkomst rust immers de ontwerpverantwoordelijkheid op AEB, zodat eventuele fouten in het ontwerp voor rekening van AEB komen. Ook uit het hiervoor in 3.15 vermelde overleg volgt niet dat Hanab de volledige ontwerpverantwoordelijkheid heeft overgenomen. Hanab heeft (conform de Overeenkomst) de ontwerp- en uitvoeringsdocumenten bij Lloyds ingediend, waarna het (gewijzigde) ontwerp is goedgekeurd door Lloyds. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat Hanab het werk zou uitvoeren volgens dit goedgekeurde ontwerp. Niet valt in te zien waarom op Hanab ook de verplichting zou rusten om ervoor te zorgen dat het ontwerp past in de bestaande installatie van AEB. Hanab mocht ervan uit gaan dat de uitvoering van het goedgekeurde ontwerp daadwerkelijk mogelijk was. Dat bleek echter niet zo te zijn vanwege de nieuwe
clashes, zoals hiervoor is overwogen.
5.18.
AEB heeft nog aangevoerd dat het op de weg van Hanab had gelegen om vanaf het begin de
clashesin kaart te brengen, zodat het voor Hanab duidelijk had moeten zijn waar de
clasheszaten. De rechtbank begrijpt het standpunt van AEB zo dat het voor rekening van Hanab moet komen dat zij pas na de nadere afspraken, en dus nadat het ontwerp door Lloyds was goedgekeurd, nieuwe
clashesheeft ontdekt, maar dit verweer slaagt niet. Het is niet relevant op welk moment Hanab uiteindelijk de
clashesheeft onderzocht, aangezien partijen zijn overeengekomen dat Hanab het werk kon uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Als er vervolgens tijdens de uitvoering van het werk
clasheszouden worden ontdekt, zou dit volgens de gemaakte afspraken door Hanab worden opgelost ‘in het werk’ tegen betaling van meerwerk. Dat betekent echter niet dat
clashesdie een ontwerpwijziging vergen, ook door Hanab moeten worden opgelost. Dat het aflopen van de stoomkoppelleiding en het onderzoeken waar de
clashes(kunnen) zijn volgens AEB slechts een aantal uur werk betreft, doet dus niet ter zake. Hetzelfde geldt voor de stelling van AEB dat alle
clashesmet het blote oog zouden zijn vast te stellen. Dit ligt bovendien ook niet voor de hand, aangezien AEB zelf in de Nota van Inlichtingen heeft vermeld dat niet alle
clashesbij haar bekend zijn, hetgeen uiteraard wel het geval zou zijn als deze met het blote oog zichtbaar zouden zijn. Het gaat immers om haar eigen fabriek. Daarnaast wordt in de aanbestedingsdocumentatie verwezen naar 3D modellen waarin
clasheszijn geconstateerd. Als alle
clashesmet het blote oog zouden zijn vast te stellen, zou het verstrekken van deze documentatie zinloos zijn.
5.19.
Gelet op het voorgaande kon Hanab het werk niet uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp, zoals partijen in de nadere afspraken van 28 februari 2024 zijn overeengekomen. AEB verlangde wel dat Hanab hiertoe zou overgaan en de nieuwe
clashes‘in het werk’ zou oplossen, terwijl dit in feite niet mogelijk was zonder aanpassing van het ontwerp. Gelet op de ontwerpverantwoordelijkheid van AEB, valt dit aan haar toe te rekenen en kan dit niet voor rekening van Hanab komen.
Tussenconclusie
5.20.
Uit het voorgaande volgt dat Hanab als aannemer de overeenkomst niet kon uitvoeren ten gevolge van een omstandigheid die haar niet kan worden toegerekend. Daarom zal de rechtbank de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) geheel ontbinden. Dit strookt ook met de wens van partijen, die beiden ter zitting hebben verklaard dat zij geen uitvoering meer wensen te geven aan de Overeenkomst. Dat Hanab AEB niet in gebreke heeft gesteld, staat aan een ontbinding op grond van artikel 7:756 lid 2 BW Pro niet in de weg omdat dit geen vereiste is. Vorderingen II en III van Hanab worden dan ook toegewezen.
Gevolgen ontbinding
5.21.
Op grond van artikel 7:756 lid 3 BW Pro bepaalt de rechter de gevolgen van de ontbinding. Dit doet de rechtbank als volgt. Door de ontbinding worden de uit de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) voortvloeiende verbintenissen beëindigd. Dat betekent dat Hanab geen werkzaamheden meer hoeft te verrichten en AEB niet gehouden is tot nadere betalingen van (termijnen van) de aanneemsom c.q. het meerwerk. De werkzaamheden zijn echter voor een deel uitgevoerd en daarvoor is 50% van de aanneemsom betaald. AEB heeft echter de bankgarantie (ter hoogte van 50% van de aanneemsom) getrokken, waardoor zij feitelijk niets voor de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden heeft betaald. Bij deze beoordeling is van belang dat de aard van de door Hanab verrichte prestatie uitsluit dat zij ongedaan gemaakt wordt, zodat Hanab in beginsel recht heeft op een vergoeding ten belope van de waarde van die prestatie op het tijdstip van ontvangst, zoals bepaald in artikel 6:272 lid 1 BW Pro. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor een betalingsverplichting aan de zijde van AEB.
5.22.
De waarde van de prestatie ten tijde van ontvangst kan niet gelijk gesteld worden met de door Hanab gemaakte kosten voor leveringen/materialen en manuren van € 1.560.060,07. AEB heeft ter zitting verklaard dat het door Hanab gerealiseerde deel van de stoomkoppelleiding is weggehaald en dat een onderdeel van het werk inmiddels door een derde partij is uitgevoerd. De vraag is daarom of een objectieve vaststelling van de waarde van het door Hanab gerealiseerde deel van de stoomkoppelleiding (ten tijde van ontvangst) nog mogelijk is. Verder heeft Hanab, buiten de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden, ook werkzaamheden verricht die waarde vertegenwoordigen, zoals de werkzaamheden voor het verkrijgen van de goedkeuring van Lloyds op het ontwerp.
Bij gebreke van andere aanknopingspunten stelt de rechtbank de waarde van de reeds uitgevoerde werkzaamheden gelijk aan het deel van de aanneemsom dat op grond van het in de Overeenkomst overeengekomen betaalschema verschuldigd was, namelijk 50 % van de aanneemsom. Partijen zijn aanvankelijk een aanneemsom van € 1.425.520,- exclusief 21% btw overeengekomen, maar hebben later overeenstemming bereikt over bijkomend meerwerk van in totaal € 438.778,08. Nu dit meerwerk niet is uitgevoerd, laat de rechtbank dit deel buiten beschouwing. AEB moet de helft van de oorspronkelijke aanneemsom, te weten € 712.760,-, te vermeerderen met 21% btw, aan Hanab betalen als waardevergoeding. Dat is ook het bedrag dat AEB via de bankgarantie heeft getrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de ontbinding op grond van artikel 7:756 lid 3 BW Pro enig ander gevolg te verbinden. Vordering IV wordt daarom tot dit bedrag toegewezen.
5.23.
De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over het toegewezen bedrag wordt afgewezen, omdat dit bedrag zijn grondslag vindt in de rechtelijke ontbinding en niet in een handelsovereenkomst. In plaats daarvan zal de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) worden toegewezen over dit bedrag als dit niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald.
5.24.
Nu AEB al wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag dat zij via de bankgarantie heeft getrokken, wordt vordering I van Hanab bij gebrek aan belang afgewezen.
Proceskosten
5.25.
AEB is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hanab worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 10.188,00
- salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten x € 3.723,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 17.942,40.
5.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
5.27.
AEB vordert op haar beurt een verklaring voor recht dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) omdat Hanab het werk niet heeft voltooid. Deze vordering wordt afgewezen. Uit de overwegingen in conventie volgt dat Hanab geen uitvoering meer heeft gegeven aan de werkzaamheden omdat het werk niet kon worden uitgevoerd conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp, vanwege nieuwe
clashesdie een ontwerpwijziging vergden en AEB hiervoor geen oplossing heeft geboden. Van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van Hanab kan dan ook niet worden gesproken.
De gevorderde boete wordt afgewezen
5.28.
AEB vordert daarnaast een contractuele boete op grond van artikel 6.4 van de Overeenkomst vanwege het niet tijdig opleveren van het werk. Deze vordering wordt afgewezen omdat het niet tijdig opleveren op 26 juli 2024 niet komt door een omstandigheid die aan Hanab valt toe te rekenen, maar juist voor rekening van AEB komt. Hanab kan dan ook niet worden veroordeeld tot betaling van de contractuele boete.
De verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen
5.29.
AEB vordert ten slotte dat de zaak naar de schadestaatprocedure wordt verwezen om al haar schade vast te laten stellen. Deze vordering wordt afgewezen omdat er geen grond voor AEB bestaat om Hanab aansprakelijk te stellen voor schade.
5.30.
Voor zover AEB deze vordering baseert op de stelling dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat zij ten onrechte van het werk is weggelopen en het werk niet heeft voltooid, is hiervoor al overwogen dat de rechtbank AEB hierin geen gelijk geeft. Dit levert dus geen schadevergoedingsplicht op voor Hanab.
5.31.
Voor zover AEB deze vordering baseert op de stelling dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat zij niet de vereiste documentatie heeft verstrekt, gaat de rechtbank hierin niet mee. AEB stelt dat Hanab op grond van de Overeenkomst gehouden was bepaalde documentatie, van onder andere toegepaste materialen en lasserkwalificaties, te verstrekken, maar dat Hanab dit niet (volledig) heeft gedaan. Volgens AEB kan een derde niet voortbouwen op de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden, omdat de werkzaamheden daardoor niet gecertificeerd kunnen worden. AEB meent dat de vereiste informatie tijdens of direct na de werkzaamheden hadden moeten worden gedocumenteerd. Hanab heeft dit gemotiveerd betwist en aangevoerd dat zij alle beschikbare documentatie van de werkzaamheden tot het moment van beëindigen van de werkzaamheden heeft aangeleverd en haar verplichtingen op basis van de Overeenkomst ook niet verder strekken. Hanab heeft weliswaar erkend dat bepaalde controles nog niet waren uitgevoerd, maar heeft hiervoor de toelichting gegeven dat een externe partij hiervoor één keer per maand langskomt en het werk nimmer is opgeleverd, zodat geen sprake is van een volledig opleverdossier. AEB heeft hiertegen ingebracht dat Hanab op dagelijkse of in ieder geval regelmatige basis lasonderzoek en röntgencontrole moet uitvoeren, waarbij zij onder meer heeft verwezen naar de “Technische standaard pijpleidingen”. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat controles altijd op dezelfde dag moeten worden uitgevoerd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Hanab, is onvoldoende komen vast te staan dat Hanab in de huidige status van het werk onvolledige documentatie aan AEB heeft verschaft, zodat het betoog van AEB niet slaagt. Van een schadevergoedingsverplichting aan de zijde van Hanab is daarom geen sprake.
Proceskosten
5.32.
AEB is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen in reconventie. Vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie past de rechtbank op het salaris advocaat een factor 0,5 toe. De proceskosten van Hanab worden begroot op:
- salaris advocaat
2.051,00
(2 punten × 0,5 × € 2.051,00)
- nakosten
107,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.158,00.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande Overeenkomst inclusief de nadere afspraken van februari 2024,
6.2.
veroordeelt AEB om aan Hanab te betalen een bedrag van € 712.760,00, te vermeerderen met 21% btw, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag als dit niet binnen veertien dagen na aanschrijving is betaald,
6.3.
veroordeelt AEB in de proceskosten van € 17.942,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
veroordeelt AEB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van AEB af,
6.6.
veroordeelt AEB in de proceskosten van € 2.158,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie voorts
6.7.
veroordeelt AEB tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als AEB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4, 6.6 en 6.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.