Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3499

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
26-003526
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing rechtbank over bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet-naleving locatiegebod en lachgasgebruik

De veroordeelde was bij vonnis van 8 augustus 2024 veroordeeld tot 25 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 17 april 2025 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Na meerdere herroepingen van deze voorwaardelijke invrijheidstelling vanwege het niet naleven van het locatiegebod en terugval in lachgasgebruik, werd de v.i. op 3 februari 2026 voor negentig dagen herroepen.

De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze laatste herroeping en voerde aan dat hij zich inspant om zijn situatie te verbeteren, geen klinische behandeling wenst en liever ambulante hulp ontvangt. Hij gaf aan dat hij een nieuwe woonplek buiten Amsterdam nodig heeft en dat hij niet dagelijks lachgas gebruikt.

De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de herroeping heeft kunnen besluiten. De veroordeelde heeft het locatiegebod opnieuw overtreden en vertoont terugval in lachgasgebruik, wat risico's voor zijn veiligheid met zich meebrengt. De reclassering adviseert eerst behandeling van de verslaving alvorens een geschikte woonplek te regelen. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor negentig dagen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor negentig dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-325432-23
v.i. nummer : 89-000329-58
raadkamernummer : 26-003526
datum : 11 maart 2026
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. K.H.T. van Gijssel,
[adres] ,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 8 augustus 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden met aftrek van voorarrest. Deze veroordeling is op 23 augustus 2024 onherroepelijk geworden.
Het Openbaar Ministerie heeft de veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) verleend bij beslissing van 11 maart 2025. Deze beslissing is op 12 maart 2025 aan de veroordeelde betekend. De veroordeelde is op 17 april 2025 feitelijk in vrijheid gesteld.
Het Openbaar Ministerie heeft op 12 november 2025 de v.i. van de veroordeelde met zestig dagen herroepen. De rechtbank Amsterdam heeft het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen deze beslissing op 3 december 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat de v.i. van veroordeelde met dertig dagen wordt herroepen.
Het Openbaar Ministerie heeft bij beslissing van 10 december 2025 de thans geldende bijzondere voorwaarden gesteld.
De veroordeelde is op 11 december 2025 wederom voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
De reclassering heeft op 18 december 2025 aan het Openbaar Ministerie bericht dat de veroordeelde zich niet aan het locatiegebod heeft gehouden.
Het Openbaar Ministerie heeft op 19 december 2025 de v.i. van de veroordeelde herroepen voor de duur van vijfenveertig dagen. De rechtbank heeft bij beslissing van 13 januari 2026 het bezwaarschrift van de veroordeelde tegen deze herroeping gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat de v.i. van veroordeelde met twintig dagen wordt herroepen.
Op 19 januari 2026 is de veroordeelde opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
De reclassering heeft op 2 februari 2026 aan het Openbaar Ministerie bericht dat de veroordeelde zich opnieuw niet aan het locatiegebod heeft gehouden.
Het Openbaar Ministerie heeft op 3 februari 2026 de v.i. van de veroordeelde herroepen
voor de duur van negentig dagen en de verdere tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
bevolen en de veroordeelde daarvan op 4 februari 2026 in kennis gesteld.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 5 februari 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
De veroordeelde heeft op 27 februari 2026 een brief aan de rechtbank geschreven.
Het Openbaar Ministerie heeft op 5 maart 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De reclassering heeft op 10 maart 2026 een aanvullende e-mail gestuurd aan het Openbaar Ministerie. [1]
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, en de officier van justitie, mr. A. Kramer, in raadkamer gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van negentig dagen te herroepen.
Door de veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het is niet zo dat het niet goed gaat. Ik sport en ik heb werk. Ik kom mijn afspraken na. Ik heb vanaf het begin aangegeven dat ik graag begeleid wil wonen. Ik heb thuis veel meegemaakt en ik heb een nieuwe omgeving nodig om mijn verleden achter mij te kunnen laten. Ik val daardoor steeds terug in oude gebeurtenissen. Ik heb geen lachgasverslaving, want ik gebruik niet dagelijks. Ik gebruik alleen als het misgaat. Dat is nu twee of drie keer gebeurd. Ik zou in overleg met de reclassering op de nachtopvang verblijven, maar dat was geen fijne plek. Ik kreeg van alles aangeboden en het waren onaangename mensen. Uiteindelijk heb ik in een hostel geslapen. Dat ik nu vastzit, komt door de reclassering. Ik heb alles gedaan wat ik moest doen. Een klinische behandeling is niet nodig. Ik heb een andere woonplek nodig. Het liefst buiten Amsterdam. Een ambulante behandeling is niet eens geprobeerd. Ik ben zelf een paar maanden geleden naar mijn huisarts gegaan voor therapie. Ik heb volgende week een afspraak en deze kan ik niet missen. Ik heb niet tegen de toezichthouders gezegd dat ik dood wil. Ik ga niet meewerken aan een klinische behandeling. Dan zit ik het restant van mijn straf uit.
Namens de veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Het bezwaar dient deels gegrond te worden verklaard en de veroordeelde dient zo spoedig mogelijk weer in vrijheid te worden gesteld. De veroordeelde vecht ervoor om zijn situatie te verbeteren. Hij heeft uit emotie enkele zorgwekkende uitspraken gedaan. Dit was een momentopname. Het is duidelijk dat de woonomgeving van de veroordeelde voor hem niet het beste is, waardoor hij terugvalt in lachgasgebruik. De veroordeelde gebruikt alleen lachgas op momenten dat hij teveel emoties heeft en hier niet meer overweg kan. Dit zou een verslaving genoemd kunnen worden. Voor het grootste deel heeft de veroordeelde goed gefunctioneerd en hield hij zich aan de voorwaarden. Hij vindt een klinische behandeling onnodig en vindt dat eerst een ambulante behandeling moet worden geprobeerd. Gelet op de huidige wachtlijsten kan dit enkele maanden tot een jaar duren. De herroeping van de v.i. zou nodig zijn om een plan op te stellen, maar dat ligt er al. Er dient een geschikte woonplek voor de veroordeelde te worden gevonden en hij moet klinisch dan wel ambulant worden behandeld. Het probleem zit hem in het feit dat het plan vanwege de wachtlijsten niet kan worden uitgevoerd. Dit is over negentig dagen niet anders. Indien de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld, kan hij de afspraken nakomen die hij heeft staan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - met verwijzing naar het standpunt van het Openbaar Ministerie van 5 maart 2026 - op het standpunt gesteld dat de beslissing tot herroeping van de v.i. voor de duur van negentig dagen in stand moet blijven.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen en overweegt hiertoe als volgt. Hoewel de veroordeelde zijn best doet, is het duidelijk geworden dat - zodra hij in vrijheid wordt gesteld - het niet altijd goed gaat en hij terugvalt in het gebruik van lachgas. Daarbij ontstaan er mede vanwege uitspraken van de veroordeelde zelf zorgen over zijn veiligheid. Ook heeft de veroordeelde opnieuw het locatieverbod overtreden door op een (onbekende) andere locatie te verblijven dan was afgesproken met de relcassering en niet bereikbaar te zijn. De veroordeelde moet worden behandeld voor zijn lachgasverslaving om nieuwe terugvallen te voorkomen. Dit is mede gelet op de lange wachtlijsten nog niet van de grond gekomen. Uit het advies van de reclassering van 2 februari 2026 en de aanvullende e-mail d.d. 10 maart 2026 blijkt dat er eerst moet worden gewerkt aan de verslaving van de veroordeelde en de factoren die ervoor zorgen dat hij terugvalt. Daarna moet er een geschikte woonplek voor de veroordeelde worden geregeld. De reclassering heeft minimaal negentig dagen nodig om uitvoering te kunnen geven aan dit plan. Mocht er eerder dan negentig dagen een passende woon- en behandelplek voor de veroordeelde beschikbaar zijn, dan heeft het Openbaar Ministerie toegezegd dat zij eerder dan die negentig dagen zullen beoordelen of de veroordeelde opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld kan worden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Deze e-mail wordt aan dit proces-verbaal gehecht.